Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW4490

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
16-05-2012
Zaaknummer
AWB 11/1034 BESLU
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:432, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is rechter in een rechtbank en tevens lid van een commissie van toezicht op een penitentiaire inrichting. Hij treedt tevens op als (alleenrechtsprekend) beklagrechter en als maandcommissaris. Het beroep betreft de op een vacatiegelddeclaratie van eiser door verweerder toegepaste anti-cumulatiebepaling, welke inhoudt dat twee vergaderingen op eenzelfde dag leiden tot toekenning van slechts eenmaal vacatiegeld. Indien het daarbij onder meer gaat om het optreden als beklagrechter, vindt toekenning van vacatiegeld plaats naar het daarvoor geldende hogere tarief. Voor een op dezelfde dag plaatsvindende vergadering van de commissie van toezicht wordt dan geen vacatiegeld uitgekeerd.

De rechtbank is van oordeel dat deze benadering van verweerder slechts aanvaardbaar is, indien het gaat om vergaderingen en eventueel het optreden als maandcommissiaris op dezelfde dag. De maandcommissaris wordt uit en door de commissie van toezicht gekozen. Het optreden in die hoedanigheid kan daarom onder het begrip "vergadering" in de anti-cumulatie- bepaling worden geschaard.

Het optreden als beklagrechter is een rechterlijke activiteit, de niet noodzakelijk hoeft te worden opgedragen aan een lid van een commissie van toezicht. Een "los benoemde" voorzitter en lid van een beklagcommissie (bij voorkeur een lid van de rechterlijke macht) heeft aanspraak op de hoge vergoeding voor werkzaamheden van rechterlijke/toetsende aard. Nu een "los benoemde" voorzitter aanspraak heeft op deze vergoeding, valt niet in te zien dat eiser (tevens lid van een commissie van toezicht) met deze vergoeding genoegen zou moeten nemen op een dag waarop tevens een vergadering van de commissie van toezicht plaatsvindt. Het optreden als beklagrechter kan niet worden geschaard onder het begrip "vergadering" in de anti-cumulatie- bepaling.

Beroep gegrond, de rechtbank voorziet zelf in correctie van de bestreden vacatiegelddeclaratie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1034 BESLU

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2012 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [A],

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.

(gemachtigde: S.M.C. Rooijers).

Procesverloop

Eiser heeft op 30 juni 2010 als lid van de Commissie van Toezicht PI [B] bij verweerder een declaratie ingediend voor door hem in die hoedanigheid verrichte werkzaamheden.

Bij beslissing van 6 juli 2010 is namens verweerder het door eiser ingediende declaratieformulier handmatig aangepast, in die zin dat voor de door eiser op 23 februari 2010 en 25 mei 2010 verrichte werkzaamheden per dag slechts eenmaal vacatiegeld mag worden gedeclareerd naar het hoogstgeldende bedrag van € 175,50. In verband daarmee is een bedrag van € 176,- (twee maal € 88,-) op het gedeclareerde bedrag in mindering gebracht.

Tegen deze gestelde handeling in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft eiser bij brief van 22 juli 2010 bij verweerder bezwaar gemaakt. Tevens heeft eiser verweerder om nadere informatie gevraagd.

Bij rappelbrieven van 7 oktober 2010 en 22 november 2010 heeft eiser verweerder verzocht om een spoedige beslissing op zijn bezwaar en heeft hij verweerder formeel in gebreke gesteld.

Bij brief van 10 december 2010 heeft verweerder de vragen van eiser beantwoord en voorts het standpunt ingenomen dat met de wijziging van de declaratie van eiser geen sprake was van een handeling in de zin van artikel 1:3 van de Awb, zodat genoemde wet in dit geval toepassing miste.

Bij brief van 30 december 2010 heeft eiser verweerder verzocht dit standpunt te heroverwegen.

