Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5551

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-04-2012
Datum publicatie
11-05-2012
Zaaknummer
Awb 12 / 10858
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

In eerdergenoemde uitspraken is steeds overwogen dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van zijn bekering tot het christendom in Nederland. Aangezien verzoeker heeft aangetoond dat hij op 4 februari 2012 per aangetekende post een verklaring heeft gestuurd naar de Iraanse ambassade te Den Haag, waarin hij heeft aangegeven zich uitdrukkelijk te hebben bekeerd tot het christendom, is sprake van nieuwe feiten en omstandigheden op dit punt. Aangezien niet op voorhand is uitgesloten dat deze kunnen afdoen aan het oordeel in de eerdere besluitvorming, bestaat aanleiding voor een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit op dit punt.

De voorzieningenrechter heeft geconstateerd dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) op 8 maart 2012 in de zaak met nummer 201101819/1/V1, betreffende een Iraanse asielzoeker die zich heeft bekeerd tot het christendom, het onderzoek heeft aangehouden in verband met prejudiciële vragen die het Duitse Bundesverwaltungsgericht op 18 februari 2011 heeft gesteld HvJ EU over artikel 9 van de Definitierichtlijn in relatie tot het hebben en invullen van een geloofsovertuiging. Aangezien reeds is komen vast te staan dat verzoeker is bekeerd en evangelisch christen is en voorts niet ter discussie staat dat de Iraanse autoriteiten thans op de hoogte zijn van het feit dat verzoeker is bekeerd tot het christendom, is de beantwoording van deze aan het HvJ EU gestelde vragen ook van belang te achten voor de beslissing op het onderhavige beroep. Daaraan doet niet af het betoog van verweerder – wat daarvan ook zij – dat nergens uit blijkt dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van de evangeliserende activiteiten van verzoeker. Aldus moet reeds worden geoordeeld dat het beroep van verzoeker een redelijke kans van slagen thans niet kan worden ontzegd. Toewijzing verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/10858 (voorlopige voorziening)

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 april 2012

inzake

[verzoeker]

geboren op [datum],

van Iraanse nationaliteit,

verblijvende te Kraggenburg,

verzoeker,

gemachtigde mr. drs. P.B.P.M. Bogaers,

tegen

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (onder wie tevens begrepen diens rechtsvoorgangers),

verweerder,

gemachtigde mr. X.J. Polak.

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2012, genomen in de algemene asielprocedure, heeft verweerder de aanvraag van verzoeker van 21 maart 2012 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen. Daarbij heeft verweerder tevens geweigerd om verzoeker in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Daarnaast is bij het besluit van 21 maart 2012 aan verzoeker een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Verzoeker heeft op 29 maart 2012 tegen dit besluit beroep ingesteld, geregistreerd onder zaaknummer AWB 12/10853. Tevens heeft verzoeker op diezelfde datum de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van 19 april 2012, waar verzoeker is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. De voorzieningenrechter stelt vast dat wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter zal toetsen of het beroep een redelijke kans van slagen heeft en of bij afweging van de betrokken belangen uitzetting van verzoekster in afwachting van de beslissing op beroep moet worden verboden.

3. De voorzieningenrechter stelt ambtshalve vast dat verzoeker eerder, te weten op 15 april 2003, 1 februari 2004, 15 juni 2004, 17 januari 2005, 17 mei 2005, 23 januari 2007 en 28 november 2008, aanvragen tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft gedaan. Deze aanvragen zijn door verweerder afgewezen bij besluiten van respectievelijk 19 april 2003, 3 februari 2004, 18 juni 2004, 21 januari 2005, 23 mei 2005, 16 juli 2008 en 30 november 2009. Al deze besluiten staan in rechte vast.

4. Op 21 maart 2012 heeft verzoeker de onderhavige (achtste) asielaanvraag ingediend. Aan deze aanvraag heeft verzoeker ten grondslag gelegd dat hij op 3 februari 2012 (in aanwezigheid van getuigen en journalisten) naar de Iraanse ambassade is gegaan om een verklaring te overleggen waarin verzoeker heeft aangegeven dat hij is bekeerd tot het christendom, dat hij eraan hecht dat de Islamitische republiek Iran kennis heeft van dit feit, dat de Iraanse autoriteiten hier alle gevolgen aan toe kan kennen die zij naar Islamitisch/Iraans recht wenselijk achten en dat – gezien de eenheid tussen religie en staat – verzoekers nationaliteit is komen te vervallen. Ter onderbouwing van voornoemd bezoek heeft verzoeker onder meer getuigenverklaringen overgelegd, alsmede mediaberichten waarin verslag wordt gedaan van verzoekers bezoek aan de Iraanse ambassade. Tevens heeft verzoeker informatie overgelegd over de goedkeuring door het Iraanse parlement van het wetsvoorstel om afvalligheid met de doodstraf te bestraffen. Daarnaast heeft verzoeker diverse getuigenverklaringen overgelegd, waarin staat vermeld dat verzoeker actief het christendom evangeliseert en verzoeker bij kerkdiensten als tolk fungeert. De in dit kader overgelegde stukken betreffen:

