Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5421

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
10-05-2012
Zaaknummer
AWB 11/20293, 11/20294 en 11/20295
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geloofwaardig bevonden feiten alsnog ongeloofwaardig verklaren

Samenvatting:

In een situatie waar verweerder aanvankelijk bepaalde feiten die een vreemdeling aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd, geloofwaardig heeft gevonden en daaraan niet heeft getwijfeld, is verweerder gehouden een wijziging van dit standpunt zeer goed te motiveren. De bestreden besluiten geven onvoldoende blijk van de redenen waarom verweerder tot een ander inzicht is gekomen. Dat nadere bestudering van het dossier tot het gewijzigde standpunt heeft geleid, zoals verweerder heeft gesteld, kan mede in het licht van de daarop gegeven toelichting niet als een draagkrachtige motivering gelden, omdat verweerder op basis van dezelfde informatie een andere keuze heeft gemaakt. Niet duidelijk geworden is, op grond waarvan verweerder deze andere keuze heeft gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Assen

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

Zaaksnummer: Awb 11/20293, Awb 11/20294 en Awb 11/20295

Uitspraak van de rechtbank van 17 april 2012

inzake:

[...],

geboren 1968,

IND-dossiernummer: [...],

V-nummer: [...],

eiseres sub 1,

[...],

geboren 1988,

IND-dossiernummer: [...],

V-nummer: [...],

eiseres sub 2,

[...],

geboren 1987,

IND-dossiernummer: [...],

V-nummer: [...]

Eiser,

Allen Statenloos,

gemachtigde: mr. E.J.P. Cats, advocaat te Emmen,

tegen:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND)),

te 's-Gravenhage,

verweerder,

gemachtigde: mr. J.P. Guérain, ambtenaar bij de IND.

Procesverloop

Bij besluiten van 29 november 2010 heeft verweerder de aanvragen van eisers om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.

Het tegen deze besluiten ingestelde beroep is bij uitspraak van de voorzieningenrechter in deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 17 december 2010 gegrond verklaard. De rechtbank heeft verweerder opgedragen nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van de uitspraak.

Bij afzonderlijke besluiten van 25 mei 2011 heeft verweerder de aanvragen opnieuw afgewezen.

Bij beroepschrift van 17 juni 2011 hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank tegen deze besluiten. Op 18 juli 2011 hebben eisers gronden ingediend. Verweerder heeft op

8 februari 2012 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 februari 2012. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.De asielrelazen van eiseres 2. en eiser zijn voor een groot deel afhankelijk van het relaas van eiseres 1, hun moeder. De relazen houden kort gezegd in dat eiseres 1. stelt in 1990 met onder meer eiseres 2. en eiser uit Azerbeidzjan te zijn gevlucht naar de toenmalige Sovjet-Unie en daar ruim twintig jaar illegaal te hebben verbleven, waardoor zij tal van problemen hebben ondervonden.

2.In de bestreden besluiten en de daarin ingelaste voornemens heeft verweerder het volgende overwogen. Nadere bestudering van relevante dossierstukken alsmede nadere bestudering van het dossier van de echtgenoot van eiseres 1. hebben geleid tot nieuwe inzichten ten opzichte van de eerdere beschikking. De door eisers gestelde herkomst, identiteit en nationaliteit, en daarmee het asielrelaas, worden niet geloofwaardig geacht. Daarvoor heeft verweerder een aantal argumenten genoemd. In de eerste plaats is de door de echtgenoot van eiseres 1. gestelde Azerbeidzjaanse herkomst en nationaliteit in zijn procedure ongeloofwaardig geacht. De beschikking waarin verweerder tot die conclusie is gekomen staat in rechte vast. Het vluchtrelaas van eisers is rechtstreeks afhankelijk van dat van de echtgenoot van eiseres 1. Zowel eiseres 1. als haar echtgenoot hebben immers verklaard hun hele leven in Azerbeidzjan te hebben gewoond en daar met elkaar te zijn getrouwd. Beiden hebben verklaard dat zij gezamenlijk Azerbeidzjan wilden verlaten vanwege de oplaaiende strijd tussen Armeniërs en Azeri. In de tweede plaats spreekt eiseres 1. geen Azerbeidzjaans, terwijl zij in de tijd van de Sovjet-Unie is opgegroeid en om die reden zowel Azerbeidzjaans als Russisch zou moeten kunnen spreken. In de derde plaats wekt het bevreemding dat eiseres 1. stelt de Armeense etniciteit te hebben, terwijl zij een Azeri vader zou hebben en zij in het huidige Azerbeidzjan is opgegroeid.

