Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5400

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
10-05-2012
Zaaknummer
400354 - HA ZA 11-2210
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroepsfout rechtshulpverlener bij opdracht in verband met een beroep op de zogenaamde Tijdelijke Regeling Witte Illegalen. Betekenis arrest HR 13 april 2007, NJ 2008/576 en Schutznormvereiste in het kader van de toerekening ex art. 6:98 BW. Eigen schuld (schadebeperkingsplicht). Afwijzing vordering tot vergoeding van immateriële schade (6:106 BW).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/260

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 400354 / HA ZA 11-2210

Vonnis van 25 april 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. M.J. Mons te 's-Gravenhage,

tegen

de stichting

STICHTING ADVOCATENKANTOOR TORENSTRAAT,

gevestigd te den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. J. Mencke te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Stichting genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 29 juli 2011;

- de conclusie van antwoord, met producties;

- het tussenvonnis van 23 november 2011;

- het proces-verbaal van comparitie van 12 maart 2012.

1.2.Ten slotte is datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.[eiser] is in 1963 geboren in Marokko. Tussen 1991 en 1999 is hij in Nederland, met tussenpozen, werkzaam geweest in de tuinbouw.

2.2. Op 27 september 1999 heeft [eiser] zich gewend tot het Buro voor Rechtshulp te Den Haag (de rechtsvoorganger van de Stichting) voor rechtsbijstand bij het aanvragen van een verblijfsvergunning. [eiser] wenste gebruik te maken van de Tijdelijke Regeling Witte Illegalen (kenmerk TBV 1999/23), gepubliceerd in de Staatscourant 1999, nr. 188 ("TWIR"). Deze aanvraag moest worden ingediend in de periode van 1 oktober 1999 tot 1 december 1999.

2.3. Namens [eiser] is door de Stichting niet vóór 1 december 1999 een aanvraag ingediend ter verkrijging van een vergunning tot verblijf ingevolge de TWIR. Een later alsnog namens [eiser] ingediende aanvraag is, wegens overschrijding van de voor indiening gestelde termijn, niet in behandeling genomen.

2.4. Bij vonnis van 4 juni 2003 (rolnummer 02.1272) heeft deze rechtbank op vordering van [eiser] voor recht verklaard dat de (rechtsvoorganger van de) Stichting op toerekenbare wijze tekort is geschoten bij de uitvoering van de overeenkomst tussen [eiser] en de Stichting, en voorts dat de Stichting op die grond jegens [eiser] schadeplichtig is. Het hof te Den Haag heeft in hoger beroep (voor zover relevant) dit oordeel van de rechtbank bekrachtigd. Kort gezegd ligt aan de beslissing van het hof ten grondslag dat de Stichting aan [eiser] in 1999 niet het advies had mogen geven dat een aanvraag voor de verkrijging van een verblijfsvergunning op grond van de TWIR weinig zin had. Verder had de Stichting zich er van moeten vergewissen dat [eiser] er mee instemde dat voor hem geen aanvraag zou worden ingediend. Voorts had de Stichting niet mogen volstaan [eiser] er alleen schriftelijk op te wijzen dat hij zelf een aanvraag zou kunnen indienen. En tot slot schoot de Stichting te kort doordat zij nieuwe stukken die [eiser] had bezorgd niet in haar advies had betrokken en daarover nadere afstemming met [eiser] achterwege had gelaten. Het hof heeft in zijn arrest overwogen dat tussen de tekortkomingen van de Stichting en de schade causaal verband bestond, nu het hof de kans dat aan [eiser] een vergunning zou zijn verleend op zijn minst reëel achtte. Het hof overwoog daarbij:

In de schadestaat-procedure kan de grootte van de kans, op basis van een schatting van de goede en kwade kansen, eventueel nader aan de orde komen.

Het arrest van het hof is in kracht van gewijsde gegaan.

2.5. [eiser] is na 1999 tot nu in Nederland blijven wonen. [eiser] heeft sedert 1999 geen betaalde arbeid verricht.

2.6. [eiser] is in januari 2011 in Nederland getrouwd. Eiser heeft een dochter, geboren op [geboortedatum] 2011.

3.Het geschil

3.1.[eiser] vordert de Stichting, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van een naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen bedrag ter vergoeding van de door eiser als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van de Stichting geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade.

[eiser] voert, samengevat, het navolgende ter onderbouwing aan. Hij heeft een bedrag van € 897,41 in de afgelopen jaren moeten uitgeven aan eigen bijdragen voor rechtsbijstand en wegens griffierechten.

