Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW4235

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-03-2012
Datum publicatie
27-04-2012
Zaaknummer
Awb 11/26673
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De ongeloofwaardig beoordeelde bekering tot het christendom in Iran rust in hoofdzaak op de overweging dat de afgelegde verklaringen omtrent het bekeringsproces onvoldoende overtuigend zijn. Daartegenover staat onder meer de verklaring van de scriba van de Protestantse Kerk in Nederland, waarin deze - na een persoonlijk onderhoud - gemotiveerd aangeeft dat betrokkene naar diens eerlijke indruk, een oprecht christen is en diens geloof ook aantoonbaar praktiseert. Geen grond bestaat om de professionele deskundigheid van de scriba terzake van de beoordeling van de oprechtheid van een protestante geloofsover¬tuiging in twijfel te trekken. Daarnaast biedt ook de rapportage van de Medische Onderzoeksgroep van Amnesty International in ieder geval medisch steunbewijs voor de verklaringen omtrent de met de ongeloofwaardig geachte bekering samenhangende, eveneens ongeloofwaardig beoordeelde, detentie en martelingen.

Niet is gebleken dat de bij de besluitvorming betrokken medewerkers van de IND terzake van het hebben van een christelijke geloofsovertuiging over specifieke deskundigheid beschikken. Daarnaast zijn de verklaringen niet beoordeeld naar de specifieke situatie van huiskerken in Iran, maar veeleer naar hetgeen binnen het (Nederlandse) christendom gebruikelijk is.

Het besluit ontbeert daarmee de vereiste zorgvuldigheid en ligt aan het besluit een onvoldoende dragende motivering ten grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Enkelvoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 11/26673

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiser],

geboren op [geboortedatum],

van Iraanse nationaliteit,

IND dossiernummer 1101.26.1186, eiser,

gemachtigde F.W. Verbaas, advocaat te Alkmaar;

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

voorheen: de minister voor Immigratie en Asiel,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. M. Buijsman,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1 Procesverloop

Op 12 februari 2011 heeft eiser een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 3 augustus 2011 heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Bij brief van 16 augustus 2011 is daartegen beroep ingesteld. Bij brief van 5 september 2011 is het beroep voorzien van gronden. Op 12 september 2011, 28 oktober 2011 25 november 2011 en 8 februari 2010 zijn nadere stukken ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is ter zitting van 23 februari 2012 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2 Overwegingen

2.1 Blijkens de gronden van beroep en het verhandelde ter zitting is het geschil beperkt tot de vraag of de weigering om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, ben en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) te verlenen, in stand kan blijven.

2.2 Eiser heeft verklaard dat hij van oorsprong moslim is en dat hij in 2009 via een collega in aanraking is gekomen met het christendom. In de lente van 2009 is hij door deze collega gedoopt in een protestantse huiskerk. Op 6 december 2010 is hij gearresteerd in verband met zijn betrokkenheid bij een staking bij zijn werkgever vanwege achterstallige salarisbetaling. De eerdergenoemde collega was inmiddels getrouwd met de dochter van zijn (islamitische) baas en zat hier waarschijnlijk achter. Tijdens zijn detentie is hij ondervraagd over zijn bekering. Daarbij is hij veelvuldig mishandeld en verkracht. Op 8 januari 2011 is eiser in de gelegenheid gesteld om, onder begeleiding van bewakers, de begrafenis van zijn vader bij te wonen. Eiser heeft kans gezien om met hulp van zijn broer tijdens deze druk bezochte begrafenis te ontsnappen. Vervolgens is hij naar Nederland gevlucht, waar hij zich op 13 februari 2011 opnieuw heeft laten dopen, ditmaal in een kerk door een dominee. Eisers broer is naar verluidt in Iran opgepakt omdat hij op verzoek van eiser diens shenasnameh en de overlijdensakte van zijn vader naar Nederland heeft verzonden.

