Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5411

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
10-05-2012
Zaaknummer
356090 - HA ZA 10-44
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Staat vordert een verklaring voor recht dat de Gemeente zakenrechtelijk eigenaar is van een deel van de riolering die met gelden van de Staat en de Gemeente is aangelegd. De Gemeente is in de onderhavige situatie de bevoegde aanlegger in de zin van artikel 5:20 lid 2 BW, dus zakenrechtelijk eigenaar. Dit zowel o.b.v. het feit dat zij opdrachtgever was als o.b.v. het feit dat zij verplicht was in het kader van de artikel 10.33 lid 1 Wet Milieubeheer de riolering aan te leggen, ook in tussenliggende percelen waarvan zij geen eigenaar is.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 5
Burgerlijk Wetboek Boek 5 20
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 10.33
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAF 2012/70 met annotatie van Van der Meijden
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/5085

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 356090 / HA ZA 10-44

Vonnis van 25 april 2012

in de zaak van

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Directoraat-Generaal Rijkswaterstaat, Directie Noord-Holland),

zetelend te Den Haag,

eiser,

advocaat mr. A.J. van Poortvliet te Den Haag,

tegen

het publiekrechtelijk lichaam

DE GEMEENTE VELSEN,

gevestigd te IJmuiden,

gedaagde,

advocaat mr. M.E. Biezenaar te Haarlem.

Partijen zullen hierna de Staat en de Gemeente genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 23 december 2009, met producties;

- de conclusie van antwoord van 3 maart 2010, met producties;

- het tussenvonnis van 17 maart 2010, waarin een comparitie van partijen is gelast;

- de beschikking van 16 september 2010 waarin de zaak is verwezen naar de parkeerrol;

- de beschikking van 19 april 2011 waarin de zaak pro forma is aangehouden;

- de conclusie van repliek, tevens houdende eiswijziging/eisvermeerdering van 22 juni 2011, met producties;

- de conclusie van dupliek van 3 augustus 2011, met producties;

- het proces-verbaal van het pleidooi van 3 februari 2012 en de ter gelegenheid daarvan overgelegde pleitnota's;

- de brief van de zijde van de Staat van 15 februari 2012, met een aanvulling op het proces-verbaal;

- de brief van de zijde van de Gemeente van 17 februari 2012, met een aanvulling op het proces-verbaal.

1.2.Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.Binnen de grenzen van de Gemeente ligt een zijkanaal van het Noordzeekanaal, het Zijkanaal B. De Staat is eigenaar en beheerder van het Zijkanaal B en (delen van) de oever langs Zijkanaal B. Sinds lange tijd hebben aan de beide oevers van het Zijkanaal B woonboten een ligplaats ingenomen. Deze situatie is gelegaliseerd door een herziening van het "Bestemmingsplan Recreatiegebied Spaarnwoude 1e herziening" door de Gemeente op 22 juni 2000. Het bestemmingsplan voorziet erin dat de definitieve inrichting van het Zijkanaal B in een inrichtingsplan zal worden vastgelegd.

2.2.De bebouwing en de woonboten op en langs de oever van Zijkanaal B waren in 2000 niet aangesloten op een rioleringsstelsel.

2.3.De Burgemeester en Wethouders van de Gemeente (hierna: B&W) hebben bij brief van 10 juni 2004 de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland (hierna: GS) verzocht om een ontheffing te verlenen van de in artikel 10.33 lid 1 Wet milieubeheer (hierna: Wm) opgenomen rioleringsverplichting. Bij besluit van 22 november 2004 hebben GS voor de duur van vijf jaar ontheffing verleend met betrekking tot de rioleringsverplichting van - onder meer - Zijkanaal B.

2.4.Door het Bestuurlijk Overleg Zijkanaal B (bestaande uit de Staat, de provincie Noord-Holland en de Gemeente) is op 2 februari 2006 het beleidsplan "Van A naar Zijkanaal Beter, Ligplaatsenplan, Inrichtingsplan, Beheer" (hierna: het Beleidsplan) vastgesteld. In het Beleidsplan is - onder meer - opgenomen:

"6 Nutsvoorzieningen

(...)

6.3 Beëindiging ongezuiverde lozingen

Het Lozingenbesluit Wvo huishoudelijk afvalwater gaat er van uit dat per 1 januari 2005 lozingen van huishoudelijk afvalwater (ook vanaf woonschepen) ofwel zijn aangesloten op de riolering, ofwel gezuiverd worden door middel van een "septic tank" van 6 m3.

Op grond van artikel 10.33 Wet milieubeheer draagt elke gemeente zorg voor de doelmatige inzameling en het doelmatig transport van afvalwater dat vrijkomt bij de binnen haar grondgebied gelegen percelen.

De wetgever is er destijds van uitgegaan dat per 1 januari 2005 de aanleg van de openbare riolering zou zijn afgerond (behoudens een knelpunt in het buitengebied). Dit bleek echter niet het geval te zijn en daarnaast zijn een aantal inzichten met betrekking tot de eisen die men stelt aan het milieu gewijzigd. De wetgever heeft er daarom voor gekozen om het Lozingenbesluit te vervangen door een nieuw besluit; het Besluit lozing afvalwater huishoudens.

Uitgangspunt van deze nieuwe regeling is echter nog steeds het niet lozen van afvalwater in het oppervlaktewater en aan te sluiten op een dichtstbijzijnde openbaar vuilwaterriool. Slechts wanneer geen aansluiting mogelijk is op een openbaar vuilwaterriool (op een afstand van 40 meter), zijn de betrokken huishoudens zelf verantwoordelijk voor een adequate verwijdering van het huishoudelijke afvalwater. (...)

Zoals hiervoor vermeld is de gemeente de eerst aangewezene voor het doelmatig transport van afvalwater dat vrijkomt bij de binnen haar grondgebied gelegen percelen.

De Wet milieu beheer geeft de gemeente echter de mogelijkheid ontheffing te vragen van deze verplichting (bij de provincie). De gemeente Velsen heeft dit in 2004 gedaan en de Provincie heeft voor een tijdsduur van 5 jaar deze ontheffing verleend.

Deze ontheffing is dus van tijdelijke aard en sluit de primaire verantwoordelijkheid van de gemeente niet uit voor de zorg voor de doelmatige inzameling etc.

De gemeente Velsen heeft in het bestemmingsplan ook blijk gegeven van deze verantwoordelijkheid en aangegeven dat de riolering door de gemeente zal worden aangelegd.

De gemeente heeft zich vervolgens de vraag gesteld of de gemeente de primair verantwoordelijke is voor de aanleg van de riolering, omdat in de visie van de gemeente de aanleg en het beheer en onderhoud van de riolering onlosmakelijk verbonden is aan het eigendom en beheer van de openbare ruimte.

Hoewel de discussie over de interpretatie van artikel 10.33 Wet milieubeheer nog niet geheel is uitgekristalliseerd, is het kader (de rechtbank leest: in het kader) van dit project altijd uitgegaan van de aanleg van de riolering. Daarover bestaat tussen de betrokken overheden ook geen verschil.

(...)"

2.5.Bij brief van 5 april 2006 heeft de Gemeente De Bie Wegenbouw BV (hierna: De Bie) - onder meer - het volgende bericht:

"Onderwerp: opdracht aanleg riolering Zijkanaal B

(...)

Op verzoek van het Bestuurlijk Overleg Zijkanaal B heeft u op vrijdag 17 maart 2006 een prijsaanbieding gedaan voor het werk 'Aansluiting woonboten op de gemeentelijke riolering'. Gelijktijdig heeft u een prijsaanbieding gedaan bij NV PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland ten behoeve van de aanleg van waterleiding langs het Zijkanaal B.

Door ons (namens het Bestuurlijk Overleg Zijkanaal B) en PWN zijn de prijsaanbiedingen beoordeeld.

Hierbij is gebleken dat u de meest economische aanbieding hebt gedaan voor de uitvoering van beide werken.

Wij geven u derhalve opdracht voor de uitvoering van het rioleringswerk, zoals beschreven in het programma van eisen, (...), ten bedrage van € 341.000,- (...), exclusief BTW.

(...)"

2.6.Door De Bie is de riolering ten behoeve van de woonboten aangelegd (hierna: de riolering). Deze riolering bestaat uit de afvoerleiding van de woonboot, de koppelputten waarmee die afvoerleidingen zijn aangesloten op de binnenringleiding, de verbindingen tussen de binnenringleiding en de buitenringleidingen. De buitenringleidingen van de westelijke en de oostelijke oever van Zijkanaal B komen bij elkaar in één leiding, welke leiding vanaf de Dammersweg/Linie in grond van de Gemeente ligt.

2.7.Op 10 april 2007 hebben de Staat, de provincie Noord-Holland en de Gemeente de "Overeenkomst betreffende de samenwerking tussen de Staat der Nederlanden, de provincie Noord-Holland en de Gemeente tot uitvoering van het ligplaatsen- en inrichtingsplan Zijkanaal B in de Gemeente" (hierna: de Samenwerkingsovereenkomst) gesloten. In de Samenwerkingsovereenkomst is - onder meer - opgenomen:

"Artikel 1 Definities

(...)

8. Plan: het beleidsplan "Van A naar Zijkanaal Beter, Ligplaatsenplan, Inrichtingsplan, Beheer" van 2 februari 2006 waarin onder verantwoordelijkheid van de Staat, de provincie Noord-Holland en de gemeente Velsen het Project is uitgewerkt.

9. Project: de herinrichting en sanering van het Zijkanaal B als woonschepenlocatie, alsmede het beheer en het onderhoud daarvan. Het Project draagt de naam: "Van A naar Zijkanaal Beter".

(...)

12. Riolering: de aanleg van riolering ten behoeve van de bewoners van Zijkanaal B. De aanleg omvat zowel de buiten- als de binnenringleiding, de 7/8 pompputten inclusief pompen in de buitenringleiding alsmede de koppelputten in de binnenringleiding per perceel.

(...)

Artikel 5 Financiën

(...)

2. ten behoeve van de Riolering zullen de Gemeente en de Staat additioneel de volgende financiële bijdragen leveren:

- de Gemeente € 170.500,-

- de Staat € 170.500,-

(...)

Artikel 6 Financiering van de Riolering

(...)

2. Het in artikel 5.3 vermelde budget omvat de kosten van de Riolering. Deze kosten bedragen netto € 341.000,-. De Staat en de Gemeente dragen 50 / 50 bij aan de kosten van de aanleg van de Riolering. Deze bedragen zijn verschuldigd na ondertekening van de hiertoe opgestelde Rioleringsovereenkomst.

(...)"

2.8.Op 10 april 2007 hebben de Staat en de Gemeente tevens de "Overeenkomst betreffende het door de Staat ter beschikking stellen van financiële middelen aan de Gemeente ten behoeve van de aanleg van de riolering van de bewoners aan het Zijkanaal B" (hierna: de Rioleringsovereenkomst) gesloten. In deze overeenkomst is, naast definities die deels gelijk zijn aan de definities opgenomen in de Samenwerkingsovereenkomst, onder meer opgenomen:

"Artikel 2. Algemene beschrijving en plaatsbepaling

2.1 Het Plan is in het Bestuurlijk Overleg van 2 februari 2006 definitief vastgesteld.

Het Plan omvat de Riolering.

2.2 in het Bestuurlijk Overleg van 18 mei 2006 is zowel door de gemeente als door de

Staat toegezegd een bijdrage te leveren in de kosten die gemoeid zijn met de uitvoering van de aanleg van de Riolering.

Artikel 3. Eigendom, beheer en onderhoud

3.1. De eigendom, alsmede het beheer en onderhoud van de binnenriolering alsmede de koppelputten per perceel berust bij de Staat.

3.2. Partijen besluiten binnen 6 maanden na ondertekening van deze overeenkomst bij wie van partijen de eigendom berust, alsmede het beheer en onderhoud van de buitenriolering en de bijbehorende 7/8 pompputten inclusief pompen.

Artikel 4. Kosten en betaling aanleg van de Riolering

4.1 Het Budget omvat de kosten van de Riolering. De uitvoering van de Riolering is door de gemeente namens de Stuurgroep Zijkanaal B aanbesteed voor een bedrag van € 341.000,-.

4.2 De kosten, verband houdende met de realisering van de in artikel 22 bedoelde werken worden door de gemeente betaald aan de aannemer.

4.3 De Staat verleent aan de Gemeente voor de uitvoering van de in artikel 2.2 bedoelde werkzaamheden een éénmalige vaste bijdrage van € 170.500,-- netto.

(...)

Artikel 5. Kosten beheer en onderhoud van de Riolering

5.1. De kosten, verband houdende met het beheer en onderhoud van de binnenleiding van de riolering zijn voor rekening van de Staat.

5.2. De kosten, verband houdende met het beheer en onderhoud van de buitenleiding van de riolering komt voor rekening van de partij, bij wie de eigendom berust, als overeengekomen op grond van artikel 3.2.

(...)"

2.9.Bij besluit van 24 november 2008 heeft GS de ontheffing van de wettelijke rioleringsverplichting ingetrokken voor - onder meer - Zijkanaal B.

In het besluit is - onder meer - opgenomen:

"4. Zijkanaal B. Dit is openbaar terrein waar woonschepen liggen, en er staat één huis. De gemeente is geen grondeigenaar. Huishoudelijk afvalwater dat vrijkomt op de percelen (...) moet door de eigenaren tot aan de perceelsgrenzen worden afgevoerd, de gemeente is verantwoordelijk voor het afvoeren vanaf de perceelsgrenzen naar de RWZI. Het valt in het buitengebied van de Gemeente. Wij kunnen ontheffing verlenen van de zorgplicht riolering als voldaan wordt aan de criteria, genoemd in het provinciale beleidsstuk 'Afvalwaterlozingen in het buitengebied (2002)'. Het Zijkanaal B is niet-kwetsbaar oppervlaktewater. Hiervoor geldt dat ontheffing van de zorgplicht riolering kan worden verleend als de aanlegkosten van riolering het omslagbedrag van € 6805,= overschrijdt. In het bij de aanvraag om ontheffing geleverde saneringsplan zijn de lozingen van Zijkanaal B niet meegenomen.

Er zijn aan ons geen gegevens aangeleverd waaruit blijkt dat het omslagbedrag wordt overschreden. De ontheffing is dus onterecht verleend. (...)"

2.10.Tegen het besluit van 24 november 2008 hebben B&W geen bezwaar gemaakt.

2.11.Door de Staat is het rapport "Van A naar Zijkanaal Beter Afsluitingsdocument, Ligplaatsenplan, Inrichtingsplan, Beheer" (hierna: het Afsluitingsdocument) van 8 mei 2009 opgesteld. Hierin is - onder meer - opgenomen:

"5.OPENBARE VOORZIENINGEN

(...)

5.3Riolering en rioolputten

De opdracht voor het aanleggen van de riolering rondom Zijkanaal B is een gezamenlijke opdracht van de Gemeente en Rijkswaterstaat.

(...)

6.BEHEER

(...)

6.4 Beheer en onderhoud van riolering

(...)

Er is een verschil van inzicht ontstaan tussen de Gemeente en Rijkswaterstaat over de vraag wie verantwoordelijk is voor het beheer en het onderhoud van de verzamelputten en de buitenleiding. Dit verschil van inzicht is onoverbrugbaar en de vraag bij wie de plicht voor het onderhoud en het beheer ligt zal daarom ook worden voorgelegd aan de Rechtbank in Den Haag.

(...)"

3.Het geschil

3.1.De Staat vordert - na wijziging/vermeerdering van eis - dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. voor recht verklaart dat de Gemeente eigenaar, beheerder en onderhoudsplichtige is van de riolering vanaf het aansluitpunt op de kruising Dammersboog/Tureluur te Velsen, inclusief de buitenleiding, de bijbehorende pompputleiding en de pompputten inclusief pompen, tot aan de binnenleiding in de oevers van Zijkanaal B te Velsen;

II. de Gemeente gelast om de aanleg van de riolering vanaf het aansluitpunt op de kruising Dammersboog/Tureluur te Velsen, inclusief de buitenleiding, de bijbehorende pompputleiding en de pompputten inclusief pompen, tot aan de binnenleiding in de oevers van Zijkanaal B te Velsen in de openbare registers in te schrijven;

III. de Gemeente veroordeelt in de kosten van deze procedure, zulks met bepaling dat daarover de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van het te dezen te wijzen vonnis.

3.2.Ter onderbouwing van de vordering genoemd onder 3.1. I. stelt de Staat primair dat de Gemeente op grond van artikel 5:20 lid 2 BW zakenrechtelijk eigenaar is van de riolering. Daartoe stelt de Staat dat de Gemeente De Bie opdracht heeft gegeven tot de aanleg van de riolering, waarmee de Gemeente als de "bevoegde aanlegger" in de zin van artikel 5:20 lid 2 BW heeft te gelden. Bovendien was de Gemeente op grond van artikel 10.33 lid 1 Wm gehouden de riolering naar de woonboten aan te leggen, zodat zij ook in die zin als bevoegde aanlegger moet worden aangemerkt.

Indien niet zou kunnen worden vastgesteld dat de Gemeente bevoegde aanlegger is, stelt de Staat subsidiair dat de Gemeente op grond van artikel 5:20 lid 1 onder e BW jo artikel 3:4 BW zakenrechtelijk eigenaar is van de riolering als gevolg van zogenaamde "horizontale natrekking". De riolering vormt een feitelijke en functionele eenheid met de gemeentelijke riolering zodat de riolering als bestanddeel is aan te merken van de gemeentelijke riolering, aldus de Staat.

3.3.Aan de vordering genoemd onder 3.1. II. legt de Staat ten grondslag dat hij belang heeft bij inschrijving zodat voor eenieder duidelijk is dat de Gemeente eigenaar is van de riolering. Voorts is de rechtszekerheid gediend met de inschrijving en wordt het gevaar van ongewenste derdenbescherming door deze inschrijving afgewend.

3.4.De Gemeente voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

De vordering genoemd onder 3.1. I.

4.1.De rechtbank stelt - met partijen - voorop dat de vraag wie (zakenrechtelijk) eigenaar is van de riolering, beantwoord moet worden aan de hand van artikel 5:20 lid 1 aanhef en onder e BW dan wel artikel 5:20 lid 2 BW. In lid 1 aanhef en onder e van dit artikel is de hoofdregel geformuleerd dat de eigenaar van een perceel door verticale natrekking de eigendom heeft/verkrijgt van gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, tenzij een gebouw of werk een bestanddeel vormt van de onroerende zaak van een ander (in dat geval vindt horizontale natrekking plaats). Het tweede lid van artikel 5:20 BW is op 1 februari 2007 in werking getreden en formuleert met betrekking tot de eigendom van netten een tweede uitzondering op de hoofdregel, te weten dat de bevoegde aanlegger van een net eigenaar is van dit net. Een riolering valt onder de definitie van net als bedoeld in dit artikellid. Zoals partijen terecht hebben onderkend, is dit artikellid op grond van artikel 155 van de Overgangsweg Nieuw BW mede van toepassing op een net dat vóór 1 februari 2007 is aangelegd. Aangezien artikel 5:20 lid 2 BW een specifieke regeling voor de eigendom van netten inhoudt, zal de rechtbank de primaire grondslag van de Staat als eerste beoordelen.

4.2.Partijen twisten over de vraag wie in de onderhavige zaak als bevoegde aanlegger in de zin van artikel 5:20 lid 2 BW moet worden aangemerkt, de Gemeente of de Staat. De Staat heeft voor deze beoordeling verwezen naar de parlementaire geschiedenis waarin is opgenomen dat de bevoegde aanlegger meestal de opdrachtgever zal zijn van de feitelijke fysieke aanlegger (TK, 2005-2006, 29834, nr. 9, Tweede nota van wijziging, pagina 7). In het onderhavige geval dus: de opdrachtgever van De Bie. Uit de brief van de Gemeente aan De Bie (zie onder 2.5) volgt dat de Gemeente opdrachtgever is met betrekking tot de riolering, aldus de Staat. Daarnaast stelt de Staat dat voor de Gemeente in de onderhavige situatie een rioleringsplicht gold op basis van artikel 10.33 lid 1 Wm, zodat de Gemeente ook op die grondslag als bevoegde aanlegger heeft te gelden.

4.3.De Gemeente betwist dat zij de enige opdrachtgever is van De Bie en bestrijdt dat zij op grond van de opdracht aan De Bie als bevoegde aanlegger kan worden aangewezen. De Gemeente betoogt daartoe dat zij met de Staat heeft afgesproken dat zij de riolering (gezamenlijk) zouden laten aanleggen. Dat deze afspraak is gemaakt, wordt volgens de Gemeente bevestigd door de navolgende feiten en omstandigheden. Uit de tekst van de brief aan De Bie (zie onder 2.5.) volgt dat de opdracht tot - onder meer - het aanleggen van de riolering is gegeven namens het Bestuurlijk Overleg Zijkanaal B. In artikel 4.1 van de Rioleringsovereenkomst is dit bevestigd en in artikel 3.2 is opgenomen dat de Gemeente en de Staat binnen zes maanden beslissen wie als eigenaar van de riolering te gelden heeft (vergelijk onder 2.8.). Voorts is in artikel 5.3 van het Afsluitingsdocument opgenomen dat de opdracht geacht moet worden door de Gemeente en de Staat te zijn verstrekt en in artikel 6.4 is aangekondigd dat het dispuut over het eigenaarschap aan de rechtbank 's-Gravenhage zal worden voorgelegd (vergelijk onder 2.11.). De Gemeente en de Staat hebben ten slotte ieder de helft van de kosten voor de aanleg van de riolering op zich genomen, aldus nog steeds de Gemeente.

4.4.De rechtbank constateert dat de Gemeente met de brief van 5 april 2006 (zie onder 2.5.) aan De Bie de opdracht heeft verstrekt. De Staat betoogt terecht dat het Bestuurlijk Overleg Zijkanaal B - waaraan in de brief wordt gerefereerd - een overlegorgaan is en geen juridische entiteit is die privaatrechtelijke verplichtingen kan aangaan. Daarmee is - voor wat betreft het opdrachtgeverschap van de Gemeente - aan het in de parlementaire geschiedenis gegeven aanknopingspunt voldaan. Het opdrachtgeverschap is echter (slechts) een aanknopingspunt zodat de feitelijke vaststelling dat de Gemeente de opdrachtgever van De Bie is geweest niet zonder meer tot de conclusie hoeft te leiden dat zij tevens de bevoegde aanlegger is in de zin van artikel 5:20 lid 2 BW. De rechtbank begrijpt in dat kader dat de Gemeente bedoelt te betogen dat zowel de Staat als zijzelf als bevoegde aanlegger zouden kunnen gelden, nu uit de vorengenoemde feiten en omstandigheden volgt dat de Staat en de Gemeente zijn overeengekomen dat de opdracht door hen gezamenlijk is verstrekt. In dat geval biedt artikel 5:20 lid 2 BW geen uitkomst over de vraag wie eigenaar is, aldus de Gemeente.

4.5.Naar het oordeel van de rechtbank is de Gemeente - ook in het licht van de overige omstandigheden van het geval - de bevoegde aanlegger in de zin van artikel 5:20 lid 2 BW. Daarbij acht de rechtbank van doorslaggevend belang dat het dispuut tussen de Staat en de Gemeente over de eigendom van de riolering waarnaar wordt verwezen in artikel 6.4. van het Afsluitingsdocument (vergelijk onder 2.11.), gezien het Beleidsplan onder paragraaf 6.3 (zie onder 2.4.), voortkomt uit de vraag of de Gemeente op basis van artikel 10.33 lid 1 Wm kan worden verplicht tot het aanleggen en onderhouden van een riolering in grond die eigendom is van derden. De rechtbank beantwoordt deze vraag in het onderhavige geval bevestigend. Artikel 10.33 lid 1 Wm legt aan de Gemeente de verplichting op het afvalwater van de binnen haar grondgebied gelegen percelen in te zamelen en te transporteren. Zijkanaal B valt binnen het grondgebied van de Gemeente en onder percelen worden ook woonboten verstaan. Deze verplichting brengt met zich mee dat de Gemeente ook verplicht is te rioleren in "tussenliggende percelen" (binnen de gemeentegrenzen) die zij niet in eigendom heeft indien dat noodzakelijk is om de aan te sluiten percelen te bereiken. Zoals de Staat terecht stelt, wordt de Gemeente slechts van deze verplichting ontslagen door een ontheffing van GS (vergelijk TK, vergaderjaar 1991-1992, 21246, nr. 9, pag. 32 en nr. 10, pag. 52). Tussen partijen staat vast dat GS de in eerste instantie verleende ontheffing bij besluit van 24 november 2008 heeft ingetrokken, nadat haar duidelijk was geworden dat de ontheffing ten onrechte was verleend, omdat GS in de veronderstelling verkeerde dat de aansluitkosten per perceel boven de grens van het omslagbedrag van € 6.805,- lagen (een grond voor ontheffing), hetgeen niet het geval bleek (zie onder 2.9). Tegen dit besluit heeft de Gemeente geen bezwaar ingediend (vergelijk onder 2.10.). De Gemeente heeft ter comparitie ook bevestigd dat een ontheffing op basis van het feit dat de riolering aangelegd diende te worden in grond die niet in eigendom aan de Gemeente toebehoorde, niet mogelijk was. Een en ander betekent dat de Staat er in het onderhavige geval ook voor had kunnen kiezen een afwachtende houding aan te nemen totdat de Gemeente op basis van haar rioleringsplicht de riolering zou hebben aangelegd. Dat hij de impasse heeft doorbroken door mee te betalen aan de aanleg kan hem niet worden tegengeworpen in die zin dat de Staat daardoor tezamen met de Gemeente gekwalificeerd zou moeten worden als bevoegde aanlegger op grond van artikel 5:20 lid 2 BW. De Gemeente dient als zodanig te worden aangemerkt op basis van haar publiekrechtelijke bevoegdheid (in dit geval tevens: verplichting) in de zin van artikel 10.33 lid 1 Wm, welke bevoegdheid privaatrechtelijk is uitgewerkt door de opdracht aan De Bie met instemming van alle perceeleigenaren.

4.6.Ten overvloede merkt de rechtbank op dat, ook in het geval artikel 5:20 lid 2 BW geen uitkomst zou geven over de eigendomsvraag, de Gemeente als eigenaar heeft te gelden door horizontale natrekking op grond van artikel 5:20 lid 1 aanhef en onder e BW jo 3:4 BW, omdat de riolering als bestanddeel van de gemeentelijke riolering moet worden aangemerkt. Daarbij is, kernachtig weergegeven, onder meer van belang dat er geen duidelijk deelnet te onderscheiden valt omdat niet alle grond waarin het litigieuze rioleringsnetwerk is gelegen eigendom is van de Staat. De rechtbank verwerpt in dat kader het standpunt van de Gemeente dat de Staat en Staatsbosbeheer met elkaar kunnen worden vereenzelvigd. De Staat stelt terecht dat Staatsbosbeheer sinds de Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer rechtspersoonlijkheid bezit. Voorts is het gebied waardoor de riolering loopt niet duidelijk afgebakend, zoals dit bijvoorbeeld bij een bungalowpark het geval zou zijn. Het feit dat de Gemeente geen beheerder van het gebied is, zoals zij betoogt, doet hieraan niet af.

4.7.Het voorgaande betekent dat de vordering genoemd onder 3.1. I. voor toewijzing gereed ligt.

4.8.De rechtbank zal de vordering genoemd onder 3.1. II. eveneens toewijzen. Door inschrijving in de openbare registers op grond van artikel 3:17 lid 1 sub k BW is voor iedereen kenbaar bij wie de eigendom van de riolering is gelegen. De Staat stelt terecht dat hij belang heeft bij een dergelijke inschrijving.

4.9.De Gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen.

5.De beslissing

De rechtbank

5.1.verklaart voor recht dat de Gemeente eigenaar, beheerder en onderhoudsplichtige is van de riolering vanaf het aansluitpunt op de kruising Dammersboog/Tureluur te Velsen, inclusief de buitenleiding, de bijbehorende pompputleiding en de pompputten inclusief pompen, tot aan de binnenleiding in de oevers van Zijkanaal B te Velsen;

5.2.gelast de Gemeente om de aanleg van de riolering vanaf het aansluitpunt op de kruising Dammersboog/Tureluur te Velsen, inclusief de buitenleiding, de bijbehorende pompputleiding en de pompputten inclusief pompen, tot aan de binnenleiding in de oevers van Zijkanaal B te Velsen in de openbare registers in te schrijven;

5.3.veroordeelt de Gemeente in de proceskosten, aan de zijde van de Staat tot op heden begroot op € 1.808,- aan salaris van de advocaat en € 347,98 aan verschotten, één en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en - voor het geval voldoening van de kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag der algehele voldoening;

5.4.verklaart de veroordelingen onder 5.2. en 5.3. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. Schreuder en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2012 in tegenwoordigheid van de griffier.