Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW4031

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/33560 BEPTDN
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Het niet ter advisering aan de minister van EL&I voorleggen van de aanvraag om een vergunning "arbeid als zelfstandige" is niet in strijd met de standstill-bepaling van artikel 41 van het Aanvullend Protocol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/33560 BEPTDN

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 april 2012 in de zaak tussen

[eiser], [V-nummer]

(gemachtigde: mr. B. Aydin),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voorheen de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Procesverloop

Eiser is geboren op [datum] 1976 en bezit de Turkse nationaliteit. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland.

Op 10 januari 2011 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), met als doel "arbeid als zelfstandige".

Bij besluit van 10 mei 2011 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 12 mei 2011 heeft eiser een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend dat ertoe strekt uitzetting achterwege te laten totdat op het bezwaar is beslist.

Bij uitspraak van 9 september 2011 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen (AWB 11/16401).

Bij besluit van 20 september 2011 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 17 oktober 2011, en van gronden voorzien bij brief van 18 november 2011, beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 26 maart 2012 heeft eiser aanvullende stukken ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 28 maart 2012.

Eiser werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1 Eiser stelt dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte zijn standpunt, dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel "arbeid als zelfstandige", heeft gehandhaafd. Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende aangevoerd. Het huidige toelatingsbeleid ten aanzien van Turkse zelfstandigen is in strijd is met de standstill-bepaling van artikel 41 van het Aanvullend Protocol van 23 november 1970 bij de Associatieovereenkomst EEG-Turkije (hierna: het Aanvullend Protocol). Het beleid is, met name met betrekking tot het criterium wezenlijk Nederlands economisch belang, strenger geworden ten opzichte van het moment van inwerkingtreding van het Aanvullend Protocol op 1 januari 1973. Op grond van het huidige beleid worden ondernemingsactiviteiten als hier aan de orde geweerd, hetgeen op 1 januari 1973 niet het geval was. Destijds vond een individuele beoordeling plaats en werden alle aanvragen aan de minister van Economische Zaken, thans de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (EL&I), voorgelegd. Eiser heeft alle benodigde informatie overgelegd om de aanvraag aan de Minister van EL&I voor te leggen. Verweerder heeft dit ten onrechte niet gedaan. Het was voor eiser onduidelijk welke gegevens hij nog diende over te leggen. Vanwege de korte bestaansduur van het bedrijf heeft eiser geen omzetgegevens en gegevens inzake inkomstenbelasting kunnen overleggen. Eiser beroept zich op een drietal uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, en stelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en een deugdelijke motivering ontbeert.

Eiser stelt ten slotte dat verweerder hem ten onrechte niet op het bezwaar heeft gehoord.

2.1 Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat niet is aangetoond dat met de arbeid die eiser als zelfstandige (wil gaan) verricht(en) met zijn onderneming "[A]" een wezenlijk Nederlands economisch belang is gediend. Verweerder heeft overwogen dat de aanvraag niet voor advies is voorgelegd aan de minister van EL&I, omdat eiser de aanvraag onvoldoende heeft onderbouwd. Daarnaast heeft verweerder geconcludeerd dat eiser niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), terwijl geen van de vrijstellingsgronden van artikel 17 van de Vw 2000 en artikel 3.71, tweede en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) van toepassing is.

2.2 In zijn verweerschrift heeft verweerder zich primair op het standpunt gesteld dat eiser geen belang (meer) heeft bij de onderhavige procedure omdat uit gegevens van de Kamer van Koophandel (KvK) is gebleken dat eiser thans een onderneming voert onder een andere naam, namelijk "[B]", die bovendien op een ander adres is gevestigd, dan de onderneming "[A]", waarop de onderhavige aanvraag om een verblijfsvergunning betrekking heeft. Subsidiair heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de aanvraag op goede gronden is afgewezen.

3 De rechtbank overweegt allereerst dat uit het bij de aanvraag overgelegde uittreksel van de KvK van 22 december 2010 blijkt dat eiser per 22 december 2010 "[A]", zijnde een eenmanszaak, met als bedrijfsomschrijving "klussenbedrijf", is gestart. Uit het door eiser in beroep overgelegde uittreksel van de KvK van 23 maart 2012 blijkt dat op de naam van eiser de onderneming "[B]", eveneens een eenmanszaak met datum van vestiging 22 december 2010, geregistreerd staat, met als bedrijfsomschrijving "kluswerkzaamheden". De rechtbank stelt vast dat het dossiernummer op het uittreksel van 22 december 2010 overeenkomt met het dossiernummer op het uittreksel van 23 maart 2012. Gezien het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de onderhavige aanvraag op dezelfde onderneming betrekking heeft. De omstandigheid dat de onderneming, blijkens het uittreksel van 23 maart 2012, thans op een ander adres is gevestigd, en sprake is van een klein verschil in de naam van het bedrijf, is onvoldoende om aan te nemen dat eiser thans een andere onderneming drijft. Voorts is ter zitting namens eiser aangevoerd dat de onderneming op dezelfde markt, namelijk de regio [C], werkzaam is, zodat de bij de aanvraag ingediende marktanalyse actueel is.

Gezien het hiervoor overwogene heeft eiser belang bij de beoordeling van zijn beroep en is het beroep dan ook ontvankelijk.

4.1 Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

4.2 Ingevolge artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking, verband houdend met het verrichten van arbeid als zelfstandige worden verleend aan de vreemdeling die arbeid als zelfstandige verricht of gaat verrichten, waarmee naar het oordeel van Onze Minister een wezenlijk Nederlands belang is gediend.

4.3 Het beleid met betrekking tot de toetsing van het wezenlijk Nederlands belang van Turkse zelfstandigen is neergelegd in hoofdstuk B5/7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

In hoofdstuk B5/7.3 van de Vc 2000 is bepaald dat voor de beantwoording van de vraag of met de aanwezigheid van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend, indien het gaat om het zelfstandig uitoefenen van een ondernemersactiviteit, in de regel advies zal moeten worden gevraagd aan de minister van EL&I. Voorts is daarin bepaald dat de toenmalige minister van Economische Zaken een puntensysteem ontwikkeld heeft dat de basis vormt voor het advies dat de minister van EL&I aan de IND geeft over het wezenlijk Nederlands economisch belang dat met het verblijf van de vreemdeling in Nederland wordt gediend.

In hoofdstuk B5/7.3.2 van de Vc 2000 is bepaald:

"In verband met de standstill-bepaling in het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije kan het puntensysteem niet worden toegepast op aanvragen om verblijf van Turkse vreemdelingen voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. Dit puntensysteem stelt immers zwaardere eisen ten aanzien van Turkse vreemdelingen dan ten tijde van de totstandkoming van het Aanvullend Protocol (voor Nederland in werking getreden op 1 januari 1973) golden. Met name kunnen geen eisen worden gesteld ten aanzien van hoogwaardigheid van de kennisinbreng en het innovatieve vermogen van de betrokken vreemdeling. De minister van EL&I baseert zijn adviezen ten aanzien van deze Turkse vreemdelingen daarom op de feitelijke situatie: de op het moment van de aanvraag bestaande (concurrentie)verhoudingen op het specifieke deel van de markt en de werkgelegenheidseffecten (Beleidsregel van de Minister van Economische Zaken van 13 oktober 2010, Stcrt. 2010, nr. 16617)."

In hoofdstuk B5/7.3.3 van de Vc 2000 is bepaald:

" Ondernemingsplan

Voor de beoordeling van de aanvraag om advies aan de minister van EL&I met gebruikmaking van het puntensysteem dient de vreemdeling ten minste een volledig ondernemingsplan, eventueel aangevuld met onderliggend onderzoek dan wel analyses, referenties van kennisinstellingen, bedrijven of partijen op de markt, referenties of contacten met arbeidsmarktinstellingen, of referenties en contacten met financiële instellingen, over te leggen.

Voor de inhoud van het ondernemingsplan zelf zie hierna onder B5/7.3.4.

Indien geen of een niet voldoende onderbouwd ondernemingsplan over wordt gelegd, wordt een herstelverzuimtermijn geboden van twee weken. Indien, ook na het bieden van de herstelverzuimtermijn, geen of een niet voldoende onderbouwd ondernemingsplan over is gelegd, wordt de aanvraag, zonder voorlegging aan de minister van EL&I voor advies, afgewezen omdat niet wordt aangetoond dat met de te verrichten arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands economisch belang wordt gediend.

Stukken ter onderbouwing van het ondernemingsplan

Het is de verantwoordelijkheid van de vreemdeling om zijn aanvraag te onderbouwen met stukken en aan te tonen dat hij met zijn onderneming een wezenlijke bijdrage aan de Nederlandse economie kan leveren (...)."

Volgens hoofdstuk B5/7.3.4 van de Vc 2000 moet uit het ondernemingsplan zelf in ieder geval blijken van gegevens over de persoon van de ondernemer, het bedrijf en de juridische constructie van de onderneming. Voorts dient overgelegd te worden een commercieel plan, een managementplan en financieel plan.

5 Uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 29 september 2010 (nr. 200908205/1/V2, LJN BN9181) en van 15 maart 2011 (nr. 200904467/1/V3, LJN BP8383) volgt dat een wezenlijk Nederlands belang - dat ook op 1 januari 1973 het criterium vormde voor toelating op grond van het verrichten van arbeid als zelfstandige - destijds aanwezig werd geacht, indien een vreemdeling met de door hem beoogde bedrijfsmatige activiteit een positieve bijdrage aan de Nederlandse economie leverde. Van een dergelijke bijdrage was slechts sprake, indien de betreffende activiteit in een behoefte voorzag en geen negatieve invloed had op de markteconomie of de werkgelegenheidssituatie.

6 De rechtbank stelt vast dat namens eiser ter zitting is aangegeven dat er geen beroep wordt gedaan op artikel 9 van de Associatieovereenkomst EEG-Turkije.

7 Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat het maar de vraag is of op 1 januari 1973, de datum van inwerkingtreding van het Aanvullend Protocol, voor de beoordeling van een aanvraag als thans aan de orde vereist was om aanvullende stukken over te leggen ter onderbouwing van het ondernemingsplan. In dit verband heeft eiser verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Amsterdam, zonder een registratienummer of vindplaats. De rechtbank is van oordeel dat nu deze stelling voor het eerst ter zitting (in de tweede termijn) naar voren is gebracht, deze stelling tardief is en derhalve buiten beschouwing dient te worden gelaten wegens strijd met de goede procesorde.

8 De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat op

1 januari 1973 alle aanvragen aan de minister van Economische Zaken ter advisering werden voorgelegd. De enkele, niet nader onderbouwde, stelling is daartoe onvoldoende. Reeds hierom kan de stelling van eiser dat het niet voorleggen van de aanvraag voor advies (thans aan de minister van EL&I) een beperking oplevert en derhalve in strijd is met de standstill-bepaling van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol, niet slagen. Overigens, ook indien eiser in zijn stelling zou worden gevolgd, kan deze stelling eiser niet baten, nu zowel in het geval van voormelde advisering als bij het achterwege blijven van die advisering het ontbreken van een voldoende onderbouwing leidt tot afwijzing van de aanvraag.

Eiser heeft gesteld dat het in hoofdstuk B5/7.3 van de Vc 2000 neergelegde beleid niet op Turkse zelfstandigen mag worden toegepast, omdat dit beleid betrekking heeft op het puntensysteem, dat zwaardere eisen ten aanzien van Turkse zelfstandigen stelt dan ten tijde van de totstandkoming van het Aanvullend Protocol. Eiser heeft daartoe gewezen op een uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zwolle, van 16 maart 2012, kenmerk AWB 11/16074.