2.3 Verweerder heeft in het bestreden besluit allereerst het bepaalde in artikel 31, tweede

lid, aanhef en onder f Vw 2000 tegengeworpen, onder meer omdat eiser toerekenbaar geen gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen kan afleggen over zijn reis. In hetgeen eiser terzake in beroep naar voren heeft gebracht, kan naar het oordeel van de rechtbank geen grond worden gevonden voor de conclusie dat verweerder daartoe niet heeft kunnen besluiten.

Voorts heeft verweerder overwogen dat eisers relaas positieve overtuigingskracht

ontbeert aangezien de gestelde bekering tot het christendom ongeloofwaardig is. Om deze reden zijn ook de daaruit voortvloeiende problemen in Iran en de bekering in Nederland ongeloofwaardig geacht. Weliswaar heeft eiser, aldus verweerder, misschien wel kennis van en inzicht in het christendom en van hetgeen hem daarin aantrekt, maar is hij er niet in geslaagd positief te overtuigen welk diepgaand innerlijk proces hij doormaakte en wat nu de emotionele doorslag gaf op het moment waarop hij emotioneel besloot zich te bekeren.

Tenslotte heeft verweerder nog overwogen dat eiser niet concreet en eenduidig heeft verklaard over de gestelde doop in Iran. Allereerst weet hij niet exact op welke datum hij is gedoopt. Daarnaast heeft hij terzake eerst verklaard dat de doop voorwaarde was om deel te mogen nemen aan de eerste kerkdienst die hij bezocht en nadien dat hij tijdens/na deze dienst op diens eigen verzoek is gedoopt. Daarbij is betrokken dat het binnen het christendom niet gebruikelijk is om iemand te laten dopen voor diens aanwezigheid bij een kerkdienst. Ook acht verweerder bevreemdend dat eisers gezinsleden er geen bezwaar tegen hadden dat eiser thuis huisdiensten organiseerde. Tenslotte heeft verweerder gesteld dat onder meer eisers verklaringen over de gebeurtenissen rond de ontsnapping tegenstrijdig, vaag en/of summier zijn.

2.4 Ten aanzien van de positieve overtuigingskracht heeft eiser allereerst aangevoerd

dat verweerder geen expertise heeft op het gebied van bekeringen tot het christendom en terzake een deskundige had dienen in te schakelen.

Voorts heeft hij, naast zijn reeds eerder overgelegde originele doopcertificaat, in beroep een tweetal verklaringen overgelegd, te weten:

-de verklaring van 24 november 2011 van de theoloog en scriba van de Protestantse Kerk Nederland, dr. A.J. Plaisier;

-de verklaring van 9 november 2011 van de pastor van de Euregio Christengemeente Aalten-Bocholt, A.J. Eichler.

Aanvullend heeft eiser nog met betrekking tot zijn bekering in Iran aangegeven dat het in Iran juist vanwege de risico’s niet bevreemdend is dat iemand die zich reeds verdiept heeft in het christendom zich aan het einde van zijn eerste kerkdienst laat dopen.

Tenslotte heeft eiser als medisch steunbewijs voor de door hem gestelde ondergane martelingen een rapportage van 24 januari 2012 van de onderzoekend arts S.F. Steenhuisen van de Medische Onderzoeksgroep van Amnesty International (hierna: MOG) overgelegd.

2.5 De rechtbank zal toetsen of grond bestaat voor het oordeel dat verweerder, gelet op

de motivering, neergelegd in het voornemen en het bestreden besluit, bezien in het licht van de verslagen van de gehouden gehoren en de daarop aangebrachte correcties en aanvullingen, in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat aan het relaas geen geloof kan worden gehecht.