a. foto’s van verzoekers aanwezigheid in de kerk in Emmeloord;

b. een verklaring van 27 december 2011 van de kerkenraad der Gereformeerde Gemeente;

c. verschillende w-documenten en verblijfsdocumenten van bekeerde christenen;

d. een artikel van “KNactueel” van 10 februari 2012 (“Uitgeprocedeerd maar niet bang”);

e. een bericht (“Asielzoeker daagt Iran uit”) van de webpagina www.destentor.nl van 3 februari 2012;

f. een verklaring van verzoeker aan de Iraanse ambassade uit 2012;

g. een bonnetje van de Iraanse ambassade dat verzoeker heeft gekregen bij zijn bezoek op 3 februari 2012;

h. een bericht van TNT Post betreffende de aangetekende verzending van voornoemde verklaring aan de Iraanse ambassade;

i. een bericht van de het Reformatorisch Dagblad van 14 maart 2012;

j. een artikel (met vertaling) van de website www.radiozamaneh.com van 28 januari 2012 over goedkeuring van het wetsvoorstel “doodstraf op afvalligheid”.

k. een brief van K. Parsi van de Universiteit Leiden van 15 februari 2012 over het verlies van de nationaliteit in Iran;

l. een beroepschrift in een zaak van een andere Iraanse asielzoeker van 9 november 2011;

m. een verwijzing naar een video op Youtube, genaamd “Gevangen in de Polder – Het verhaal van Masoud Zavary”;

n. een persbericht over het bezoek van verzoeker aan de Iraanse ambassade;

o. een verslag van de tolk van het bezoek van verzoeker aan de Iraanse ambassade op 3 februari 2012

p. een toelichting op de herhaalde aanvraag van verzoekers advocaat;

q. enkele pagina’s van het algemeen ambtsbericht inzake Iran van augustus 2011;

r. een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 23 december 2011 over verlies van nationaliteit;

s. een schrijven aan de universiteit Maastricht van 10 februari 2012 over verlies van nationaliteit in Iran;

t. enkele getuigenverklaringen (met begeleidend schrijven van 16 januari 2012) van mensen die verklaren dat verzoeker een evangelisch christen is en fungeert als tolk in kerkdiensten;

u. een verklaring van de kerkenraad der Gereformeerde Gemeente van 27 december 2011;

v. een verklaring van de werkgroep Kerk en Vluchteling NOP/Urk van 27 december 2011;

w. een verklaring van Vluchtelingenwerk PKN IJsselmuiden van 24 december 2011;

x. een verklaring van de gereformeerde kerk Kampen Zuid van 23 december 2011;

y. een verklaring van een persoon die door verzoeker is bijgestaan bij zijn bekering tot het christendom.

5. Ingevolge artikel 4:6 van de Awb is, indien na een geheel of deels afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.

6. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling, zie onder meer de uitspraak van 6 maart 2008, LJN BC7124, vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit niet kan worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst als ware het een eerste afwijzing (het ‘ne-bis-in-idem’-beginsel). Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aldus aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Slechts op grond van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan noodzaak bestaan om deze in het nationale recht neergelegde procedureregels niet tegen te werpen. De rechtbank verwijst hierbij naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 inzake Bahaddar tegen Nederland, LJN AG8817.

7. Vaste jurisprudentie van de Afdeling is dat de rechter, ter bepaling van de omvang van de door hem te verrichten beoordeling in geval van een besluit op een herhaalde aanvraag, direct dient te treden in de vraag of het in rechtsoverweging 5 weergegeven beoordelingskader van toepassing is.

8. Uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting kan niet worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan. De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verzoeker aan zijn herhaalde aanvraag nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb ten grondslag heeft gelegd. Dienaangaande wordt als volgt overwogen.

9. Voor zover verzoeker met hetgeen hij heeft aangevoerd en overgelegd wil aantonen dat hij is bekeerd en evangelisch christen is, kan dit niet worden aangemerkt als nieuwe feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van de Awb, aangezien in de eerdere procedures reeds is aangenomen en betrokken dat verzoeker is bekeerd en evangelisch christen is. De voorzieningenrechter wijst in dit verband op de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 10 februari 2005, zaaknummers AWB 05/3291 en AWB 05/3290, in verzoekers vierde asielaanvraag, alsmede naar de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, van 1 december 2011, zaaknummer AWB 09/48382, in verzoekers zevende asielaanvraag

10. Hetgeen verzoeker heeft aangevoerd en overgelegd ter onderbouwing van de positie van bekeerde christenen in Iran en de goedkeuring door het Iraanse parlement van het wetsvoorstel om afvalligheid met de doodstraf te bestraffen, kan evenmin worden aangemerkt als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, aangezien dit reeds is betrokken in de procedure naar aanleiding van verzoekers aanvraag van 28 november 2008. De voorzieningenrechter wijst in dit verband naar eerdergenoemde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Arnhem, van 1 december 2011.