Bij nadere brief van 14 januari 2011 heeft verweerder eiser medegedeeld dat een nadere analyse van het wettelijk kader een nieuw inzicht had opgeleverd. Verweerder is tot het inzicht gekomen dat de Awb wel van toepassing is en heeft zijn brief van 10 december 2010 nader gekwalificeerd als een beslissing op eisers bezwaarschrift van 22 juli 2010. In aanvulling daarop heeft verweerder geoordeeld dat hij, te rekenen van 21 oktober 2010, de maximale dwangsom van € 1.260,- had verbeurd, welk bedrag aan eiser betaalbaar zou worden gesteld. Ten aanzien van de inhoud van het besluit van 10 december 2010 heeft verweerder medegedeeld geen aanleiding te zien van de inhoud van dat besluit terug te komen.

Tegen deze beide besluiten, tezamen beschouwd als één besluit op bezwaar, heeft eiser bij de rechtbank [A] beroep ingesteld.

Bij brief van 26 januari 2011 heeft de griffier van die rechtbank de stukken aan deze rechtbank doorgezonden met het gemotiveerde verzoek de behandeling van het beroep over te nemen. Deze rechtbank heeft aan dat verzoek voldaan.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend, vergezeld van een verweerschrift, gedateerd 4 maart 2011.

Bij brief van 23 oktober 2011 heeft eiser de gronden van het beroep aangevuld.

Het beroep is op 15 november 2011 ter zitting behandeld.

Eiser is, zoals tevoren aangekondigd, niet verschenen.

Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft ter zitting het onderzoek geschorst en heeft verweerder verzocht enige nadere stukken in het geding te brengen.

Bij brief van 20 november 2011 heeft verweerder, voor zover mogelijk, de verzochte nadere stukken ingezonden. Eiser heeft daarop niet gereageerd.

Na verkregen toestemming van partijen tot afdoening van het beroep zonder nadere zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank staat allereerst voor de vraag of zij, gelet op de wettelijke regeling van de relatieve competentie, bevoegd is van het beroep kennis te nemen. Aangezien eiser woonachtig is te [A], is ingevolge het bepaalde in artikel 8:7, tweede lid, van de Awb de rechtbank [A] bevoegd van het beroep kennis te nemen.

Eiser is evenwel werkzaam als rechter in de rechtbank [C], welke rechtbank betrokken is bij een samenwerkingsverband met de rechtbanken [D] en [A]. Gelet op deze omstandigheid heeft de bevoegde rechtbank het raadzaam geoordeeld het beroep aan deze rechtbank ter behandeling door te zenden. In het belang van een onpartijdige beoordeling van het beroep en het vermijden van de schijn van belangenverstrengeling, die zou kunnen ontstaan bij een behandeling door de rechtbank [A], acht deze rechtbank zich bevoegd van het beroep kennis te nemen.

2. De rechtbank moet in dit beroep beoordelen of het bestreden besluit, gelet op de daartegen aangevoerde beroepsgronden, in rechte stand kan houden. Daarbij worden verweerders brieven van 10 december 2010 en 14 januari 2011 tezamen als één besluit op bezwaar aangemerkt.

3. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser is lid van de Commissie van Toezicht van de PI [B] (CvT). In die hoedanigheid woont hij vergaderingen bij, houdt hij zitting als beklagrechter en spreekuur als maandcommissaris. Om redenen van efficiency (vermijding van extra reistijd en -kosten) worden de vergaderingen van de CvT veelal gepland op dagen waarop ook een beklagzitting of spreekuur plaatsvindt. Partijen in dit beroep worden verdeeld gehouden over de vraag of eiser op een dergelijke dag slechts eenmaal dan wel tweemaal aanspraak heeft op een vergoeding.

4. Eiser stelt zich op het standpunt dat hem tweemaal een vergoeding toekomt voor verschillende werkzaamheden op één dag. Het Vacatiegeldenbesluit 1988 voorzag erin dat aan leden van commissies een vacatiegeld wordt toegekend voor een bijgewoonde vergadering van de commissie of een subcommissie daarvan, waarbij twee of meer vergaderingen op dezelfde dag werden aangemerkt als één vergadering.

In het besluit van de minister van Justitie van 20 april 2001 wordt aan de voorzitters en leden van de CvT bij een PI, beklagrechters, leden van de beklagcommissies en maandcommissarissen een vacatiegeld toegekend voor elke dag waarop zij een of meer vergaderingen of zittingen van genoemde commissie bijwonen, zitting houden respectievelijk spreekuur houden.

Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat voor alle werkzaamheden op één dag, van welke aard ook, slechts eenmaal vacatiegeld wordt uitgekeerd.

Uit het besluit van de minister van Justitie van 30 juni 2005 blijkt bovendien dat aan de verschillende werkzaamheden naar zwaarte uiteenlopende vacatiegelden zijn verbonden (uitvoerende en toezichthoudende taken versus rechtspraak).

Eiser heeft aangevoerd dat verweerder zich al vele jaren op een onjuist standpunt stelt. Voorts heeft hij aangevoerd dat de uitleg van verweerder onredelijk is, aangezien de bestaande vergoeding voor de diverse werkzaamheden in geen enkele verhouding staat tot het verrichte werk. De leden van de CvT accepteren dat, omdat zij zich voor een goede zaak willen inzetten. Dat zij om efficiencyredenen verschillende werkzaamheden zoveel mogelijk op één dag plannen hoort evenwel niet tot gevolg te hebben dat dan voor slechts één activiteit een vacatiegeld wordt toegekend.

Ten aanzien van de gevolgde procedure heeft eiser aangegeven dat hij ten onrechte niet op zijn bezwaar is gehoord. Zijn bezwaar is in eerste instantie kennelijk niet-ontvankelijk en in tweede instantie kennelijk ongegrond geoordeeld, terwijl de hele gang van zaken doet zien dat de zaak aan de zijde van verweerder niet duidelijk was; verweerder spreekt in dit verband zelf van "onontgonnen terrein".

Ten slotte heeft eiser verzocht om finale geschilbeslechting door de rechtbank in die zin dat in de uitspraak wordt bepaald waarop eiser rechtens aanspraak kan maken.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

Hij stelt zich, samengevat, op het standpunt dat op een dag waarop meerdere activiteiten plaatsvinden op grond van de geldende anti-cumulatiebepaling slechts eenmaal mag worden gedeclareerd naar het hoogstgeldende vacatiegeld.

5. Ingevolge het eerste lid, onderdelen k en l, van de Penitentiaire beginselenwet (verder: Pbw) wordt verstaan onder:

k. commissie van toezicht: een commissie als bedoeld in artikel 7, eerste lid;

l. beklagcommissie: een commissie als bedoeld in artikel 62, eerste lid.

Artikel 7, eerste lid, van de Pbw bepaalt dat bij elke inrichting dan wel afdeling door Onze Minister een commissie van toezicht wordt ingesteld.

Artikel 7, tweede lid, van de Pbw omschrijft de taken van de commissie van toezicht als volgt:

a. toezicht te houden op de wijze van tenuitvoerlegging van de vrijheidsbeneming in de inrichting of afdeling;

b. kennis te nemen van door de gedetineerden naar voren gebrachte grieven;

c. zorg te dragen voor de behandeling van klaagschriften ingevolge het bepaalde in hoofdstuk XI;

d. aan Onze Minister, de Raad en de directeur advies en inlichtingen te geven omtrent het onder a. gestelde.

Artikel 7, derde lid, van de Pbw bepaalt dat de commissie van toezicht zich door persoonlijk contact met de gedetineerden regelmatig op de hoogte stelt van onder hen levende wensen en gevoelens. Bij toerbeurt treedt één van haar leden hiertoe op als maandcommissaris.

Krachtens artikel 7, vierde lid, van de Pbw worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld over de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze van de commissie, de benoeming en het ontslag van haar leden alsmede over de werkzaamheden van de maandcommissaris.

Artikel 62, eerste lid, van de Pbw bepaalt dat het klaagschrift wordt behandeld door een door de commissie van toezicht benoemde beklagcommissie, bestaande uit drie leden, die wordt bijgestaan door een secretaris.

Artikel 16 van de Penitentiaire maatregel (Stb. 1998, 111, sedertdien gewijzigd) bevat bepalingen over de vergaderingen van de commissie van toezicht.

Artikel 17 regelt de werkzaamheden van de maandcommissaris.

Artikel 18 regelt de werkzaamheden van de beklagcommissie, waarvan bij voorkeur een met rechtspraak belast lid van de rechterlijke macht de zittingen voorzit.

Artikel 20, eerste lid, bepaalt dat de kosten van de commissie van toezicht door de Staat worden gedragen.