2.6 Vastgesteld wordt dat de kern van eisers asielrelaas wordt gevormd door de bekering

van eiser tot het christendom. Vanwege de ongeloofwaardig beoordeelde bekering zijn ook de daaruit voortvloeiende gebeurtenissen, te weten de arrestatie, de daarop volgende detentie en martelingen en de ontsnapping, eveneens als ongeloofwaardig aangemerkt. De beoordeling van de bekering van eiser door verweerder rust in hoofdzaak op de overweging dat eisers verklaringen omtrent diens bekeringsproces onvoldoende overtuigend zijn. Aan eiser zijn terzake met name tijdens het nader gehoor, maar ook tijdens het aanvullend gehoor diverse vragen gesteld, waaronder de vraag om de betreffende contactambtenaar te overtuigen van het vuur dat hem tot zijn bekering heeft gebracht. Eiser heeft hierover uitvoerig verklaard en is daarbij verschillende malen door de contactambtenaar gemaand minder gedetailleerd te verklaren.

2.7 Tegenover de beoordeling van eisers verklaringen over diens bekeringproces door verweerder staat de in beroep door eiser overgelegde verklaring van 24 november 2011. In deze verklaring concludeert de theoloog dr. A.J. Plaisier dat eiser naar zijn eerlijke indruk een oprecht christen is. Ter toelichting wordt daartoe aangegeven dat eisers weg naar het geloof zeker niet doorsnee is, hij is een meer intellectualistisch type, maar dat zijn geloofsweg daarmee niet minder geloofwaardig is. Tenslotte is daarbij gesteld dat eiser ook aantoonbaar zijn geloof praktiseert. Dit laatste blijkt ook uit de verklaring van de pastor A.J. Eichler van 9 november 2011.

2.9 De rechtbank overweegt allereerst dat geen grond bestaat de professionele deskundigheid van dr. Plaisier terzake van de beoordeling van de oprechtheid van een protestante geloofsover¬tuiging in twijfel te trekken en wijst er voorts op dat diens verklaring is opgesteld na een persoonlijk onderhoud met eiser. Anderzijds is niet gebleken dat de bij de besluitvorming betrokken medewerkers van verweerder terzake over specifieke deskundigheid beschikken. Voorzover in de bestreden beschikking verschillende verklaringen van eiser over zijn doop als bevreemdingwekkend zijn beoordeeld, wordt vastgesteld dat deze beoordeling blijkens het besluit niet is gerelateerd aan de specifieke situatie van huiskerken in Iran, maar veeleer op hetgeen binnen het (Nederlandse) christendom gebruikelijk is. Daarbij wordt opgemerkt dat, anders dan in het voornemen gesteld, eiser in het nader gehoor niet heeft verklaard dat hij voorafgaand aan zijn eerste bezoek aan een kerkdienst moest worden gedoopt.

2.10 Aanvullend wijst de rechtbank nog op de overgelegde MOG-rapportage van 24 januari 2012, waaruit blijkt dat het patroon van martelingen dat eiser in het nader gehoor heeft beschreven, overeenkomt met de ervaringen zoals die bij Amnesty International over Iran bekend zijn. Daarnaast zijn de lichamelijke klachten en symptomen en het PTSS van eiser naar het medisch oordeel van de onderzoeker zeer consistent. Hoewel deze medische rapportage niet expliciet aangeeft dat eisers medische klachten enkel door de beschreven martelingen kunnen zijn ontstaan, biedt deze medische rapportage in ieder geval medisch steunbewijs voor eisers verklaringen omtrent de met de ongeloofwaardig geachte bekering samenhangende, eveneens ongeloofwaardig beoordeelde, detentie en martelingen.

2.11 Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel de conclusie dat

verweerder zonder nadere motivering niet in redelijkheid het standpunt kan handhaven dat aan de essentie van het relaas van eiser, namelijk diens bekering tot het christendom, geen geloof wordt gehecht. Het besluit ontbeert daarmee naar het oordeel van de rechtbank de vereiste zorgvuldigheid en ligt aan het besluit een onvoldoende dragende motivering ten grondslag.

2.12 Het bestreden besluit zal wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak.

2.13 Er bestaat aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de zaak redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaald op € 874,-- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 437,--; wegingsfactor 1).

3 Beslissing

De rechtbank verklaart

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het besluit van 3 augustus 2011;

-bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvraag dient te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874, te voldoen aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.R. Schimmel, als rechter, en door deze en

mr. H.P. Kallenbach als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing