Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW5212

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-05-2012
Datum publicatie
08-05-2012
Zaaknummer
12/10228, 12/10230, 12/10227 en 12/10229
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

“(..) In dit geval heeft verweerder niet onderzocht of het voor christenen in Egypte, na de val van het regime van Mubarak, mogelijk is effectieve bescherming van de autoriteiten te krijgen indien zij worden bedreigd onder meer als gevolg van hun geloofsovertuiging. Verzoeker heeft onder verwijzing naar de notitie van Vluchtelingenwerk Nederland van

12 maart 2012 aannemelijk gemaakt dat het in de huidige situatie voor christenen in Egypte moeilijk is bescherming te krijgen van de autoriteiten tegen aanvallen en bedreigingen door salafisten en andere radicale moslims. Voor een beoordeling van de positie van christenen in Egypte volstaat het verouderde ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken uit 2002 niet. (..)”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Nevenlocatie Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/10228 en AWB 12/10230 (voorlopige voorziening)

AWB 12/10227 en AWB 12/10229 (hoofdzaak)

V-nummer: [nummers]

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 mei 2012 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak in de zaak tussen

[naam] te [woonplaats] verzoeker, tevens eiser en [naam] te [woonplaats] verzoekster, tevens eiseres alsmede namens haar minderjarige kinderen [naam] en [naam], (hierna: verzoekers)

gemachtigde: mr. K. Yousef,

en

de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, daaronder begrepen zijn rechtsvoorganger(s), verweerder,

gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos.

Procesverloop

Bij besluit van 26 maart 2012 heeft verweerder de aanvragen van verzoekers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in de algemene asielprocedure (hierna: AA-procedure) afgewezen.

Verzoekers hebben tegen dit besluit (het bestreden besluit) op 27 maart 2012 beroep ingesteld, geregistreerd onder zaaknummers AWB 12/10227 en AWB 12/10229. Tevens hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, geregistreerd onder zaaknummers AWB 12/10228 en AWB 12/10230.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 april 2012. Verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1 Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, voor zover thans van belang, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2 Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, indien het verzoek wordt gedaan indien bij de rechtbank beroep is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak.

1.3 Op grond van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

1.4 Op grond artikel 29, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan:

1°. doodstraf of executie;

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

1.5 Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag als vorenbedoeld afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gebaseerd op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2 De voorzieningenrechter is van oordeel dat een situatie als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb zich hier voordoet en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak. Daartoe wordt als volgt overwogen.

2.1 Verzoeker heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat op 13 januari 2012 een ruzie is ontstaan met moskeegangers in verband met het lossen van een vrachtwagen bij de fabriek waarbij verzoeker aan een ooglid gewond is geraakt. Verzoeker heeft het alarmnummer voor de politie gebeld, maar niemand was gekomen. Sheiks van de lokale moskee zeiden toen dat verzoeker voortaan islamitische belasting moest betalen. Verzoeker weigerde en mocht zijn fabriek niet meer openen. Begin februari 2012 vond verzoeker een dreigbrief waarin een hoog geldbedrag werd geëist en werd gedreigd met de ontvoering van één van zijn kinderen indien verzoeker niet zou betalen. Verzoeker ging met de dreigbrief naar het politiebureau om bescherming te vragen in verband met het dreigtelefoontje, maar de politie verwees hem naar het Telecom bedrijf. Met zijn neef is verzoeker diezelfde dag teruggegaan naar het politiebureau waarna er een proces-verbaal is opgesteld. Twee dagen voor vertrek uit Egypte is verzoeker samen met zijn echtgenote en kinderen inkopen gaan doen en is er buiten de winkel een poging gedaan om de zoon van verzoeker te ontvoeren. Op de dag van het vertrek werd verzoeker nogmaals gebeld en bedreigd. Hierop is verzoeker met zijn gezin uit Egypte weggegaan.

2.2.1 De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder verzoeker artikel 31, tweede lid aanhef en onder f, van de Vw 2000 niet heeft tegengeworpen en het asielrelaas van verzoeker geloofwaardig heeft geacht.

2.2.2 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) (onder meer de uitspraak van 14 augustus 2009, LJN BJ9042) behoort de beoordeling van de geloofwaardigheid van de door een vreemdeling in zijn asielrelaas naar voren gebrachte feiten tot de verantwoordelijkheid van verweerder en kan die beoordeling door de rechter slechts terughoudend worden getoetst. De maatstaf van die te verrichten toetsing is niet het eigen oordeel van de rechter over de geloofwaardigheid van het relaas, maar de vraag of grond bestaat voor het oordeel dat verweerder, gelet op de motivering neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren, de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen en het gestelde in de zienswijze, in redelijkheid tot zijn oordeel over de geloofwaardigheid van het relaas kon komen.

2.2.3 Blijkens de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2009 (LJN BJ3621) geldt de hiervoor beschreven terughoudende rechterlijke toets ook voor het oordeel van verweerder over het realiteitsgehalte van de vermoedens van de vreemdeling die deel uitmaken van de gebeurtenissen die volgens zijn asielrelaas hebben plaatsgevonden. Bij de toetsing door de rechter van het standpunt van verweerder omtrent het realiteitsgehalte van de door de vreemdeling aan de niet ongeloofwaardig geachte feiten en omstandigheden ontleende vermoedens over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat, is voor evenbedoelde terughoudendheid evenwel geen plaats. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 17 februari 2010 (LJN BL4556), vindt bedoelde beoordeling plaats in het kader van de beoordeling of de als vaststaand aangenomen feiten en omstandigheden kwalificeren als rechtsgrond voor verlening van voormelde verblijfsvergunning. Van die beoordeling maakt voorts deel uit de beantwoording van de vraag of, indien en voor zover verweerder zich op het standpunt stelt dat de vermoedens van de vreemdeling over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat plausibel worden geacht, deze ook voldoende zwaarwegend zijn voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning.

2.3.1 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat verzoeker er niet in geslaagd is aannemelijk te maken dat in zijn geval in het geheel geen bescherming van de autoriteiten kan worden gekregen. Daartoe verwijst verweerder naar de pogingen die verzoeker in het werk heeft gesteld om aangifte van de bedreigingen te doen, dat verzoeker geen pogingen heeft gedaan zich te wenden tot hogere autoriteiten dan de politie in zijn wijk of bij een rechter heeft geklaagd over de onwillige houding van de wijkpolitie. Voorts werpt verweerder verzoeker tegen dat hij bij zijn aangifte inzake de islamitische belasting die van hem werd gevraagd, essentiële informatie niet heeft verstrekt aan de politie. Naar het oordeel van verweerder is onvoldoende gebleken dat de Egyptische autoriteiten deze bescherming niet kunnen of willen bieden.

2.3.2 Verzoeker heeft betoogd dat christenen (Kopten) sinds de val van het Mubarak-regime doelwit zijn van de salafisten en dat hun positie enorm verslechterd is in die zin dat aan Kopten geen bescherming meer wordt geboden en dat ook de politie zich schuldig maakt aan deze praktijken. Verzoeker heeft in de correcties en aanvullingen van

21 maart 2012 op het rapport van nader gehoor een brief overgelegd van Vluchtelingenwerk Nederland van 12 maart 2012, waarin (onder verwijzing naar een groot aantal bijlagen) de huidige positie van christenen in Egypte na de val van Mubarak en de bescherming door de autoriteiten worden uiteengezet. De brief van 12 maart 2012 benoemt een groot aantal geweldsincidenten tegen Kopten en verwijst naar toegenomen spanningen tussen christenen en salafisten. Inzake de bescherming door de autoriteiten wordt melding gemaakt van situaties waarin de autoriteiten zelf schuldig zijn aan geweld tegen christenen en stelt dat de autoriteiten er niet in geslaagd zijn na het vertrek van Mubarak religieuze minderheden, en Koptische christenen in het bijzonder, te beschermen tegen gewelddadige aanvallen. Omdat veel daders niet worden vervolgd, is een klimaat van straffeloosheid ontstaan. Berechting van belagers van christenen vindt nauwelijks plaats.

2.3.3 Verzoeker heeft na het geweldsincident op 13 januari 2012 de politie gebeld, ondanks het feit dat hij met de dood werd bedreigd, indien hij aangifte zou doen. De politie is niet verschenen. Na de ontvangst van een dreigbrief op 1 of 2 februari 2012 heeft verzoeker aangifte willen doen, maar hij werd uitgelachen. Na een dreigtelefoontje op

23 februari 2012 heeft verzoeker bescherming gevraagd waarbij hij de eerder ontvangen dreigbrief heeft laten zien. Verzoeker werd aangeraden een klacht in te dienen bij het Telecombedrijf en na notering van zijn gegevens en telefoonnummer weggestuurd onder de mededeling dat de politie pas iets zou kunnen doen indien een kind ontvoerd zou zijn. Later op die avond is met hulp van eisers neef en door bemiddeling van een politieagent die de neef van eiser kende, een proces-verbaal opgesteld. Nadien is verzoeker met een afschrift van het proces-verbaal naar het Openbaar Ministerie gegaan, waarbij hij er achter kwam dat het proces-verbaal niet in behandeling zou worden genomen, omdat het op de stapel te archiveren stukken lag. Na de mislukte ontvoering van verzoekers zoon heeft verzoeker geen bescherming meer ingeroepen, maar het land verlaten.

2.4.1 In onderdeel C4/2.2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 is opgenomen dat bij de beoordeling van de mogelijkheid van effectieve bescherming het in eerste instantie aan de vreemdeling zelf is om aannemelijk te maken dat de effectieve bescherming niet kan worden geboden. Afhankelijk van de individuele situatie van de vreemdeling en de algehele situatie in het land van herkomst kan de bewijslast echter meer naar de zijde van de Nederlandse overheid verschuiven. De bewijslast wordt derhalve bepaald door de individuele omstandigheden van de vreemdeling, mede in het licht van de algehele situatie in het land van herkomst. Wanneer uit de algemene informatie over het land van herkomst blijkt dat bescherming in zijn algemeenheid niet mogelijk is of een verzoek daartoe bij voorbaat zinloos of gevaarlijk is, zal niet verder van de vreemdeling worden verlangd voor zijn individuele situatie aannemelijk te maken dat bescherming kan worden geboden.

2.4.2 Uit de uitspraak van de Afdeling van 21 september 2011, LJN: BT2612, volgt dat ter zake van de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder wordt afgegaan op de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en van internationale organisaties. Eerst nadat die vraag bevestigend is beantwoord, kan aan de orde komen de vraag of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien dat laatste niet aannemelijk is gemaakt, kan slechts het tevergeefs inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.

2.4.3 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat niet gebleken is dat de christelijke achtergrond van verzoeker reden was om hem te bedreigen en af te persen. Veeleer is financieel gewin het motief geweest om verzoeker te dreigen met de ontvoering van zijn kinderen. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in deze conclusie en verwijst hiervoor naar het gestelde in het nader gehoor inzake de incidenten in februari 2009, in februari 2011, de bedreiging door moskeegangers op 13 januari 2012 en het telefoontje op 23 februari 2012. Nu verweerder het asielrelaas geloofwaardig heeft bevonden, had verweerder de concrete verwijzingen bij bovengenoemde incidenten naar de christelijke achtergrond van verzoeker, niet buiten beschouwing mogen laten. De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat het in de rede ligt om aan te nemen dat vooral welgestelde christenen worden afgeperst en bedreigd en dat het voor betrokkenen moeilijk is om aan te tonen dat de geloofsachtergrond hiervoor bepalend is. Indien er sprake is van concrete aanwijzingen dat de geloofsovertuiging bij de bedreigingen en afpersingen mede een rol heeft gespeeld, dient verweerder, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, daaraan bijzondere aandacht te schenken. In dit geval heeft verweerder niet onderzocht of het voor christenen in Egypte, na de val van het regime van Mubarak, mogelijk is effectieve bescherming van de autoriteiten te krijgen indien zij worden bedreigd onder meer als gevolg van hun geloofsovertuiging. Verzoeker heeft onder verwijzing naar de notitie van Vluchtelingenwerk Nederland van

12 maart 2012 aannemelijk gemaakt dat het in de huidige situatie voor christenen in Egypte moeilijk is bescherming te krijgen van de autoriteiten tegen aanvallen en bedreigingen door salafisten en andere radicale moslims. Voor een beoordeling van de positie van christenen in Egypte volstaat het verouderde ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken uit 2002 niet. De verwijzing door verweerder naar de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem van 28 februari 2011 en zittingsplaats Zwolle van

7 oktober 2011, kunnen hieraan niet afdoen omdat het feitencomplex in deze uitspraken niet vergelijkbaar was met dat in onderhavige zaak.

Op grond van het bovenstaande oordeelt de voorzieningenrechter dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Het besluit zal worden vernietigd. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen op de aanvraag buiten de AA-procedure.

2.5 Nu het bestreden besluit in de asielprocedure van verzoeker is vernietigd en het relaas van zijn echtgenote, [naam], een van dat relaas afhankelijk karakter heeft, dient ook dit besluit vernietigd te worden en dient verweerder op gelijke wijze als in het geval van haar echtgenoot, opnieuw op haar aanvraag te beslissen buiten de AA-procedure.

3 Gelet op het voorgaande komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de bestreden besluiten in strijd met artikel 3:2 van de Awb onvoldoende zorgvuldig zijn voorbereid en niet gedragen kunnen worden door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, hetgeen in strijd is met artikel 3:46 van de Awb.

4 De voorzieningenrechter zal de beroepen gegrond verklaren.

5 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter de verzoeken om een voorlopige voorziening afwijzen.

6 De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1748,- (2 punten voor het indienen van het verzoekschrift en 2 punten voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- bepaalt dat verweerder nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1748,-, te betalen aan verzoekers;

- wijst de verzoeken af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van ‘t Laar, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N. Jallal, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.