Gelet hierop wordt de gestelde herkomst van eisers uit Azerbeidzjan ongeloofwaardig geacht. Derhalve kan geen geloof worden gehecht aan de door eiseres 1. afgelegde verklaringen over de problemen die zij stelt te hebben ondervonden in Azerbeidzjan. In vervolg daarop heeft verweerder evenmin waarde toegekend aan de verklaringen van eisers omtrent hun gestelde staatloosheid en de problemen die zij stellen te hebben ondervonden in Rusland. De gestelde staatloosheid en de daaruit volgende problemen zijn immers een gevolg geweest van de ongeloofwaardig bevonden herkomt uit Azerbeidzjan en het niet hebben van enig Azerbeidzjaans identiteitsdocument.

3.Eisers hebben het standpunt van verweerder gemotiveerd betwist en stellen zich op het standpunt dat verweerder heeft gehandeld in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur door in het bestreden besluit feiten en omstandigheden ongeloofwaardig te achten die eerder door verweerder wel werden geloofd.

4.In de besluiten van 29 november 2010 en de daarin ingelaste voornemens heeft verweerder overwogen dat geloofwaardig wordt geacht dat eisers destijds Azerbeidzjan hebben verlaten en zich in de huidige Russische Federatie hebben gevestigd waar zij twintig jaar hebben gewoond. Verweerder heeft evenwel geen geloof gehecht aan de verklaringen van eisers dat dit verblijf illegaal was. Verweerder is er derhalve van uitgegaan dat eisers de nationaliteit van de Russische Federatie hebben en heeft geen geloof gehecht aan de gestelde staatloosheid en heeft daarom evenmin geloof gehecht aan het asielrelaas.

5.In de uitspraak van de voorzieningenrechter in deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 17 december 2010 is – kort samengevat – overwogen dat de redenering van verweerder die heeft geleid tot de ongeloofwaardigheid van het illegale verblijf in de Russische Federatie innerlijk tegenstrijdig is. Voorts heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat verweerders argument dat eisers eenvoudig het Russisch staatsburgerschap hadden kunnen verkrijgen, de conclusie die verweerder daaraan heeft verbonden – te weten dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij niet het Russisch staatsburgerschap hebben verkregen – niet kan dragen. In nieuw te nemen besluiten diende verweerder dit gebrek in de motivering te herstellen.

6.Tussen partijen is niet in geschil, dat het in rechtsoverweging 2. weergegeven standpunt van verweerder ten aanzien van de geloofwaardigheid van de gestelde herkomst, identiteit en nationaliteit van eisers afwijkt van het eerdere standpunt van verweerder, zoals hiervoor onder 4. is weergegeven.

7.In de bestreden besluiten heeft verweerder over deze wijziging van zijn standpunt opgenomen dat nadere bestudering van de aanwezige dossierstukken van eiseres 1. en haar echtgenoot hebben geleid tot nieuwe inzichten zoals verwoord in het voornemen van 4 april 2011. Verweerder onderkent dat deze inzichten ook in een eerder stadium tot stand hadden kunnen komen indien niet zondermeer was uitgegaan van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres 1. omtrent haar gestelde herkomt uit Azerbeidzjan. Volgens verweerder kan het echter niet zo zijn dat nader onderzoek thans niet zou kunnen leiden tot andere inzichten over de geloofwaardigheid van de gestelde herkomst, ook al was de betreffende informatie toen in principe reeds voorhanden.

