Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5432

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
10-05-2012
Zaaknummer
403879 - HA ZA 11-2470
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid van de staat, onrechtmatige rechtspraak.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2012/123
NJF 2012/293

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 403879 / HA ZA 11-2470

Vonnis van 25 april 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. drs. M. Vissers te Utrecht,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN VEILIGHEID EN JUSTITIE),

zetelend te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. G.J.H. Houtzagers te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Staat genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 9 september 2011, hersteld bij exploot van 19 september 2011, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het tussenvonnis van 21 december 2011;

- de akte aanvulling rechtsgrond van de zijde van [eiser];

- het proces-verbaal van comparitie van 14 maart 2012 en de daarin genoemde stukken.

1.2.Ten slotte is vonnis bepaald. De enkelvoudige kamer heeft de zaak naar de meervoudige kamer verwezen.

2.De feiten

2.1.Op 7 juli 1995 heeft [eiser]een enkelfractuur opgelopen toen hij, in het kader van de uitoefening van zijn werkzaamheden als veearts, over een hek is gesprongen.

2.2.Op 10 juli 1995 is [eiser] in het Sophiaziekenhuis behandeld door dr. R.J.G. Ponsen (hierna: Ponsen). Deze heeft een gipsspalk aangebracht. Op 24 juli 1995 heeft hijdie vervangen door onderbeengips. Op 7 augustus 1995 heeft Ponsen [eiser] ontslagen uit de behandeling, zonder instructie. Ponsen heeft daarbij ten onrechte aan de hand van een foto vastgesteld dat de breuk genezen was. Op 9 augustus en 14 september 1995 heeft [eiser] zich gewend tot zijn huisarts. Hierop is een fysiotherapiebehandeling gevolgd die ongeveer twee maanden is voortgezet. Op 4 december 1995 is een nieuwe foto gemaakt, waaruit bleek dat het bot niet was geheeld. Voorts was sprake van pseudo-arthrose. [eiser] is vervolgens geopereerd in het ziekenhuis te Harderwijk.

2.3.Tot 1999 heeft [eiser] zijn praktijk als veearts voortgezet. Met ingang van 22 oktober 1999 is [eiser]volledig arbeidsongeschikt verklaard voor zijn werk als veearts door zijn eigen verzekeraar Movir. Deze heeft vervolgens onder de polis van de arbeidsongeschiktheidsverzekering uitkering gedaan.

2.4.[eiser] heeft bij (thans) de rechtbank Zwolle-Lelystad een procedure aanhangig gemaakt tegen Ponsen en de Stichting Isala klinieken (hierna ook: Ponsen c.s.) omdat hij van oordeel was dat Ponsen hem niet volgens de professionele standaard had behandeld, waardoor hij, [eiser], schade had geleden. Ponsen heeft erkend dat hij een fout heeft gemaakt door [eiser] te ontslaan uit de poliklinische controle zonder duidelijke instructies om bij klachten terug te komen.

2.5.Na tussenvonnissen van 18 juli 2001, 1 mei 2002, 18 september 2002. 15 oktober 2003, 24 november 2004 en 28 september 2005 heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad op 12 april 2006 eindvonnis gewezen. Daarbij heeft die rechtbank de vorderingen van [eiser] afgewezen. In het kader van deze procedure heeft die rechtbank prof. dr. A. van Kampen (hierna: Van Kampen) benoemd tot deskundige. Deze heeft ook een deskundigenbericht uitgebracht. Van Kampen heeft het concept voor zijn rapport van 6 februari 2004 niet integraal toegezonden aan [eiser]. [eiser] heeft hier bezwaar tegen gemaakt. Op 9 december 2004 heeft Van Kampen op verzoek van de rechtbank een aanvullend rapport gedeponeerd. Ook dit rapport heeft Van Kampen niet tevoren aan [eiser] toegezonden. [eiser] heeft ook hiertegen bezwaar gemaakt. Vervolgens heeft de rechtbank Van Kampen ter zitting gehoordin aanwezigheid van partijen.

2.6.Na het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 12 april 2006, waarbij zijn vorderingen zijn afgewezen, heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof Arnhem. Dit heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd bij arrest van 18 augustus 2009.

2.7.[eiser] heeft cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof. Het cassatieberoep is verworpen.

2.8.Daarnaast heeft [eiser] (ttijdens de cassatieprocedure) een tuchtklacht ingediend tegen Van Kampen bij het regionaal tuchtcollege voor de gezondheidszorg te Zwolle (hierna: het tuschtcollege).. Dit heeft op 28 januari 2010 een waarschuwing uitgesproken. Hettuchtcollege heeft - kort gezegd - geoordeeld dat

(i) Van Kampenbij het opstellen van zijn deskundigenrapport ten onrechte de bezoeken van klager (lees: [eiser]) aan de huisarts en de fysiotherapeut kort na de ingreep in augustus en september 1995 onvermeld heeft gelaten;

(ii) het op de weg van Van Kampen had gelegen om aan te geven dat hij ten onrechte niet had genoteerd dat klager in augustus en september 1995 bij de huisarts was geweest en twee maanden fysiotherapie had gehad vanwege de klachten aan zijn enkel en

(iii) hij dan tevens (voldoende gemotiveerd) aan had kunnen geven dat hij dat niet relevant vond.

