Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW4586

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
01-05-2012
Datum publicatie
02-05-2012
Zaaknummer
09/607984-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak. [X] heeft aangifte gedaan van het feit dat haar stiefvader haar meermalen ontuchtig heeft betast, waarbij hij 1 maal met zijn vinger in haar vagina is geweest. Verdachte, destijds de stiefvader van [X], heeft deze feiten ontkend. Voor een bewezenverklaring van een strafbaar feit geldt dat het tenlastegelegde niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige, doch dat aanvullend voldoende steunbewijs nodig is. De vraag die de rechtbank heeft te beantwoorden is in hoeverre de verklaringen van [X] steun vinden in andere bewijsmiddelen en of dit voldoende is om het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen te achten. De getuigen hebben geen van allen zelf seksueel getinte handelingen van verdachte bij [X] waargenomen. Hun verklaringen ten aanzien van het tenlastegelegde zijn daarmee allemaal te herleiden tot één en dezelfde bron, te weten de verklaringen van [X] en vormen derhalve geen afzonderlijk (steun)bewijs. De aanwijzingen richting verdachte kunnen naar het oordeel van verdachte evenmin als steunbewijs voor de tenlastegelegde feiten worden beschouwd. De conclusie is, dat de rechtbank de verklaring van [X], in samenhang met de verklaringen van de getuigen en de overige aanwijzingen onvoldoende acht om het ten laste gelegde wettig bewezen te kunnen achten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/607984-10

Datum uitspraak: 1 mei 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats],

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 17 april 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. L.E. van der Leeuw en van hetgeen door de raadsvrouw van verdachte mr. H.H.R. Bruggeman, advocaat te Lisse, en door de verdachte naar voren is gebracht.

Het slachtoffer heeft ter terechtzitting gebruik gemaakt van het spreekrecht, in die zin dat de voorzitter de door het slachtoffer ingediende slachtofferverklaringen heeft voorgelezen.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in de periode van 01 oktober 2007 tot en met 31 oktober 2007 op [eiland],

met [X], geboren op [geboortedatum] 1995, die de leeftijd

van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt,

een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of

mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [X],

hebbende verdachte zijn, verdachtes, vinger in de vagina van die [X]

geduwd/gebracht;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in de periode van 01 oktober 2004 tot en met

30 juni 2009 te [woonplaats] (meermalen) ontucht heeft gepleegd met zijn

minderjarig stiefdochter, [X], geboren op [geboortedatum] 1995,

bestaande die ontucht hierin dat hij (telkens) (meermalen) met zijn hand(en)

aan haar borsten heeft gezeten/gevoeld en/of (telkens) met zijn hand(en) aan

haar vagina heeft gezeten/gevoeld;

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Inleiding

Op 30 juni 2010 heeft [X] aangifte gedaan van het feit dat haar stiefvader haar meermalen ontuchtig heeft betast, waarbij hij 1 maal met zijn vinger in haar vagina is geweest. Verdachte, destijds de stiefvader van [X], heeft deze feiten ontkend.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen zal verklaren.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft algehele vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig bewijs.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging

Met betrekking tot het ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Voor een bewezenverklaring van een strafbaar feit geldt op de voet van art. 342 Wetboek van Strafvordering dat het tenlastegelegde niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige, doch dat aanvullend voldoende steunbewijs nodig is.

De vraag die de rechtbank in dit verband derhalve heeft te beantwoorden is in hoeverre de verklaringen van [X] steun vinden in andere bewijsmiddelen en of dit voldoende is om het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen te achten. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt onder meer het volgende.

[X] (geboren [geboortedatum] 1995) heeft verklaard dat tijdens een vakantie op het eiland [eiland], in oktober 2007 verdachte met een vinger in haar vagina is geweest en dat hij gedurende meerdere jaren,(vanaf 2004 tot en met 2009) thuis in de woonkamer als zij beiden op de bank lagen of zaten bij herhaling haar borsten en haar vagina heeft betast.

[X] heeft hierover op enig moment, toen verdachte niet meer bij hen in huis woonde, haar zus [zus] verteld.

[zus] heeft dit bevestigd en zij heeft verklaard (evenals [X]) dat zij het weer heeft doorverteld aan haar vriendin [vriendin]. Ook de ouders van [X], [vader] en [moeder], alsook de buurvrouw, [buurvrouw], hebben verklaard dat zij van [X] of een ander hebben gehoord dat [X] door verdachte seksueel was misbruikt.