Artikel 20, tweede lid, bepaalt dat de leden van de commissie van toezicht een vergoeding van reis- en verblijfkosten en een vacatiegeld genieten met betrekking tot hun werkzaamheden overeenkomstig de bepalingen welke te dien aanzien voor de burgerlijke rijksambtenaren zijn vastgesteld.

De Penitentiaire beginselenwet en de Penitentiaire maatregel zijn met ingang van 1 januari 1999 in werking getreden (KB van 9 november 1998, Stb. 623).

De aanspraken van de leden als bedoeld in artikel 20, tweede lid, waren tot 13 februari 2009 geregeld in het Vacatiegeldenbesluit 1988 (Stb. 205). Op evengenoemde datum zijn de Wet en het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies in werking getreden en is het Vacatiegeldenbesluit 1988 ingetrokken.

In artikel 1, eerste lid, van het Vacatiegeldenbesluit 1988 is bepaald, voor zover thans van belang, dat aan de leden van een ingestelde commissie voor het bijwonen van een vergadering hetzij van de commissie zelf, hetzij van een van haar subcommissies, een vacatiegeld kan worden toegekend. Twee of meer vergaderingen op dezelfde dag gelden als één vergadering.

In het tweede lid is bepaald dat het vacatiegeld wordt vastgesteld bij beschikking van Onze Minister onder wiens ministerie de commissie ressorteert.

Tegelijk met het Vacatiegeldenbesluit 1988 is in werking getreden de Regeling maximumbedragen vacatiegeld van 20 mei 1988 (Stcrt. 1988, 98). Deze regeling is sedertdien enkele malen aangepast naar aanleiding van de prijsontwikkeling.

In artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies (Stb. 2008, 495) (verder: de Wet) kan bij besluit van Onze Minister een vergoeding per vergadering of een vaste vergoeding per maand worden toegekend aan de leden, met inbegrip van de voorzitter, van een adviescollege onderscheidenlijk een commissie.

Ingevolge het vierde lid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels vastgesteld met betrekking tot de vergoedingen, bedoeld in het eerste lid.

In artikel 2 van het Besluit vergoedingen adviescolleges en commissies (Stb. 2009, 50) (verder: het Besluit) zijn bepalingen opgenomen over de maximering van de vergoeding per vergadering, bedoeld in het eerste lid van de Wet.

Artikel 3 van het Besluit luidt als volgt:

Voor de toepassing van artikel 2 wordt als een vergadering beschouwd:

a. een vergadering van een adviescollege of een commissie;

b. een vergadering van een uit een adviescollege of een commissie samengestelde commissie onderscheidenlijk subcommissie;

c. een vergadering van een gemengde commissie als bedoeld in artikel 23, derde lid, van de Kaderwet adviescolleges;

d. twee of meer vergaderingen die op dezelfde dag vallen.

De Wet en het Besluit zijn met ingang van 13 februari 2009 in werking getreden (Stb. 2009, 51).

Verweerders ambtsvoorganger heeft bij circulaire van 10 januari 2001 (en opnieuw bij besluit van 30 juni 2005) met ingang van 1 juli 2005 voor het (toenmalige) ministerie van Justitie de volgende vaste bedragen aan vacatiegeld vastgesteld:

Tabel 1

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1 Verweerder heeft in zijn brief van 10 december 2010 erkend dat het primaire besluit van 6 juli 2010 onbevoegd is genomen. Door de directeur SSC Noordwest (team crediteuren) is eenzijdig, zonder overleg met eiser als declarant, zijn declaratie gewijzigd. De geldende mandaatregeling voor genoemde functionaris voorziet niet in een bevoegdheid daartoe. De betrokken functionaris had met eiser contact dienen op te nemen over de zijns inziens onjuiste declaratie.

Niettemin heeft verweerder in bezwaar het primaire besluit niet herroepen noch het onbevoegd genomen besluit voor zijn rekening genomen. Dat betekent dat reeds op deze grond het beroep gegrond moet worden verklaard.

6.2 Voorts is eiser niet op zijn bezwaar gehoord. Blijkens verweerders besluit van

14 januari 2011 heeft hij geen aanleiding gezien op (de rechtbank leest: van) de inhoud van het primaire besluit terug te komen. Verweerder heeft daarom het bezwaar kennelijk ongegrond geacht.

Naar algemene rechtsopvatting is het horen in bezwaar een essentieel element in de bezwaarprocedure, waarvan slechts kan worden afgezien op een van de in artikel 7:3 van de Awb genoemde gronden. De rechtbank acht geen van deze gronden hier van toepassing. Eiser heeft niet aangegeven een (ambtelijke) hoorzitting niet op prijs te stellen en de materie is, zoals uit verweerders besluitvorming ook blijkt, dermate gecompliceerd dat van een kennelijk ongegrond bezwaar geen sprake kon zijn. Ook om deze reden moet het beroep gegrond worden verklaard.

7. De rechtbank komt thans tot een inhoudelijke beoordeling van de materie. Daarbij zal zowel worden geoordeeld over eisers declaratie van 30 juni 2010 als over de hier geldende aanspraken in het algemeen, aangezien de rechtbank met eiser een meer definitieve geschilbeslechting in de zin van vaststelling van de aanspraken die eiser rechtens toekomen aangewezen acht.

7.1 Uit de bestudering van de voorgeschiedenis van de huidige wettelijke regeling van het vacatiegeld is de rechtbank het volgende gebleken.

De eerste regeling van deze materie heeft plaatsgevonden bij Koninklijk besluit (verder: KB) van 19 december 1918 (Stb. No. 804A). Artikel 1 van dat KB luidt als volgt:

"Aan de leden van bij eene wet, Koninklijk besluit of ministeriële beschikking ingestelde commissiën wordt, tenzij bij de wet anders is bepaald, voor elke vergadering, hetzij van de volle commissie of van een harer sub-commissiën, die zij bijwonen, een vacatiegeld verleend van f 8. Twee of meer vergaderingen op denzelfden dag gelden voor ééne vergadering."

Dit KB is met ingang van 1 januari 1919 in werking getreden.

Het KB is in 1919 en 1921 op enkele thans niet relevante onderdelen gewijzigd.

Bij Koninklijk besluit van 29 december 1929 (Stb. No. 1452) is een nieuw vacatiegeldenbesluit vastgesteld. Artikel 1 van dat KB bevat een vrijwel gelijkluidend artikel 1, waarin evenwel de imperatieve verplichting is gewijzigd in een kan-bepaling en het bedrag van f 8 als een maximum geldt. De slotzin van artikel 1 is ongewijzigd opgenomen.

Bij Koninklijk besluit van 4 december 1970 (Stb. 577) is het Vacatiegeldenbesluit 1970 vastgesteld. Artikel 1, eerste lid, van dat KB luidt als volgt:

"Aan de leden van een bij of krachtens een wet, bij een Koninklijk besluit of bij een ministeriële beschikking ingestelde commissie, aan haar secretarissen en adjunct-secretarissen, alsmede aan de deskundigen die aan de werkzaamheden van de commissie deelnemen, kan voor het bijwonen van een vergadering hetzij van de commissie zelf, hetzij van een van haar subcommissies, een vacatiegeld worden toegekend. Twee of meer vergaderingen op dezelfde dag gelden als één vergadering."

In artikel 4 is bepaald dat het Vacatiegeldenbesluit (Koninklijk besluit van 29 december 1929, Stb. No. 1452) vervalt.

Bij Koninklijk besluit van 18 april 1988 (Stb. 205) is het Vacatiegeldenbesluit 1988 vastgesteld. Dat nieuwe besluit was blijkens de Nota van toelichting ingegeven door de wens van deregulering en vereenvoudiging.

Artikel 1, eerste lid, van dat KB is volledig gelijkluidend aan hetzelfde artikellid van het Vacatiegeldenbesluit 1970.

Bij artikel 4, eerste lid, wordt het Vacatiegeldenbesluit 1970 ingetrokken.

Het Vacatiegeldenbesluit 1988 is in werking getreden met ingang van 18 mei 1988.

Bij wet van 13 november 2008 (Stb. 495) is tot stand gebracht de Wet vergoedingen adviescolleges en commissies. Deze Wet is met ingang van 13 februari 2009 in werking getreden (Stb. 2009, 51).

De relevante bepalingen van evengenoemde Wet en van het daarop gebaseerde Besluit en van de uitvoeringsregeling van verweerder zijn opgenomen in het wettelijk kader van deze uitspraak.

7.2 Het hier opgenomen historische overzicht van vacatiegeldbepalingen doet zien dat vanaf de eerste formele regeling van het vacatiegeld de bepaling is opgenomen dat twee of meer vergaderingen van een adviesorgaan of commissie of van een subcommissie daarvan op dezelfde dag als één vergadering gelden (verder: anti-cumulatiebepaling). De rechtbank leidt daaruit de bedoeling van de wet- en regelgever af om te komen tot een beperking van vacatiegeldbetalingen, wellicht mede in de aanname dat met plenaire vergaderingen van een adviesorgaan of commissie in de praktijk op dezelfde dag veelal vergaderingen van subcommissies daaruit worden gecombineerd, omdat de leden van die subcommissies immers toch al in de plaats van samenkomst aanwezig zijn.

8. In de hier aangehaalde vacatiegeldbepalingen is steeds sprake van vergaderingen van een adviesorgaan, commissie of subcommissie. Dat roept de vraag op of een optreden als maandcommissaris en het zitting houden als beklagrechter (voorzitter van de beklag-commissie of enkelvoudig zittend) kunnen worden aangemerkt als een (tweede) vergadering (op dezelfde dag) in de zin van de vacatiegeldbepalingen.

8.1 Het optreden als maandcommissaris en het houden van spreekuur in die hoedanigheid behoren tot de eigen taken van de commissie van toezicht (artikel 7, tweede lid, onder a en b, van de Pbw). Daartoe treedt bij toerbeurt één van haar leden als maandcommissaris op (artikel 7, derde lid, van de Pbw).

Het voorzitten van een beklagzitting daarentegen is geen eigen taak van de commissie van toezicht; zij heeft alleen zorg te dragen voor de behandeling van klaagschriften ingevolge het bepaalde in hoofdstuk XI (Beklag) van de Pbw (artikel 7, tweede lid, onder c, van de Pbw). Deze taak kan dus worden belegd bij een niet-lid van een commissie van toezicht. Blijkens artikel 18 van de Penitentiaire maatregel gaat het hier om een met rechtspraak vergelijkbare activiteit, zodat bij voorkeur een rechter de zittingen van de beklagcommissie voorzit dan wel enkelvoudig zitting heeft. De voorzitter van de beklagcommissie heeft verscheidene processuele bevoegdheden, hij bepaalt de wijze waarop het beklag wordt behandeld (enkelvoudig of meervoudig), kan mondeling uitspraak doen en ondertekent de uitspraak op het beklag, hij kan voorts aan de klager een tegemoetkoming of schadevergoeding toekennen (artikel 62 e.v. van de Pbw). De beklagcommissie wordt door de commissie van toezicht benoemd (artikel 62, eerste lid, van de Pbw).

8.2 De rechtbank acht dit onderscheid relevant voor de vaststelling van de aanspraken van eiser op vergoeding voor zijn onderscheiden activiteiten. Het optreden als maandcommissaris wordt vervuld uit en door leden van de commissie van toezicht zelf, de beklagcommissie wordt door, maar niet noodzakelijk ook uit de commissie van toezicht benoemd. Indien een rechter, niet zijnde lid van de commissie van toezicht, als lid en voorzitter van een beklagcommissie zou worden benoemd, zou deze volgens de thans geldende circulaire van verweerder, die is gebaseerd op de Wet en het Besluit, aanspraak hebben op een vacatiegeld van € 175,50 per zitting als activiteit van categorie B (rechtspraak/toetsing). Niet valt in te zien dat eiser, nu hij wel tevens lid is van de commissie van toezicht, op deze vergoeding geen recht zou hebben, indien de beklagcommissie die hij voorzit dan wel hij zelf enkelvoudig op dezelfde dag zitting houdt als de commissie van toezicht (waarvan hij tevens lid is) vergadert. Dat de functie van voorzitter van een beklagcommissie in de praktijk mogelijk alleen in een personele unie met tot de rechterlijke macht behorende leden van een commissie van toezicht wordt uitgeoefend maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet anders.

Het optreden als voorzitter van een beklagcommissie door een rechter die tevens lid is van een commissie van toezicht kan om deze reden niet worden aangemerkt als een (tweede) vergadering (op dezelfde dag). De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat, bij gebreke van een duidelijke definitie van het begrip "vergadering" in de wet- en regelgeving betreffende vacatiegelden, uitgegaan zou moeten worden van de betekenis van dat begrip in het woordenboek. Deze benadering leidt ertoe dat ook een beklagzitting onder het begrip "vergadering" valt, aldus verweerder. Deze uitkomst vindt geen steun in Van Dale online, waarin "vergadering" wordt omschreven als: georganiseerde bijeenkomst van drie of meer personen voor bespreking en overleg. Het begrip "zitting" wordt daarbij slechts als betekenisverwante term genoemd, niet als synoniem, maar als hyponiem. De anti-cumulatiebepaling is in deze situatie dus niet van toepassing. Ook als om redenen van efficiency wordt gekozen voor een combinatie van deze beide activiteiten op eenzelfde dag, heeft eiser voor dergelijke dagen naar de huidige bedragen aanspraak op twee vergoedingen, namelijk

- € 88,-- vacatiegeld als lid van de commissie van toezicht; en

- € 175,50 vacatiegeld als (enkelvoudig zittend) voorzitter van de beklagcommissie.

Hoewel, voor zover de rechtbank kan overzien, de in dit kader relevante bepalingen van de Penitentiaire beginselenwet en de Penitentiaire maatregel sedert de inwerkingtreding daarvan niet zijn gewijzigd, acht de rechtbank het redelijk en billijk dat aan de evengenoemde vaststelling van de aanspraak van eiser slechts terugwerkende kracht wordt verleend tot het moment waarop hij de hoogte van zijn aanspraak voor het eerst bij verweerder of diens ambtsvoorganger aan de orde heeft gesteld.

8.3 De rechtbank tekent bij het voorgaande aan dat zij het bestaan van een rechtsprekend adviescollege als een contradictio in terminis ervaart, terwijl niettemin voor deze figuur plaats is ingeruimd bij de vaststelling van vacatiegeldbedragen voor het (toenmalige) ministerie van Justitie. Niet duidelijk is of daarbij ook is gedacht aan andere dan de thans in geding zijnde beklagcommissie. In het geval van een - thans veel voorkomende - personele unie van een lid van een commissie van toezicht tevens voorzitter beklagcommissie doet zich ten aanzien van de aan deze functionaris toekomende aanspraak op vacatiegeld het hier besproken probleem voor. Ten aanzien van een "los benoemde" voorzitter beklagcommissie kan in redelijkheid, gelet op de aard van de werkzaamheden, geen ander vacatiegeld van kracht zijn dan het (thans geldende) bedrag van € 175,50 volgens categorie B (rechtspraak/toetsend). Verweerder gaat ten aanzien van eiser ook uit van dit bedrag als hoogstgeldend te declareren bedrag bij samenval op eenzelfde dag van een beklagzitting en een vergadering van de commissie van toezicht.

8.4 Anders ligt het ten aanzien van het optreden als maandcommissaris en het houden van spreekuur in die hoedanigheid. Aangezien deze activiteit uit en door de commissie van toezicht zelf wordt verricht, geldt hiervoor wel de anti-cumulatiebepaling. Deze activiteit, verricht op een dag waarop ook een vergadering van de commissie van toezicht plaatsvindt, leidt daarom voor eiser, onder toepassing van de anti-cumulatiebepaling, niet tot een extra aanspraak boven het vacatiegeld van thans € 88,--.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, nu eiser, gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, geen rechtens relevante kosten heeft gemaakt.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

herroept het primaire besluit, voor zover daarbij op eisers declaratie van 30 juni 2010 een bedrag van twee maal € 88,-- in mindering is gebracht;

bepaalt dat verweerder op eisers declaratie van 30 juni 2010 een bedrag van € 176,-- aan eiser nabetaalt;

bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, zijnde € 152,--, zal vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.H.B. Sentrop, rechter, in aanwezigheid van

J. Dijkhuizen, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.