De rechtbank kan eiser hierin niet volgen. De rechtbank is van oordeel dat uit de bewoordingen en de strekking van het in hoofdstuk B5/7.3 van de Vc 2000 neergelegde beleid volgt dat dit beleid, voor zover niet uitdrukkelijk uitgesloten, eveneens op Turkse zelfstandigen van toepassing is. Dit blijkt onder meer uit het feit dat met betrekking tot bepaalde onderdelen van het beleid expliciet is aangegeven dat deze niet van toepassing zijn ten aanzien van Turkse zelfstandigen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat het in hoofdstuk B5/7.3 van de Vc 2000 neergelegde beleid verweerder ruimte laat om al dan niet advies in te winnen bij de minister van EL&I. Volgens hoofdstuk B5/7.3.3 van de Vc 2000 wordt, indien geen ondernemingsplan wordt overgelegd, een herstelverzuimtermijn geboden van twee weken. Indien ook na het bieden van de herstelverzuimtermijn, geen volledig ondernemingsplan is overgelegd, wordt de aanvraag zonder voorlegging voor advies aan de minister van EL&I afgewezen wegens het ontbreken van een wezenlijk Nederlands economisch belang.

De rechtbank begrijpt hieruit dat in ieder geval geen advies wordt gevraagd bij de minister van EL&I, indien geen ondernemingsplan is overgelegd. Dit sluit echter niet uit dat verweerder ook in andere gevallen, bijvoorbeeld indien het ondernemingsplan niet voldoende is onderbouwd, kan besluiten de aanvraag niet voor advies voor te leggen aan de minister van EL&I. Niet valt in te zien dat deze handelwijze in strijd is met de standstill-bepaling van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank in het bestreden besluit, onder verwijzing naar het primaire besluit, afdoende gemotiveerd dat de aanvraag met onvoldoende stukken is onderbouwd.

Verweerder heeft eiser bij brief van 8 april 2011 onder meer medegedeeld dat voor een vraag om advies aan de minister van EL&I het ondernemingsplan volledig onderbouwd dient te zijn. Verweerder heeft eiser daarbij in de gelegenheid gesteld om de aanvraag alsnog aan te vullen met de in de brief vermelde gegevens. Eiser heeft hierop niet gereageerd. Ter zitting is namens eiser aangevoerd dat het destijds een bewuste keuze van eiser is geweest om geen gevolg te geven aan voormelde brief. Gelet hierop kan de stelling van eiser dat het hem niet duidelijk was welke gegevens hij alsnog diende over te leggen, niet slagen. Wat hier ook van zij, het lag op de weg van eiser om bij onduidelijkheid over de in te dienen stukken contact met verweerder op te nemen. De in deze door eiser gemaakte keuze dient dan ook voor zijn rekening te blijven.

9 Reeds gezien het voorgaande heeft verweerder op goede gronden eisers aanvraag, zonder voorlegging aan de minister van EL&I voor advies, afgewezen wegens het ontbreken van een wezenlijk Nederlands economisch belang. Deze afwijzingsgrond kan het bestreden besluit zelfstandig dragen. Het feit dat verweerder in aanvulling hierop inhoudelijk op de bij de aanvraag overgelegde stukken heeft gereageerd doet hieraan niet af. Eiser is hierdoor niet in een slechtere rechtspositie gebracht, zodat er geen grond is voor het oordeel dat het bestreden besluit enkel vanwege deze aanvulling in strijd is met de standstill-bepaling van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol.

10 De rechtbank is van oordeel dat de standstill-bepaling er overigens niet aan in de weg staat dat verweerder, na toetsing aan de vereisten voor verlening van de gevraagde verblijfsvergunning en de vaststelling dat niet wordt voldaan aan het vereiste, dat met eisers arbeid als zelfstandige een wezenlijk Nederlands economisch belang wordt gediend, eiser (alsnog) het mvv-vereiste tegenwerpt, zoals verweerder in dit geval heeft gedaan.

11 Ten aanzien van de stelling van eiser dat de hoorplicht is geschonden overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht kan van het horen van belanghebbenden worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Dit moet worden beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift in samenhang met wat in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van de primaire beschikking. Gelet op hetgeen eiser in bezwaar heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder van het horen van eiser heeft kunnen afzien. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de ABRS van 28 februari 2012 (nr. 201108659/1/V1, LJN BV7843).

12 Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor de gevraagde vergunning.

13 Het beroep is derhalve ongegrond.

14 Er zijn geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.P. Pereira Horta, voorzitter, mr. M.J.C. Dijkstra en

mr. G.F. van der Linden-Burgers, in aanwezigheid van mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 april 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (nadere informatie www.raadvanstate.nl)