Verder heeft [eiser] inkomensschade sinds, en als gevolg van, het mislopen van de verblijfsvergunning. Deze schade, zo stelt [eiser], is moeilijk te begroten, omdat verschillende aannames daarbij een rol spelen.

Tot slot stelt [eiser] immateriële schade te lijden door de ontneming van perspectieven en op grond van ondervonden leed in de vorm van vrijheidsbeneming.

3.2.De Stichting voert verweer en samengevat luidt dat als volgt.

De Stichting beroept zich erop dat [eiser] niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. Naar de mening van de Stichting was de kans op succes, als in 1999 wel tijdig een aanvraag voor een verblijfsvergunning zijn ingediend, nihil geweest omdat [eiser] toen niet in staat was zijn ononderbroken verblijf in Nederland in de periode 1996-1999 voldoende aannemelijk te maken.

Ten aanzien van de gevorderde inkomensschade - zo daarvan sprake is - voert de Stichting aan dat deze niet het rechtstreeks gevolg is van het handelen van de Stichting, waarbij de Stichting zich mede beroept op het arrest HR 13 april 2007, NJ 2008/576, en op het relativiteitsvereiste dat in het kader van de juridische causaliteit, artikel 6:98 BW, behoort te worden meegewogen.

Dat er ingevolge artikel 6:106 BW in dit geval aanspraak zou bestaan op vergoeding van immateriële schade, weerspreekt de Stichting: [eiser] heeft niet naar voren gebracht welke bijzondere omstandigheden een toekenning van smartengeld zouden rechtvaardigen.

Ten aanzien van de gemaakte kosten ad € 897,41 meent de Stichting dat evenmin aan de stelplicht is voldaan door [eiser].

4.De beoordeling

4.1.De aansprakelijkheid van de Stichting jegens [eiser] staat vast. In deze procedure gaat het om de vraag of als gevolg van de toerekenbare tekortkoming schade is ontstaan en in hoeverre ontstane schade door de Stichting vergoed dient te worden.

Voor de beantwoording van de vraag of ten gevolge van de tekortkoming schade is ontstaan zal de lijn, uitgezet door de Hoge Raad in zijn arrest HR 24 oktober 1997, NJ 1998/257 (Baijings/advocaat), gevolgd moeten worden. In de onderhavige aansprakelijkheidsprocedure zal derhalve beoordeeld moeten worden of een tijdig ingediende aanvraag ingevolge de TWIR succesvol zou zijn geweest. Bedacht moet wel worden dat het in deze zaak, anders dan in het geschil waarover de Hoge Raad in zijn zojuist genoemde arrest oordeelde, gaat om een beoordeling van de kans op succes dat de (toenmalige) Staatssecretaris van Justitie gebruik zou hebben gemaakt van de hem op grond van de TWIR toekomende discretionaire bevoegdheid. Dat betekent dat de rechtbank, ook als alle voor de aanvraag relevante informatie in dit geding voorhanden is, niet anders doen kan dan een schatting maken van de kans dat de Staatssecretaris van die bevoegdheid gebruik zou hebben gemaakt.

4.2. Nu de standpunten van partijen over die kans op succes diametraal tegenover elkaar staan is het noodzakelijk dat de rechtbank kennis neemt van alle relevante aspecten van de aanvraag, zoals deze vóór 1 december 1999 had moeten worden ingediend door de Stichting. Daarbij is met name van belang de informatie over het voor inwilliging van de aanvraag noodzakelijke ononderbroken verblijf van [eiser] in Nederland vanaf 1 januari 1992. De Stichting heeft immers het standpunt ingenomen dat juist ontbrekende bewijsstukken over dat ononderbroken verblijf in de weg zouden hebben gestaan aan honorering van de aanvraag van [eiser]. [eiser] heeft echter bij dagvaarding verzuimd de noodzakelijke informatie te verstrekken.

4.3. De rechtbank zal [eiser] in de gelegenheid stellen bij akte alle relevante informatie voor de beoordeling van de TWIR-aanvraag per 1 december 1999, met name relevante informatie met betrekking tot het vereiste ononderbroken verblijf in Nederland, alsnog in het geding te brengen. Daarbij zal [eiser] ook naar voren dienen te brengen op welke gronden hij meent dat hij, na een mogelijke aanvankelijke afwijzing van zijn aanvraag, in een daarop volgend beroep alsnog kansrijk zou zijn geweest, bij voorkeur onder verwijzing naar zijns inziens relevante rechtspraak en, indien beschikbaar, literatuur. Nadien zal de Stichting bij akte kunnen reageren.

4.4. Nadat beoordeeld is hoe groot de kans op succes van [eiser] was, komen de overige weren van de Stichting aan de orde. Daarbij gaat het in het bijzonder om de (omvang van de) vermogensschade, de juridische causaliteit (artikel 6:98 BW), de (mate van) eigen schuld inclusief de gehoudenheid tot schadebeperking (artikel 6:101 BW) en de immateriële schade.

Het is duidelijk dat de meest omvangrijke schade waarvan [eiser] vergoeding verlangt zijn inkomensschade betreft, ofschoon [eiser] in dit geding geen poging heeft gedaan de omvang van die post te kwantificeren en heeft volstaan met de vordering dat de rechtbank de Stichting veroordeelt tot een naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen bedrag. Omdat deze post aanzienlijk zou kunnen zijn zal de rechtbank hierna alvast de contouren van de door haar te nemen beslissing naar aanleiding van het verweer van de Stichting gebaseerd op artikel 6:98 BW, behandelen.

4.5. De Stichting voert aan dat de door [eiser] gevorderde inkomensschade niet toewijsbaar is, omdat de gestelde inkomensschade in redelijkheid niet toerekenbaar is aan de (beroepsfout van de) Stichting. De Stichting zoekt voor haar standpunt houvast in het arrest HR 13 april 2007, LJN AZ8751, NJ 2008/576 en in verwante rechtspraak, waarin is geoordeeld dat de Staat bij het ten onrechte niet verstrekken van een verblijfsstatus niet aansprakelijk is voor de inkomensschade van een benadeelde die bij gebreke van een verblijfstitel tot het moment dat de verblijfstitel alsnog is verstrekt niet is staat is geweest in Nederland inkomen te genereren.

In zijn arrest overwoog de Hoge Raad in r.o. 3.4 omtrent het Schutznormvereiste in verband met de gevorderde vergoeding van inkomensschade:

(...) Op zichzelf is juist dat de toelating van een vluchteling tot Nederland de vluchteling in staat stelt hier te lande een nieuw bestaan op te bouwen. Anders dan het hof heeft geoordeeld, betekent dit echter niet dat de toelating als vluchteling ertoe strekt deze in staat te stellen inkomen (uit betaalde arbeid) te verwerven. Het recht in Nederland betaalde arbeid te verrichten vloeit voort uit de toelating als vluchteling, en ontstaat pas nadat hij in Nederland als vluchteling is toegelaten. De toelating vindt plaats om humanitaire redenen, teneinde hem te beschermen tegen vervolging in het land van herkomst. Zij strekt niet tot bescherming van enig vermogensrechtelijk belang van de vluchteling. Het belang van de vluchteling om inkomen uit arbeid te kunnen verwerven speelt bij de beoordeling tot toelating als vluchteling geen rol en de Staat dient bij zijn beslissing omtrent de toelating als vluchteling hiermee geen rekening te houden. Als de Staat in het kader van de procedure tot toelating een voor die procedure geldende regel heeft geschonden, heeft de aanvrager toegang tot de rechter om deze schending te doen herstellen. Deze schending geeft in beginsel echter geen recht op vergoeding van schade als hier door Yazdanlatif is gevorderd.

De Stichting meent dat de gedachte die aan de toepassing van het Schutznormvereiste in de door de Hoge Raad beoordeelde zaak ten grondslag ligt, er in het onderhavige geschil toe moet leiden dat de inkomensschade van [eiser] door toepassing van artikel 6:98 BW niet aan de (beroepsfout van de) Stichting toerekenbaar is.

4.6. De rechtbank deelt de visie van de Stichting hieromtrent niet. In casu is een andere normschending in het geding, die tot een andere benadering dwingt. De (rechtsvoorganger van de) Stichting heeft, zo is in rechte vast komen te staan, verzuimd bij haar werkzaamheden de zorg van een goed opdrachtnemer in acht te nemen of, meer specifiek, heeft niet gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend rechtshulpverlener verlangd mocht worden. Gezien het voor de Stichting ten tijde van haar nalaten duidelijk kenbare belang van [eiser], die met een geslaagd beroep op de TWIR zijn verblijf in Nederland zou kunnen legaliseren en bestendigen, kan niet worden verdedigd dat inkomensschade op zichzelf, naar redelijkheid, niet kan worden toegerekend aan de beroepsfout.