11. Ten aanzien van hetgeen verzoeker heeft aangevoerd en overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat de autoriteiten van Iran op de hoogte zijn van het feit dat hij is bekeerd tot het christendom, overweegt de voorzieningenrechter als volgt. In eerdergenoemde uitspraken van deze rechtbank van 10 februari 2005 en 1 december 2011, is steeds overwogen dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van zijn bekering tot het christendom in Nederland. Aangezien verzoeker heeft aangetoond dat hij op 4 februari 2012 per aangetekende post een verklaring heeft gestuurd naar de Iraanse ambassade te Den Haag, waarin hij heeft aangegeven zich uitdrukkelijk te hebben bekeerd tot het christendom, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake van nieuwe feiten en omstandigheden op dit punt. Aangezien niet op voorhand is uitgesloten dat deze nieuwe feiten en omstandigheden kunnen afdoen aan het oordeel in de eerdere besluitvorming, bestaat aanleiding voor een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit op dit punt.

12. Verweerder heeft in dit verband aangegeven dat niet ter discussie staat dat de Iraanse autoriteiten thans op de hoogte zijn van het feit dat verzoeker is bekeerd tot het christendom. Hoewel evenmin ter discussie staat dat verzoeker in Nederland evangeliserende activiteiten (heeft) verricht, blijkt volgens verweerder nergens uit dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van de evangeliserende activiteiten van verzoeker. De enkele omstandigheid dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van het feit dat verzoeker is bekeerd tot het christendom, is onvoldoende voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning, aldus verweerder.

13. De voorzieningenrechter heeft geconstateerd, zoals verzoeker ook heeft opgemerkt in beroep, dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) op 8 maart 2012 in de zaak met nummer 201101819/1/V1, betreffende een Iraanse asielzoeker die zich heeft bekeerd tot het christendom, het onderzoek heeft aangehouden in verband met prejudiciële vragen die het Duitse Bundesverwaltungsgericht op 18 februari 2011 in de zaken met nummers C-71 en C99-11 heeft gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) over artikel 9 van Richtlijn 2004/83/EG (de Definitierichtlijn) in relatie tot het hebben en invullen van een geloofsovertuiging. Aangezien reeds in de eerdere asielprocedures is komen vast te staan dat verzoeker is bekeerd en evangelisch christen is en voorts niet ter discussie staat dat de Iraanse autoriteiten thans op de hoogte zijn van het feit dat verzoeker is bekeerd tot het christendom, is de beantwoording van deze aan het HvJ EU gestelde vragen ook van belang te achten voor de beslissing op het onderhavige beroep. Daaraan doet niet af het betoog van verweerder – wat daarvan ook zij – dat nergens uit blijkt dat de Iraanse autoriteiten op de hoogte zijn van de evangeliserende activiteiten van verzoeker. Aldus moet reeds worden geoordeeld dat het beroep van verzoeker een redelijke kans van slagen thans niet kan worden ontzegd.

14. De voorzieningenrechter zal daarom het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toewijzen in dier voege dat de verwijdering van verzoeker uit Nederland wordt verboden tot en met één week na verzending van de uitspraak op het door verzoeker ingestelde beroep, geregistreerd onder zaaknummer AWB 12/10853. Hetgeen verzoeker overigens heeft aangevoerd behoeft geen bespreking meer.

15. Nu nader onderzoek, te weten de beantwoording van voormelde prejudiciële vragen, relevant is te achten voor de in deze zaak te nemen beslissing, zal de voorzieningenrechter geen gebruik maken van de aan hem in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb gegeven bevoegdheid om direct uitspraak te doen in de hoofdzaak.

16. Nu het verzoek wordt toegewezen, acht de voorzieningenrechter termen aanwezig verweerder onder toepassing van artikel 8:75, eerste lid, in samenhang met artikel 8:84, vierde lid, van de Awb te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage wordt het bedrag van de te vergoeden proceskosten begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand:

• 1 punt voor het indienen van een (aanvullend) verzoekschrift;

• 1 punt voor het verschijnen ter zitting;

• waarde per punt € 437,00;

• wegingsfactor 1.

17. Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van de rechtbank.

18. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

- verbiedt verweerder verzoeker uit Nederland te verwijderen tot en met één week na verzending van de uitspraak op het door verzoeker ingestelde beroep;

- veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten vastgesteld op € 874,00;

- bepaalt dat het bedrag van de proceskosten moet worden voldaan aan de griffier

Aldus gedaan door mr. T. van de Woestijne als voorzieningenrechter in tegenwoordigheid van H.J. Renders als griffier en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2012.

?

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open