Ter zitting van de rechtbank heeft verweerders gemachtigde daar nog het volgende aan toegevoegd. Er kan van worden uitgegaan dat de beslisambtenaar die verantwoordelijk was voor het besluit van 29 november 2010 het dossier van de echtgenoot van eiseres 1. er bij heeft gepakt, en van de inhoud kennis heeft genomen. Er is toen voor gekozen om niet te twijfelen aan de gestelde herkomst, identiteit en nationaliteit, en de focus is gelegd op het gestelde illegale verblijf in de Russische Federatie. In dat opzicht is er geen sprake van nieuw bekend geworden feiten of veranderde omstandigheden die hebben geleid tot de wijziging van het standpunt van verweerder.

Over de vraag of het verweerder desondanks was toegestaan van standpunt te wijzigen, heeft verweerders gemachtigde ter zitting het volgende opgemerkt. Na de vernietiging van het eerdere besluit diende verweerder opnieuw op de aanvragen van eisers te beslissen. Het staat verweerder dan vrij om op een eerder ingenomen standpunt terug te komen. Nergens staat dat dat niet mag. In paragraaf C15/6 Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) is bepaald dat hangende de aanvraagfase nieuwe feiten of omstandigheden kunnen opkomen, dan wel bekende feiten of omstandigheden anders worden gewogen, waardoor alsnog tot een ander oordeel gekomen kan worden.

8.Op grond van het bestreden besluit en het daarin ingelaste voornemen en de daarop ter zitting door zijn gemachtigde gegeven toelichting, staat vast dat verweerder op grond van dezelfde informatie aanvankelijk het standpunt heeft ingenomen dat de gestelde herkomst, identiteit en nationaliteit van eisers wel geloofwaardig is, en in het bestreden besluit dat dat niet het geval is.

9.De rechtbank is van oordeel dat verweerder, in een situatie als deze, waar verweerder aanvankelijk bepaalde feiten die een vreemdeling aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd, geloofwaardig heeft gevonden en daaraan niet heeft getwijfeld, gehouden is een wijziging van dit standpunt zeer goed te motiveren. De bestreden besluiten geven onvoldoende blijk van de redenen waarom verweerder tot een ander inzicht is gekomen. Dat nadere bestudering van het dossier tot het gewijzigde standpunt heeft geleid, zoals verweerder heeft gesteld, kan mede in het licht van de daarop gegeven toelichting niet als een draagkrachtige motivering gelden, omdat verweerder op basis van dezelfde informatie een andere keuze heeft gemaakt. Niet duidelijk geworden is, op grond waarvan verweerder deze andere keuze heeft gemaakt.

10.Verweerders verwijzing naar paragraaf C15/6 Vc 2000 maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. In die paragraaf, welke een uitwerking vormt van het bepaalde in artikel 3.119 Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), wordt enkel een procedurevoorschrift gegeven voor het geval verweerder een andere afweging maakt die van aanmerkelijk belang is, terwijl verweerder voornemens blijft de aanvraag af te wijzen. Dat laat onverlet dat verweerder – zoals hiervoor is geoordeeld – gehouden is een gemaakte andere afweging zeer goed te motiveren.

11.Gelet op het voorgaande zijn de bestreden besluiten dan ook onvoldoende gemotiveerd. De beroepen zullen daarom gegrond worden verklaard. De bestreden besluiten dienen wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

12.Hetgeen eisers overigens hebben aangevoerd behoeft gezien het voorgaande geen bespreking.

13.De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (waarbij sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van dat besluit) vast op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

-verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

-draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden als rechtspersoon die deze kosten aan eisers moet voldoen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.A. Vlietstra, rechter, bijgestaan door E.R. Horstman, griffier. De griffier is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.

E.R. Horstman mr. N.A. Vlietstra

In het openbaar uitgesproken op 17 april 2012.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC te ’s-Gravenhage. De vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen, zijn opgenomen in artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 85 van de Vreemdelingenwet 2000.

afschrift verzonden op: