Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW4164

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-04-2012
Datum publicatie
26-04-2012
Zaaknummer
393409 / HA ZA 11-1394 en 396364 / HA ZA 11-1766
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verhaal op borg resp. pandgever voor openstaande facturen. Derde pandhouder heeft geen inningsbevoegdheid. Pandgever hoeft evenmin rekening en verantwoording af te leggen aan de derde pandhouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

Vonnis van 18 april 2012

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: 393409 / HA ZA 11-1394 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B.L.C. TECHNISCHE INSTALLATIES UDEN B.V.,

gevestigd te Uden,

eiseres,

advocaat mr. R. van Noord te Ridderkerk,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[A] BEHEER B.V.,

gevestigd te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. W.P. den Hertog te 's-Gravenhage,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer 396364 / HA ZA 11-1766 van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

B.L.C. TECHNISCHE INSTALLATIES UDEN B.V.,

gevestigd te Uden,

eiseres,

advocaat mr. R. van Noord te Ridderkerk,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

OOSTERLEE ONTWIKKELING B.V.,

gevestigd te Katwijk, Zuid-Holland,

gedaagde,

advocaat mr. W.P. den Hertog te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna BLC, [A Beheer] en Oosterlee Ontwikkeling genoemd worden.

1.De procedure in de zaak 11-1394

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis in incident van 27 juli 2011, waarbij deze zaak is gevoegd bij de zaak 11-1766;

- de conclusie van antwoord van [A Beheer] met 13 producties;

- het tussenvonnis van 21 september 2011, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het door BLC op 13 april 2011 ten laste van [A Beheer] gelegde conservatoir derdenbeslag onder Sanitred Jansen B.V., Oosterlee Holding B.V., 't Vliethof B.V., Cleos B.V., Oosterlee Ontwikkeling, Wena B.V. en Hoge Rijndijk B.V.

1.2.Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De procedure in de zaak 11-1766

2.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis in incident van 27 juli 2011, waarbij de vordering tot voeging van deze zaak met de zaak 11-1394 is afgewezen;

- de conclusie van antwoord van Oosterlee Ontwikkeling, met 13 producties;

- het tussenvonnis van 26 oktober 2011, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

- het door BLC op 17 mei 2011 ten laste van Oosterlee Ontwikkeling gelegde conservatoir derdenbeslag onder de Rabobank.

2.2.Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

3.De feiten

in beide zaken

3.1.Op 8 december 2007 hebben BLC en Bouwbureau Oosterlee een overeenkomst gesloten, waarbij Bouwbureau Oosterlee een aantal (loodgieters)werkzaamheden heeft opgedragen aan BLC met betrekking tot een werk aangeduid als "15 appartementen Furore Stationsweg te Hillegom".

3.2.Bij e-mail van 29 oktober 2010 heeft de heer [A] [hierna: [A]], directeur van [A Beheer], onder meer het volgende geschreven aan de heer [B] [hierna: [ B]], directeur van BLC:

"beste [naam], ik ben ten einde raad, wil je even kijken naar onderstaand overzicht waaruit blijkt dat het allemaal minder erg is dan het lijkt. (...)

BLC stand van zaken 29 oktober 2010

(...)

minderwerken e.d.

CTS vlgs ovk € 29.750,00

overige vlgs ovk € 9.200,00

minderprijs kees € 2.000,00

niet lev. Bev netten € 7.200,00 wel opgenomen in de meerwerkopgave van 20-01-2008

geen teck app 15 € 2.091,00

fact. Leiderdorp € 946,00

app 14 casco € 15.000,00 pm nog geen opgave ontvangen

eigen risico halfweg € 2.975,00

totaal ca. minder € 69.162,00

(...)"

3.3.Bij vonnis van deze rechtbank van 31 maart 2011 is Bouwbureau Oosterlee, een dochtervennootschap van [A Beheer], in staat van faillissement verklaard. Mr. W.J.B. Nielen is tot curator [hierna: de curator] benoemd.

3.4.Bij e-mail van 4 april 2011 heeft de curator aan BLC laten weten, dat haar vordering op Bouwbureau Oosterlee voor een bedrag van € 176.816,33 ter verificatie op de lijst van voorlopig erkende crediteuren is geplaatst.

in de zaak 11-1394

3.5.Op 18 december 2008 hebben BLC en [A Beheer] een schriftelijke overeenkomst gesloten, waarbij [A Beheer] zich voor onbepaalde tijd tegenover BLC heeft verbonden als borg (en hoofdelijk mededebiteur) voor al hetgeen BLC van Bouwbureau Oosterlee te vorderden heeft of zal krijgen, tot een maximum van € 200.000,-.

in de zaak 11-1766

3.6.Bij notariële akte van 1 april 2010 hebben BLC en Oosterlee Ontwikkeling, een dochtervennootschap van [A Beheer], een overeenkomst genaamd "verpanding" gesloten [hierna: de pandakte], waarbij Oosterlee Ontwikkeling aan BLC tot meerdere zekerheid van de schulden van Bouwbureau Oosterlee aan BLC heeft verpandt "alle voorwaardelijke en onvoorwaardelijke, bestaande en toekomstige vorderingen voortvloeiende uit het door de pandgever aangehouden saldo op de door de pandgever bij de Coöperatieve Rabobank Katwijk U.A. [hierna: de Rabobank] aangehouden bankrekening onder nummer [nummer] (...), tot een maximum bedrag van driehonderdvijftigduizend euro."

3.7.In de pandakte is onder meer bepaald dat Oosterlee Ontwikkeling tenminste een saldo van € 350.000,- dient aan te houden op de bankrekening. Dit saldo dient tevens tot zekerheid voor de door de Rabobank afgeven bankgaranties ten behoeve van Woningborg. Daarnaast is het saldo verpand aan de besloten vennootschap Mulder Betonbouw B.V. [hierna: Mulder Betonbouw] te Bodegraven.

3.8Bij e-mail van 27 augustus 2010 heeft de Rabobank aan BLC onder meer het volgende meegedeeld:

"Ik ontving zojuist uw bericht dat de voorlaatste pandhouder Mulder geheel is voldaan; de bank accepteert uw verpanding van rekening [nummer] ten name van Oosterlee Ontwikkeling BV. Uw rechten beperken zich tot maximaal het saldo van deze rekening op dit moment."

3.9.Bij brief van 29 april 2011 heeft de advocaat van BLC aan Oosterlee Ontwikkeling onder meer het volgende bericht:

"Het is u bekend, dat ik handel in opdracht van B.L.C. Technische Installaties Uden B.V. (...).

Notarieel bent u d.d. 1 april 2010 met mijn cliënte een recht van verpanding aangegaan. Dit.

betreft uw bankrekening hij de Coöperatieve Rabobank Katwijk onder nummer

[nummer] tot een maximum bedrag van € 350.000,--. U bent ook verplicht op die

bankrekening ten minste een saldo aan te houden van € 350.000,--. De schuldenaar

Bouwbureau Oosterlee B.V., gevestigd en kantoorhoudende op uw adres verkeert zoals

bekend in staat van faillissement.

Cliënte heeft opeisbaar van de schuldenaar te vorderen € 176.816,33 nog te vermeerderen met rente en kosten.

Deze Rabobank heeft de verpanding geaccepteerd. De Rabobank heeft het eerste recht van

verpanding.

BLC eist het aan haar verpande saldo direct op.

Wilt u mij per omgaande op de hoogte stellen van het aan deze Rabobank verpande

verschuldigde bedrag. Het restant komt aan mijn cliënte toe.

Wilt u mij ten slotte op de hoogte stellen van het saldo per 27 augustus 2010."

3.10.Bij brief van 9 mei 2011 heeft de advocaat van BLC aan Oosterlee Ontwikkeling onder meer het volgende meegedeeld:

"Op mijn aan u zowel per aangetekende als per gewone post verzonden brief d.d. 29 april 2011 heeft u niet gereageerd.

Ik verzoek u en sommeer u voor zover nog nodig om binnen 2 dagen na heden:

1.

opgave te doen van het aan de RABO bank verpande verschuldigde bedrag op deze rekening;

2.

het restant verpande saldo vrij te geven en te storten op Postbank / ING bank [nummer] dan

wel RABO Bank [nummer] onder vermelding van mijn dossier nummer;

3.

opgave te doen van het saldo op 27 augustus 2010.

Ik acht mij vrij vanaf 12 mei 2011."

3.11.In reactie hierop heeft Oosterlee Ontwikkeling aan BLC bij brief van 12 mei 2011 het volgende meegedeeld:

"Wij ontvingen uw schrijven van 9 mei. Ik wil u er op attent maken dat wij niet kunnen voldoen aan uw verzoek omdat wij niet kunnen beschikken over de gelden op de geblokkeerde rekening bij de Rabobank. Hier zijn, zoals bekend bij BLC, bankgaranties voor afgegeven aan Woningborg."

4.Het geschil

in de zaak 11-1394

4.1.BLC vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [A Beheer] veroordeelt tot betaling aan haar van € 176.816,33, te vermeerden met de wettelijke handelsrente vanaf 5 april 2011, althans vanaf de dag van dagvaarding, en te vermeerderen met de kosten van de conservatoire beslagen van € 1.183,91, de informatiekosten handelsregister van € 77,-, het griffierecht van € 568,-, de nakosten zonder betekening van

€ 131,- en met betekening van € 199,- en [A Beheer] veroordeelt in de kosten van de procedure.

4.2.Aan deze vordering legt BLC, samengevat, ten grondslag dat [A Beheer] als borg dient op te komen voor de schuld van Bouwbureau Oosterlee aan BLC van

€ 176.816,33. [A Beheer] is echter in gebreke gebleven.

4.3.[A Beheer] voert gemotiveerd verweer.

in de zaak 11-1766

4.4.BLC vordert, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Oosterlee Ontwikkeling veroordeelt:

Itot betaling aan haar van € 176.816,33, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 11 mei 2011, althans vanaf de dag van dagvaarding, en te vermeerderen met de kosten van de conservatoire beslagen van € 224,55, de informatiekosten handelsregister van € 11,-, het griffierecht van € 568,-, de nakosten zonder betekening van € 131,- en met betekening van € 199,-;

IIom gespecificeerd opgave te doen van "de aan de RABO bank verpande bankgaranties aan Woningborg verschuldigde bedragen op deze rekening, alsmede opgave te doen van het saldo op 27 augustus 2010";

IIIin de kosten van de procedure, te vermeerderen met de handelsrente daarover vanaf 14 dagen na datum vonnis.

4.5.Aan deze vordering legt BLC, samengevat, ten grondslag dat zij bij Oosterlee Ontwikkeling aanspraak heeft gemaakt op vrijgave aan BLC van het per 27 augustus 2010 resterende saldo van de bankrekening van Oosterlee Ontwikkeling bij de Rabobank, waarop het pandrecht van BLC rust. Oosterlee Ontwikkeling is op dit punt in gebreke gebleven. Daarnaast weigert Oosterlee Ontwikkeling informatie te verstrekken over de hoogte van dit saldo en over de door de Rabobank aan Woningborg afgegeven bankgaranties.

4.6.Oosterlee Ontwikkeling voert gemotiveerd verweer.

5.De beoordeling

in de zaak 11-1394

5.1.[A Beheer] betwist op zichzelf niet dat zij als gevolg van het faillissement van Bouwbureau Oosterlee op grond van borgtocht is gehouden aan BLC te voldoen wat BLC van Bouwbureau Oosterlee te vorderen heeft. Zij stelt zich echter op het standpunt dat de vordering van BLC op Bouwbureau Oosterlee geheel wordt gecompenseerd door een tegenvordering op BLC. Derhalve zullen eerst die tegenvorderingen worden beoordeeld.

Voorop staat dat ingevolge artikel 7:852 lid 1 BW [A Beheer] als borg alle verweermiddelen kan inroepen die (de curator van) Bouwbureau Oosterlee jegens BLC heeft, indien zij het bestaan, de inhoud of het tijdstip van de nakoming van de verbintenis van Bouwbureau Oosterlee betreffen.

5.2.Allereerst houdt partijen verdeeld tot welk bedrag de bij de facturen aan Bouwbureau Oosterlee in rekening gebrachte bedragen met betrekking tot het onder 3.1 bedoelde werk onbetaald zijn gebleven. BLC stelt dat, gelet op de door haar van de curator ontvangen facturen, nog een bedrag van € 176.816,33 openstaat, terwijl [A Beheer] zich op het standpunt stelt dat het een bedrag van € 163.884,- betreft, bij comparitie door haar gecorrigeerd in een bedrag van € 166.884,-. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

Tussen de ten bewijze van haar stelling in het geding gebrachte facturen bevindt zich (bij productie 5) een door Bouwbureau Oosterlee niet in haar overzicht vermelde factuur van 22 juni 2010, aangeduid als 11e termijn, voor een bedrag van € 26.465,-. Nu deze post ontbreekt in de (in conclusie van antwoord gegeven) opsomming van haar berekening gaat de rechtbank uit van de juistheid van het door BLC gevorderde bedrag van € 176.816,33.

5.3.[A Beheer] voert voorts het volgende aan. Volgens de tussen BLC en Bouwbureau Oosterlee overeengekomen betalingscondities dient elke factuur te zijn voorzien van een voor akkoord getekende "uitvoerdersbon". Aangezien deze bonnen in elk geval ontbreken bij de facturen van BLC van resp. 7 en 17 december 2010 zijn deze bedragen volgens haar niet opeisbaar, nu enige controle of de desbetreffende werkzaamheden al dan niet zijn verricht, ontbreekt. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

Ter comparitie is door BLC de voorlaatste uitvoerdersbon van 7 december 2010 getoond, waaruit viel op te maken dat deze was getekend door Bouwbureau Oosterlee. Nu deze ondertekening niet is betwist, gaat het verweer van [A Beheer] op dit punt niet op, zodat het daarbij in rekening gebrachte bedrag verschuldigd is.

5.4.De vraag resteert dus of BLC aanspraak kan maken op betaling van de laatste factuur van 17 december 2010. Door BLC is ter comparitie naar voren gebracht dat zij een e-mail met opleverpunten heeft ontvangen welke door haar zijn opgelost en dat zij het werk voor de kerst heeft opgeleverd. Dit is door [A Beheer] betwist onder verwijzing naar een door haar in het geding gebrachte lijst met opleveringsgebreken, gedateerd 29 augustus 2011.

Ingevolge artikel 7:758 lid 1 BW dient een opdrachtgever binnen een redelijke termijn na de gereedmelding door de aannemer het werk te keuren en eventueel te protesteren tegen een gebrekkige oplevering. Gebeurt dat niet dan wordt de opdrachtgever geacht het werk stilzwijgend te hebben aanvaard en is het werk als opgeleverd te beschouwen. Nu de door [A Beheer] in het geding gebrachte uitdraai van opleveringsgebreken volgens haar mededeling ter comparitie niet eerder dan in deze procedure ter kennis is gebracht van BLC, kan deze klacht niet geacht worden te zijn gedaan binnen de door wet gestelde redelijke termijn - immers eerst na acht maanden - zodat het werk als opgeleverd dient te worden beschouwd.

Het voorgaande betekent dat, ook al is er geen uitvoerdersbon getekend en in de ogen van [A Beheer] nooit formeel opgeleverd, [A Beheer] ook de bij de factuur van 17 december 2010 in rekening gebrachte bedragen dient te voldoen.

5.5.Voorts voert [A Beheer] aan dat Bouwbureau Oosterlee schade heeft geleden tot een bedrag van € 61.000,-, aangezien BLC in gebreke is gebleven om de appartementen te voltooien, welke gebreken inmiddels zijn hersteld door een andere aannemer. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 7:758 lid 3 BW is de aannemer ontslagen van aansprakelijkheid voor gebreken die de opdrachtgever op het tijdstip van oplevering redelijkerwijs had moeten ontdekken. Gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 5.4 is overwogen met betrekking tot de oplevering en mede gelet op de deskundigheid van de opdrachtgever, had Bouwbureau Oosterlee niet de gebreken voor eigen rekening mogen laten herstellen en de kosten daarvan als schade op BLC verhalen. Dat betekent dat het beroep op verrekening met de schadevordering van € 61.000,- faalt.

5.6.Vervolgens is aan de orde het (door BLC gemotiveerd betwiste) verweer van [A Beheer] dat BLC en Bouwbureau Oosterlee minderwerk zijn overeengekomen tot een bedrag van € 69.162,-. Hiertoe verwijst [A Beheer] naar de onder rechtsoverweging 3.2 opgenomen e-mail van [A] aan [ B] van 29 oktober 2010.

De rechtbank constateert dat in deze e-mail de minderwerkposten waarop [A Beheer] zich beroept uiterst summier zijn omschreven, terwijl in de conclusie van antwoord geen enkele toelichting is gegeven. Van [A Beheer] had mogen worden verwacht dat zij haar betoog nader zou hebben toegelicht, temeer nu [A] ter zitting heeft verklaard dat een daarop vermelde post van € 29.750,- (met omschrijving "CTS vlgs ovk") betrekking heeft op een eerder tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst. Mede gelet op het bepaalde in art. 21 Rv, te weten dat partijen de rechtbank volledig en naar waarheid moeten informeren, acht de rechtbank geen termen aanwezig om [A Beheer] nog in de gelegenheid te stellen deze vordering nader te onderbouwen, zodat het verweer van [A Beheer] als onvoldoende onderbouwd moet worden verworpen.

5.7.[A Beheer] betoogt voorts dat Bouwbureau Oosterlee een verrekenbare tegenvordering op BLC heeft van € 73.051,- met betrekking tot het project Veld-16 in Leiden. Een derde had een lagere offerte dan Bouwbureau Oosterlee uitgebracht, waarop BLC beloofde haar vorderingen te beperken tot het bedrag van deze offerte. BLC heeft dat vervolgens nagelaten, waarop Bouwbureau Oosterlee in een moment van onoplettendheid een bedrag van € 73.051,- teveel heeft betaald. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

BLC heeft ter zitting gemotiveerd weersproken dat zij ter zake van het project Veld-16 met Bouwbureau Oosterlee een lagere dan de door haar geoffreerde prijs is overeengekomen. Reeds gelet hierop is de gegrondheid van het beroep op verrekening niet op eenvoudige wijze vast te stellen, zodat de rechtbank dit beroep passeert met toepassing van artikel 6:136 BW.

5.8. Het hieroverwogene betekent dat [A Beheer] geen tegenvordering heeft op BLC en dat zij als borg is gehouden het bedrag van € 176.816,33 aan BLC te voldoen. De hierover vanaf 5 april 2011 gevorderde wettelijk handelsrente zal eveneens worden toegewezen.

5.9.[A Beheer] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, inclusief de kosten van het onder 1.1 genoemde zeven conservatoire derdenbeslagen en de kennelijk daarmee verband houdende informatiekosten. De vordering van BLC met betrekking tot de nakosten zal eveneens worden toegewezen. De rechtbank begroot de proceskosten aan de zijde van BLC als volgt:

-griffierecht beslag € 568,-

-informatiekosten

-handelsregister € 77,-

beslagexploten € 1.636,46

- dagvaarding € 76,31

- griffierecht € 2.969,-

- salaris advocaat € 4.263,- (drie punten à € 1.421,- volgens tarief V)

totaal: € 9.589,77

in de zaak 11-1766

5.10. Allereerst is in geschil of BLC als gevolg van het faillissement van Bouwbureau Oosterlee met succes Oosterlee Ontwikkeling als derde pandgever kan aanspreken. Hieromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

Tussen partijen staat vast dat zij op 1 april 2010 een pandovereenkomst zijn aangegaan ten behoeve van Bouwbureau Oosterlee. Object was alle bestaande en toekomstige vorderingen voortvloeiende uit het door Oosterlee Ontwikkeling aangehouden saldo op een door haar aangehouden bankrekening bij de Rabobank Katwijk (hierna Rabobank) tot een maximumbedrag van € 350.000,-.

Er is dus sprake van een pandrecht op een vordering, zodat ingevolge artikel 246 lid 1 BW de inningsbevoegdheid bij de pandgever rust "zolang het pandrecht op de vordering niet aan de schuldenaar van de vordering is medegedeeld", derhalve aan de Rabobank.

5.11. Volgens artikel 7 van de pandakte is BLC bevoegd de verpanding terstond na het aangaan van de overeenkomst schriftelijk aan de Rabobank en Mulder Betonbouw mede te delen, onder bijvoeging van een afschrift van de pandakte. Dat die mededeling ook daadwerkelijk is gedaan, kan worden opgemaakt uit het hiervoor onder 3.8 opgenomen e-mailbericht van de Rabobank aan BLC: "Ik ontving zojuist uw bericht dat de voorlaatste pandhouder Mulder geheel is voldaan; de bank accepteert uw verpanding van rekening [nummer] ten name van Oosterlee Ontwikkeling BV." Daaruit blijkt immers dat de Rabobank ervan op de hoogte is dat Oosterlee Ontwikkeling haar vordering op de Rabobank in pand heeft gegeven aan BLC. Dat betekent allereerst dat er sprake is van een openbaar pandrecht op een vordering, waarvan de pandhouder inningsbevoegd is, tenzij BLC niet als hoogst gerangschikte pandhouder kan worden beschouwd (artikel 246 BW lid 3). Derhalve dient thans beoordeeld te worden of dat het geval is.

5.12. In de van de overeenkomst opgemaakte pandakte is vermeld dat het door Oosterlee Ontwikkeling aangehouden saldo eerst diende als zekerheid voor door de Rabobank afgegeven bankgaranties ten behoeve van Woningborg en dat het saldo vervolgens is verpand aan Mulder Betonbouw. Uit een verklaring van de directeur van Oosterlee Ontwikkeling ter comparitie volgt dat aanvankelijk een bedrag van €1.4 miljoen op de Rabobankrekening stond en dat voor dat bedrag bankgaranties zijn afgegeven aan Woningborg. Wanneer een deel van het werk af was, verviel een bankgarantie en kwam dat geld vrij. Op die wijze is de vordering van Mulder Betonbouw betaald.

Uit voormeld e-mailbericht blijkt voorts dat de tweede pandhouder, Mulder Betonbouw, die een vordering had van € 114.000,-, geheel is voldaan. Anders dan BLC betoogt, impliceert dat niet dat BLC automatisch het daardoor vrijgevallen bedrag van € 114.000,- zou ontvangen. Dat is in elk geval niet, zoals zij stelt, uit artikel 9 van de pandakte af te leiden. Daarin is namelijk bepaald dat de vrijvallende termijnen van het aan de Rabobank verpande saldo direct na vrijvallen aan de pandhouder worden voldaan, hetgeen wil zeggen op het moment dat de bankgaranties vervallen, maar niet dat dit ook geldt wanneer het laatste gedeelte van de vordering van Mulder Betonbouw is voldaan. Dat betekent dat zij geen rechten op genoemd bedrag kan claimen.

Nu niet is gesteld dat de bankgaranties van Woningborg zijn vrijgevallen, kan BLC niet als hoogst gerangschikte pandhouder worden beschouwd en komt haar geen inningsbevoegdheid toe van het bedrag van € 176.816,33, zodat de vordering van BLC op dit punt dient te worden afgewezen.

5.13.Voorts verlangt BLC van Oosterlee Ontwikkeling opgave van de aan de Rabobank verpande bankgaranties en van het saldo op 27 augustus 2010. Daaromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

In de pandovereenkomst is geen bepaling opgenomen dat de pandgever op verzoek van de pandhouder iedere informatie dient te verschaffen indien dat noodzakelijk is voor de uitoefening van zijn rechten. Nu evenmin een dergelijke wettelijke verplichting bestaat, is de rechtbank met Oosterlee Ontwikkeling van oordeel dat zij als derde pandgever geen rekening en verantwoording hoeft af te leggen in de situatie waarin BLC niet inningsbevoegd is. Derhalve zal deze vordering wegens gebrek aan belang worden afgewezen.

5.14. Bij deze uitkomst past dat BLC in de kosten van de procedure wordt veroordeeld. De vordering van Oosterlee Ontwikkeling met betrekking tot de nakosten zal worden toegewezen. De proceskosten aan de zijde van Oosterlee Ontwikkeling begroot de rechtbank als volgt:

- griffierecht € 3.537,-

-salaris advocaat € 2.842,- (twee punten à € 1.421,- volgens tarief V)

totaal: € 6.379,-

6.De beslissing

De rechtbank:

in de zaak 11-1394

6.1.veroordeelt [A Beheer] tot betaling aan BLC van € 176.816,33, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 5 april 2011 tot de dag van algehele voldoening;

6.2.veroordeelt [A Beheer] in de kosten van de procedure, aan de zijde van BLC tot op deze uitspraak begroot op € 9.589,77, welk bedrag dient te worden vermeerderd met € 199,- indien betekening noodzakelijk zal zijn en met € 131,- indien betekening achterwege blijft;

6.3.verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

in de zaak 11-1766

6.4.wijst de vordering af;

6.5.veroordeelt BLC in de kosten van de procedure, aan de zijde van Oosterlee Ontwikkeling tot op deze uitspraak begroot op € 6.379,--, welk bedrag dient te worden vermeerderd met € 199,- indien betekening noodzakelijk zal zijn en met € 131,- indien betekening achterwege blijft;

6.6.verklaart de veroordeling onder 6.5 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.M. Ahsmann en in het openbaar uitgesproken op

18 april 2012.