Het tuchtcollege concludeert dat Van Kampen de gedachte leek te hebben dat het wel of niet voor 4 december 1995 door klager bezoeken van de huisarts wel relevant was en dat hij de suggestie wekte vooral te willen ontkennen dat klager voor die datum bij zijn huisarts is geweeest, waardoor Van Kampen een onjuiste beeldvorming heeft gecreëerd. Het tuchtcollege verbindt hieraan de verdere conclusie dat Van Kampen wat betreft de verslaglegging op dit punt niet voldoende zorgvuldig is geweest en dat de klacht in zoverre gegrond is. Met Van Kampen is het tuchtcollege van oordeel dat diens rapport overigens voldoet aan de daaraan in het kader van de tuchtrechtelijke toetsing te stellen eisen.

2.9.Na dit oordeel van het tuchtcollege heeft [eiser] Van Kampen gedagvaard voor de rechtbank Arnhem. Deze procedure is geëindigd in een minnelijke regeling waarbij de verzekeraar van Van Kampen aan [eiser] € 40.000,-- heeft voldaan.

3.Het geschil

3.1.[eiser]vordert- samengevat -een verklaring voor recht dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens hem en uit dien hoofde aansprakelijk is voor diens inkomstenderving, met veroordeling van de Staat tot betaling van de vergoeding van de schade, op te maken bij staat.

3.2.[eiser] legt hieraan, na aanvulling van rechtsgronden, ten grondslag dat de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft toegestaan dat twee deskundigen die werkzaam waren op dezelfde afdeling van hetzelfde ziekenhuis tot viermaal toe rapportages hebben uitgebracht over hetzelfde feit en omtrent dezelfde vragen, waarover die rechtank zelf ook oordeelde dat deze onbegrijpelijk, onduidelijk en incompleet waren. Voorts heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad toegestaan dat de deskundige Van Kampen tot tweemaal toe haar eigen instructies niet heeft nageleefd, terwijl de rechtbank aangaf in het tussenvonnis van 28 september 2005 dat zij een deugdelijk tot stand gekomen rapportage niet snel zou passeren. Ten aanzien van de eerste deskundige oordeelde de rechtbank wel dat deze diende te worden vervangen, omdat hij in zijn verplichtingen als deskundige jegens de rechtbank was tekortgeschoten. Ten onrechte heeft de rechtbank nagelaten ook deskundige Van Kampen te ontslaan van zijn opdracht, terwijl er zeer zeker evenveel aanleiding toe was als bij de eerste deskundige. Door na te laten de opdracht aan Van Kampen te beëindigen, heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad willens en wetens een vonnis gewezen op basis van een onzorgvuldige rapportage, welke fout niet meer kan worden hersteld. Deze grondslag heeft [eiser] aangevuld met een beroep op artikel 7:464 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De rechtbank had Van Kampen aan deze dwingendrechtelijke bepaling moeten houden. Nu zij dit alles heeft nagelaten is sprake van onrechtmatige rechtspraak, aldus nog steeds [eiser].

3.3.De Staat voert verweer.

3.4.Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.De Staat heeft zich ter afwering van de vordering allereerst beroepen op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, dat meebrengt dat een rechterlijk vonnis op geen andere wijze kan worden aangetast dan door het instellen van een door de wet opengesteld rechtsmiddel. Ook klachten die inhouden dat de rechter geen acht zou hebben geslagen op bepaalde processtukken of zijn uitspraak onvoldoende zou hebben gemotiveerd, kunnen alleen aan de orde worden gesteld door het instellen van een rechtsmiddel. De Staat acht het onverenigbaar met het gesloten stelsel van rechtsmiddelen dat de in het ongelijk gestelde partij de gelegenheid zou hebben langs de weg van een op onrechtmatige daad gebaseerde vordering tegen de Staat de juistheid van de beslissing van de rechtbank Zwolle-Lelystad tot onderwerp van een nieuw geding te maken en door de burgerlijke rechter te doen toetsen. Dit is slechts anders, aldus de Staat, indien bij de voorbereiding van de beslissing zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken en tegen die beslissing geen rechtsmiddel openstaat of heeft opengestaan.