Deze constatering neemt niet weg dat de (mate van) toerekenbaarheid van inkomensschade nog wel moet worden beoordeeld aan de hand van de overige gezichtspunten zoals die bij de toepassing van artikel 6:98 BW in de rechtspraak en literatuur tot ontwikkeling zijn gekomen. Naar het oordeel van de rechtbank voeren de beperkte mate waarin de Stichting haar beroepsfout kan worden verweten en de aard van de schade in dit geval tot een beperkte toerekening. De aansprakelijkheid van de Stichting is immers in hoofdzaak terug te voeren op een ongelukkige wijze van communiceren met [eiser] over haar beslissing geen TWIR-verzoek voor hem te zullen indienen. Verder is de schade waarvan [eiser] vergoeding verlangt - de gestelde immateriële schade daargelaten - louter uit gederfde inkomsten.

4.7. Daar komt bij dat de Stichting zich erop heeft beroepen dat [eiser] is tekort geschoten in de op hem rustende plicht zijn schade zoveel mogelijk te beperken (artikel 6:101 BW). De rechtbank kan de Stichting daarin volgen. Van [eiser] kon verlangd dat, nadat hem duidelijk was geworden dat er voor hem geen gelegaliseerd verblijf in Nederland was weggelegd, hij buiten Nederland in een land waar hij wel legaal zou kunnen verblijven (in elk geval in Marokko) door arbeid inkomen zou genereren. [eiser] was immers ten tijde van de afwijzing van het door hem (te laat) ingediende verzoek, op 18 mei 2000, 36 jaar en destijds (naar ter comparitie bleek) ongehuwd en zonder kinderen. Het is de keuze van [eiser] geweest Nederland niet te verlaten en aldus niet in staat te zijn hier een inkomen te genereren uit arbeid. Dat er geen reële kansen op het genereren van een aanvaardbaar inkomen uit arbeid buiten Nederland bestonden, is gesteld noch gebleken.

4.8. Indien de rechtbank tot het oordeel mocht komen dat [eiser] een reële kans had om de door hem in 1999 begeerde status te verwerven, zal - nog afhankelijk van de grootte van die kans - door de rechtbank de aan [eiser] te vergoeden inkomensschade worden gemaximeerd tot gederfde inkomsten in de periode van één jaar. Daarbij gaat de rechtbank er vanuit dat [eiser], nadat hij het besluit van de Staatssecretaris van 18 mei 2000 had ontvangen, nog een zekere tijdspanne gegund behoorde te worden om zich voor te bereiden op zijn toekomst buiten Nederland.

4.9. Bij de berekening van de gederfde inkomsten dient het feit dat [eiser], zoals hij ter comparitie verklaarde, in Nederland noch in Marokko opleiding heeft genoten, in ogenschouw te worden genomen. Bij de berekening zou aangesloten kunnen worden bij de inkomsten die [eiser] heeft genoten bij zijn werkzaamheden in de tuinbouw, die hij tot 1999 met tussenpozen heeft verricht.

4.10. De overigens door [eiser] gevorderde materiële schade acht de rechtbank, waar deze post niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken is € 897,41, in beginsel voor toewijzing vatbaar, indien wordt geoordeeld dat de voornoemde zeer grote kans op verwerving van de verblijfstitel op grond van de TWIR er daadwerkelijk was.

4.11. De door [eiser] gevorderde vergoeding wegens immateriële schade oordeelt de rechtbank niet toewijsbaar. [eiser] heeft onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan geoordeeld zou kunnen worden dat zich "andere een aantasting in de persoon" als bedoeld in artikel 6:106 lid 1 aanhef en onder b. BW zou hebben voorgedaan. Over de gestelde "vrijheidsbeneming" heeft [eiser] niets ter onderbouwing naar voren gebracht. Het zal in het vervolg van dit geding dus uitsluitend gaan om vergoeding van materiële schade.

4.12. De rechtbank zal de zaak verwijzen naar de rol voor het nemen van een akte aan de zijde van [eiser]. Daarin zal [eiser] in dienen te gaan op de kans van slagen van zijn beroep op de TWIR, zoals omschreven onder r.o. 4.3. Voorts zal [eiser] in die akte dienen aan te geven welke zijn gederfde inkomsten zijn, voor het geval de rechtbank tot het oordeel komt dat (en in hoeverre) er een vergoedingsverplichting op de Stichting rust ter zake van gederfde inkomsten. Nadien zal de Stichting daarop bij akte kunnen reageren.

5.De beslissing

De rechtbank

-Verwijst de zaak naar de rol van 23 mei 2012 voor het nemen van een akte aan de zijde van eiser met het doel als beschreven in r.o. 4.12.;

-Houdt iedere verdere beslissing in deze zaak aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2012.