Verder heeft [zus] verklaard dat verdachte ook bij haar eens over haar buik heeft gestreeld en steeds verder met zijn hand naar beneden was gegaan tot de rand van haar broek. Zij is toen opgestaan en weggelopen.

Verdachte zelf heeft onder meer verklaard, hetgeen door [X] is bevestigd, dat hij het schaamhaar van [X] heeft geschoren, toen zij ongeveer twaalf jaar oud was.

De rechtbank merkt op dat de verklaringen van [X] op hoofdlijnen consistent zijn. Ook zijn deze gedetailleerd en bovendien worden ze bevestigd door de verklaringen van anderen, zoals [zus]. De rechtbank acht de verklaringen van [X] dan ook betrouwbaar. Daarbij komt dat de rechtbank in het dossier ook andere aanwijzingen in het dossier heeft aangetroffen die de verklaringen van [X] ondersteunen. Zo heeft [zus] immers verklaard over een vergelijkbaar incident. Ook van het scheren van de schaamstreek van de toen 12-jarige [X] is de rechtbank van oordeel dat dit, hoewel wellicht geen strafbare ontuchtige handeling, in zijn algemeenheid seksueel grensoverschrijdend gedrag is. Dat dit zoals verdachte stelt, normaal was binnen het gezin, acht de rechtbank niet aannemelijk geworden. De rechtbank beschouwt deze handeling eveneens als een aanwijzing richting verdachte.

De rechtbank stelt evenwel eveneens vast dat de getuigen geen van allen zelf seksueel getinte handelingen van verdachte bij [X] hebben waargenomen. Hun verklaringen ten aanzien van het tenlastegelegde zijn daarmee allemaal te herleiden tot één en dezelfde bron, te weten de verklaringen van [X] en vormen derhalve geen afzonderlijk (steun)bewijs. De bovenbeschreven aanwijzingen richting verdachte kunnen naar het oordeel van verdachte evenmin als steunbewijs voor de tenlastegelegde feiten worden beschouwd. De conclusie is, dat de rechtbank de verklaring van [X], in samenhang met de verklaringen van de getuigen en de overige aanwijzingen onvoldoende acht om het ten laste gelegde wettig bewezen te kunnen achten.

De officier van justitie heeft nog gewezen op de modus operandi van verdachte die uit de verklaringen van [X] naar voren komt, en die deels wordt bevestigd door [zus] en hun moeder. Verdachte behandelde [X] - aldus haar verklaring - als zijn lieveling en dit was anders als [X] weigerde zich te laten betasten. Op die momenten moest zij als straf bijvoorbeeld haar bril dragen en was verdachte ineens veel vriendelijker tegen haar. Hoewel [zus] en haar moeder bevestigen dat [X] de lieveling van verdachte leek te zijn en dat zij met enige regelmaat straf van hem kreeg hij dan zei dat het iets tussen hem en [X] was, kan uit hun verklaringen, anders dan uit de verklaring van [X], niet worden afgeleid dat hieraan seksuele handelingen van verdachte ten grondslag lagen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat uit het dossier eveneens naar voren komt dat verdachte in het gezin de rol van vader op zich had genomen.

Voor de omstandigheid die door de officier naar voren is gebracht dat binnen het gezin nieuw gekochte kleding, waaronder ook ondergoed en bikini's, moesten worden geshowd aan verdachte geldt dat de rechtbank deze van onvoldoende gewicht acht. De rechtbank neemt hierbij nog in aanmerking dat een dergelijke omgang binnen een gezin niet uitzonderlijk hoeft te zijn zodat dit niet hoeft te wijzen op seksueel grensoverschrijdend gedrag.

De conclusie is, dat de rechtbank op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen acht hetgeen de verdachte bij dagvaarding onder 1 en 2 is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

4. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

[benadeelde partij], [adres], heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 11.328,88.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van de ten laste gelegde feiten waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

5. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [X] niet-ontvankelijk is;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

wijst het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel af;

heft op het opgeschorte bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.C. van Veen, voorzitter,

mrs. R. van Zeijst-Repelaer van Driel en T.L. Fernig-Rocour, rechters,

in tegenwoordigheid van V.R.G.D. Boel, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 mei 2012.