4.2.[eiser] heeft aangevoerd dat hij zich niet gehoord heeft gevoeld door de rechtbankZwolle-Lelystaden dat die rechtbank hem zijn recht op een eerlijk proces heeft ontnomen. De rechtbank begrijpt [eiser] aldus dat de rechtbank Zwolle-Lelystad, toen bleek dat Van Kampen niet een integrale kopie van zijn deskundigenrapport aan [eiser] had toegezonden,dit door Van Kampen opgestelde deskundigenrapport ten onrechte niet buiten beschouwing heeft gelaten. Indien de deskundige [eiser] zijn volledige deskundigenrapport zou hebben toegezonden zou deze, met behulp van zijn blokkerings- en inzagerecht, overlegging van het rapport aan de rechtbank Zwolle-Lelystad hebben kunnen blokkeren, hetgeen de rechtbank Zwolle-Lelystad heeft miskend. De rechtbank begrijpt [eiser] voorts aldus dat doordat dit rapport is toegelaten in de procedure in eerste aanleg, het rapport tevens onderdeel vormde van de procedure in hoger beroep en in cassatie, zodat deze rechtsmiddelen geen soelaas meer boden.

4.3.Dienaangaande geldt dat uit de gedingstukken blijkt dat de totstandkoming en de inhoud van het deskundigenrapport van Van Kampen in de procedure voor de rechtbank te Zwolle-Lelystad door [eiser] meerdere malen ter discussie zijn gesteld. Uit de gedingstukken blijkt ook dat [eiser] in die procedure in de gelegenheid is geweest om zijn standpunten met betrekking tot en naar aanleiding van het deskundigenrapport naar voren te brengen. De Rechtbank Zwolle-Lelystad heeft deze standpunten vervolgens beoordeeld. Ook in hoger beroep is het deskundigenbericht aan de orde geweest. Het hof heeft daarbij overwogen dat Van Kampen de bezoeken aan de huisarts en de fysiotherapeut kort na 7 augustus 2005 in zijn oordeelsvorming in het aanvullend deskundigenbericht heeft betrokken. De op het deskundigenbericht betrekking hebbende grieven heeft het hof gemotiveerd verworpen.

4.4.Hetgeen hiervoor is overwogen laat geen andere slotsom toe dan dat het verweer van de Staat slaagt. Hoewel Van Kampen als deskundige in procedure voor de rechtbankZwolle-Lelystad ten onrechte zijn rapporten niet vooraf heeft toegezonden aan [eiser], kan niet worden geoordeeld dat de remedie die die rechtbank heeft toegepast, (uiteindelijk) bestaande in het horen van de deskundige ter terechtzitting in aanwezigheid van partijen, zodanig in strijd is met fundamentele rechtsbeginselen dat niet meer gesproken kan worden van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak. Daar komt bij dat [eiser] tegen dit vonnis hoger beroep heeft ingesteld. In het Nederlandse procesrecht dient het hoger beroep ook ter herstel van omissies en aanvulling van eerdere stellingen. Niet is gesteld, of gebleken dat [eiser] hiertoe niet in de gelegenheid is geweest. Niet kan worden geoordeeld dat [eiser] in de procedure in hoger beroep en in cassatie onvoldoende in de gelegenheid is gesteld zijn grieven tegen het deskundigenbericht en het vonnis en vervolgens zijn bezwaren tegen het arrest aan de orde te stellen. Dat essentiële stellingen van [eiser] door het Hof of de Hoge Raad buiten beschouwing zijn gelaten, is gesteld noch gebleken. Het enkele feit dat [eiser] in die eerdere procesgang ernstig is teleurgesteld en in het ongelijk is gesteld is onvoldoende grond om de Staat aansprakelijk te achten.

4.5.Ten overvIoede wordt hier nog aan toegevoegd dat advocaat-generaal Spier in zijn conclusie voor het arrest van de Hoge Raad opmerkt dat [eiser] heel uitvoerig heeft uiteengezet dat en waarom hij meent dat Ponsen c.s. aansprakelijk zijn voor de door hem gestelde schade. De advocaat-generaal heeft daaraan toegevoegd dat de rechtbank Zwolle-Lelystad veel aandacht aan deze zaak heeft besteed. Die rechtbank heeft deze zaak met grote nauwkeurigheid en ook met oog voor detail behandeld. Ook het Hof heeft werk van de zaak gemaakt. Het is uitvoerig ingegaan op alle grieven. Uit het arrest blijkt dat ook het Hof zich in alle details heeft verdiept, aldus nog steeds de advocaat-generaal. Deze overwegingen van de advocaat-generaal bevestigen - nogmaals gezegd, ten overvloede - het hiervoor weergegeven oordeel. Alles overziende, komt ook de rechtbank tot het oordeel dat [eiser] in de eerdere procedure zowel bij de rechtbank Zwolle-Lelystad als bij het hof het volle pond heeft gekregen.

4.6.Dat betekent dat de vordering dient te worden afgewezen. [eiser]zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Staatworden begroot op:

- griffierecht 560,00

- salaris advocaat 904,00 (2punten × tarief II € 402,00)

Totaal € 1464,00

5.De beslissing

De Rechtbank

5.1.wijst de vorderingen af,

5.2.veroordeelt [eiser]in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.464,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over deze proceskostenveroordeling met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.3.verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mrs. M.C.M. van Dijk, G.H.I.J. Hage en H.F.M. Hofhuis en in het openbaar uitgesprokenop 25 april 2012.