Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW4024

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
12/8299 & 12/8297
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:CA2833, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Ten onrechte in het terugkeerbesluit een termijn voor vrijwillige vertrek onthouden. Derhalve volgt dat het besluit voor vernietiging in aanmerking komt voor zover in het kader van de terugkeerverplichting bepaald is dat verzoeker Nederland onmiddellijk dient te verlaten en voor zover het betreft het opgelegde inreisverbod. Beroep gegrond. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en stelt een termijn voor vrijwillige vertrek vast van vier weken.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan verzoeker worden gevolgd in zijn stelling dat verweerder in het terugkeerbesluit hem ten onrechte een termijn voor vrijwillig vertrek heeft onthouden. Redengevend hiervoor is het volgende. Allereerst stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder ter zitting heeft verklaard verzoeker de omstandigheid dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, niet langer tegenwerpt. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat in het bestreden besluit is overwogen, zoals ook door verweerder is bevestigd ter zitting, dat verzoeker de omstandigheden als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder f, Vw ten onrechte zijn tegengeworpen in het kader van de beoordeling van zijn asielrelaas. Gelet daarop valt, anders dan verweerder ter zitting heeft betoogd, niet in te zien dat deze omstandigheden verzoeker evenwel kunnen worden tegengeworpen in het kader van de beoordeling of sprake is van het onttrekken aan het toezicht als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, Vb juncto artikel 5.1b, Vb. In het licht van het vorenstaande concludeert de voorzieningenrechter dat er nog slechts één omstandigheid, te weten het niet over voldoende middelen van bestaan beschikken, ten grondslag ligt aan het bepalen van het risico dat verzoeker zich aan het toezicht zal onttrekken. Reeds hierop bestond, gelet op het bepaalde in artikel 5.1b, tweede lid, Vb, onvoldoende grond voor verweerder om aan te nemen dat sprake is van risico op onderduiken en als gevolg daarvan te bepalen dat verzoeker onmiddellijk Nederland dient te verlaten en tevens om aan verzoeker een inreisverbod op te leggen op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a Vw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 12 / 8299 (voorlopige voorziening)

AWB 12 / 8297 (beroep)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 maart 2012

in de zaak van:

[verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Afghaanse nationaliteit, verzoeker,

gemachtigde: mr. J. de Jong, advocaat te Utrecht,

tegen:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. P.P. Zweedijk, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 4 maart 2012 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 10 maart 2012 afgewezen. Verzoeker heeft tegen het besluit beroep ingesteld en gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.2 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 20 maart 2012. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. C. van Dijk, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Er bestaat in dit geval aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.3 Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag aangevoerd dat hij tot de bevolkingsgroep van de [naam bevolkingsgroep] behoort. Zijn vader is afkomstig uit de provincie [naam] en zat bij het Moslimbroederschap. Verzoeker heeft zelf nimmer in Afghanistan gewoond of verbleven. Hij woonde met zijn familie in [plaatsnaam] (Pakistan). In 2008 is de Taliban daar gekomen en dwong de mensen zich aan hun leefregels te houden. Omdat de broer van verzoeker tegen de Taliban was, is hij door hen opgepakt en meegenomen. Later heeft verzoeker vernomen dat hij vermoord was. Op een gegeven moment kwam ook het Pakistaanse leger naar [plaatsnaam] en er braken gevechten uit tussen de Taliban en het Pakistaanse leger, met als gevolg dat er doden vielen en mensen zijn gevlucht. Uiteindelijk is de Taliban uit elkaar gedreven en is het Pakistaanse leger weer de baas geworden in het [plaatsnaam] gebied. Degenen die zich aangesloten hadden bij de Taliban of diensten hadden geleverd aan de Taliban, werden door het leger opgepakt. De vader van verzoeker had bepaalde mensen aangegeven bij het leger, omdat zijn zoon door hen is omgebracht. Daar had de Taliban lucht van gekregen en is vervolgens zijn vader een aantal malen bedreigd en is er ook op verzoeker geschoten. Om die reden wilde de vader van verzoeker terug naar Afghanistan. Verzoeker wilde niet mee en is via Karachi naar Europa vertrokken.

2.4 Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat de geloofwaardig bevonden problemen die verzoeker in [plaatsnaam] (Pakistan) heeft ondervonden, niet kunnen leiden tot de conclusie dat sprake is van vluchtelingenschap, nu deze problemen zich niet hebben voorgedaan in het land waarvan hij de nationaliteit bezit. Verzoekers beroep op artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon, die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming (verder: Definitierichtlijn) slaagt niet. Verzoeker komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

2.5 Verzoeker heeft allereerst aangevoerd dat hij, gelet op zijn geloofwaardig bevonden asielrelaas, bij terugkeer in Afghanistan bloot gesteld zal zijn aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM van de zijde van de Taliban. De Taliban opereert immers over de grenzen heen en uit de geloofwaardig geachte verklaringen blijkt dat de bedoelde schendingen zich hebben voorgedaan. Verzoeker is derhalve van mening dat het feit dat een en ander zich in Pakistan heeft voorgedaan, zijn vrees niet anders maakt. Bovendien dient verzoeker bij terugkeer worden aangemerkt als een internally displaced person (hierna: IDP), omdat verzoeker geen netwerk in Afghanistan heeft, niet geschoold en analfabeet is. Verzoeker verwijst naar de in beroep overgelegde artikelen over IDP’s en het rapport van Amnesty International van februari 2012, getiteld ‘fleeing war, finding misery, the plight of the internally displaced in Afghanistan’.

2.6 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij ook in Afghanistan te vrezen zal hebben vanwege de in Pakistan ondervonden problemen met de Taliban. Daarvoor is redengevend dat verzoeker zich slechts in vermoedens heeft geuit over dat wat hem bij terugkeer in Afghanistan te wachten zal staan. Weliswaar is geloofwaardig geacht dat verzoeker twee keer door de Taliban is beschoten, doch verzoeker heeft niet met concrete en afdoende verklaringen aannemelijk gemaakt dat de Taliban in Afghanistan, meer in het bijzonder in het gebied waar zijn vader vandaan komt, op de hoogte is van wat er zich in Pakistan heeft afgespeeld. Daarbij komt dat zijn vader, zoals verzoeker heeft verklaard, naar zijn dorp in Afghanistan is teruggekeerd. Gelet hierop kan de stelling van verzoeker dat hij dient te worden aangemerkt als een IDP evenmin worden gevolgd. De door verzoeker overgelegde stukken bieden voorts geen aanknopingspunten voor de stelling dat het van verzoeker niet verlangd kan worden terug te keren naar het land waarvan hij de nationaliteit van bezit en waarnaar zijn vader is teruggekeerd.

2.7 Verzoeker heeft vervolgens betoogd dat in het bestreden besluit ten onrechte ervan wordt uitgegaan dat artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn eenzelfde beoordeling omvat als artikel 15, aanhef en onder b, Definitierichtlijn. Verzoeker is van mening dat dit onjuist is wat betreft het risico en de vormen van schade onder verwijzing naar uitvoerig gemotiveerde jurisprudentie van de Engelse hoogste rechter. Verzoeker stelt dat het begrip “ernstige bedreiging van het leven of de persoon” inhoudt dat er een lager risico is dan een reëel en voorzienbaar risico. Om die reden is er dan ook aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen.

2.8 In de uitspraak van 21 mei 2010 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) als volgt overwogen. ’Artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn beoogt uitsluitend bescherming te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat elke burger louter door zijn aanwezigheid in het desbetreffende land of gebied een reëel risico loopt op de in die bepaling bedoelde ernstige schade. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw voorziet in de aldus vereiste bescherming, aangezien deze bepaling de grondslag biedt voor vergunningverlening in situaties die door artikel 3 EVRM worden bestreken en laatstgenoemde bepaling –gezien de daaraan door het EHRM gegeven uitleg in zijn arrest van 17 juli 1008 – ook ziet op de uitzonderlijke situatie, beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn.’ Dat de hoogste Engelse rechter in de uitspraak waarnaar door verzoeker wordt verwezen, aan artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn wellicht een enigszins andere uitleg heeft gegeven, doet, evenals e Afdeling heeft overwogen in zijn uitspraak van 19 juli 2011 (LJN: BR3783) ten aanzien van de Finse rechter, hieraan niet af, nu deze uitspraak alleen ziet op de toepassing van voormeld artikel binnen de Engelse nationale rechtsorde. In het licht van het vorenstaande ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen hieromtrent.

2.9 Verzoeker heeft in beroep voorts aangevoerd dat hij in verband met de algemene veiligheidssituatie in Afghanistan, dan wel in de provincie [naam] in het bijzonder, in aanmerking dient te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, nu sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn. Verzoeker heeft ter onderbouwing van dit standpunt bij de zienswijze de volgende stukken overgelegd:

- informatie van Vluchtelingenwerk van 9 maart 2012;

- rapport van Amnesty International van februari 2012: getiteld ‘fleeing war, finding misery, the plight of the internally displaced in Afghanistan’European states must stop forced returns to Iraq;

- de UNHCR Eligibility Guidelines for Assessing the International Protection Needs of Asylum-Seekers from Afghanistan’ van 17 december 2010.

2.10 Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat uit het ambtsbericht van 24 augustus 2011 en uit de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2011, nr. 201002738/1, waarin wordt verwezen naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (het Hof) van 13 oktober 2011, Husseini tegen Zweden, nr. 10611/09, blijkt dat hij zich in het bestreden besluit, gelezen in samenhang met het daarbij ingelaste voornemen, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in Afghanistan, meer specifiek de provincie [naam], ten tijde van de bestreden beslissing geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar het ambtsbericht en genoemde Afdelingsuitspraak ter zitting tevens op het standpunt gesteld dat ook op dit moment geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. In het ambtsbericht alsook in de hiervoor genoemde Afdelingsuitspraak zijn de stukken betrokken, waarop verzoeker zich beroept, aldus verweerder.

2.11 De voorzieningenrechter stelt vast dat niet in geschil is dat verzoeker afkomstig is uit de provincie [naam]. De voorzieningenrechter stelt tevens vast dat het ambtsbericht van augustus 2011 als verslagperiode de periode juli 2010 tot en met augustus 2011 vermeldt. Voorts wordt vastgesteld dat de door verzoeker aangehaalde stukken, met uitzondering van het rapport van Amnesty International van februari 2012, blijkens de literatuurlijst bij het ambtsbericht van 2011 bij de opstelling zijn betrokken. Uit de uitspraak van de Afdeling van 14 november 2011 (rechtsoverweging 2.3.6.) blijkt dat de Afdeling uit de bewoordingen van het arrest afleidt dat het oordeel van het Hof betrekking heeft op geheel Afghanistan, zonder dat daarbij een gebied of provincie is uitgezonderd. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter, gemotiveerd, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 2.10 weergegeven, op goede gronden het standpunt ingenomen dat in Afghanistan, meer specifiek in [naam], ten tijde van het bestreden besluit en op dit moment geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, Definitierichtlijn. Het beroep op het rapport van Amnesty International maakt dat niet anders. Uit dit rapport blijkt evenmin dat er thans sprake is van een dergelijke situatie. Verzoekers beroepsgrond slaagt derhalve niet.

2.12 Uit het voorgaande vloeit voort dat de gronden gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag niet slagen.

Vertrektermijn en inreisverbod

2.13 Verzoeker heeft in de eerste plaats aangevoerd dat hem ten onrechte geen termijn voor vrijwillig vertrek is gegund. Nu geen van de omstandigheden als bedoeld in artikel 31, tweede lid, Vw worden tegengeworpen kan thans evenmin aan het terugkeerbesluit ten grondslag worden gelegd dat verzoeker niet voldoende heeft meegewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit, nationaliteit en reis. Daarnaast kan hieraan evenmin ten grondslag worden gelegd de omstandigheid dat verzoeker geen vaste woon- of verblijfplaats en/of voldoende middelen van bestaan heeft, nu verzoeker in de opvang verblijft en deze omstandigheden objectief gezien niet kunnen zien op een risico op onderduiken. Voorts leveren deze voorwaarden, gelet op het arrest van het Hof van Justitie (HvJ) van 24 oktober 1996 (Kraaienveld; C-72/95), een schending op van het Unierecht.

2.14 In het voornemen van 8 maart 2012, dat herhaald en ingelast is in het bestreden besluit 10 maart 2012, is onder het kopje ‘Vertrektermijn en inreisverbod’ het volgende opgenomen:

Ingevolge artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 kan na uitvaardiging van een terugkeerbesluit worden besloten dat betrokkene Nederland onmiddellijk moet verlaten indien een risico bestaat dat hij zich aan het toezicht zal onttrekken. Wanneer een dergelijk risico moet worden aangenomen, is uitgewerkt in artikel 5.1a, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit juncto artikel 5.1b, van het Vreemdelingenbesluit.

In het geval van betrokkene is gebleken dat er sprake is van het volgende:

- betrokkene werkt niet dan wel niet voldoende mee aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

- betrokkene heeft zich zonder noodzaak ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;

- betrokkene heeft geen vaste woon- of verblijfplaats;

- betrokkene beschikt niet over voldoende middelen van bestaan.

Geconcludeerd wordt dan ook dat het risico bestaat dat betrokkene zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze omstandigheid geeft aanleiding te bepalen dat betrokkene na het uitbrengen van de beschikking Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Tevens geeft dit aanleiding om aan betrokkene een inreisverbod op te leggen op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a van de Vreemdelingenwet 2000. Niet is gebleken van humanitaire redenen of andere redenen om af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

Gelet op artikel 66a, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 juncto artikel 6.5a, eerste lid van het Vreemdelingenbesluit wordt het inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, gerekend vanaf de datum waarop betrokkene Nederland daadwerkelijk heeft verlaten.

2.15 In artikel 62, eerste lid, Vw, is - voor zover hier van belang - bepaald dat de vreemdeling, nadat tegen hem een terugkeerbesluit is uitgevaardigd, Nederland binnen vier weken uit eigen beweging dient te verlaten. In het tweede lid is - voor zover hier van belang - bepaald dat de minister de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, kan verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.

2.16 In artikel 6.1, eerste lid Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) is voorts bepaald dat een risico, dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken, kan worden aangenomen indien feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 5.1b, eerste lid, op de vreemdeling van toepassing zijn.

2.17 In artikel 5.1b, eerste lid, Vb is (limitatief) bepaald dat aan de voorwaarden voor inbewaringstelling, wordt voldaan indien de vreemdeling: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en zich in strijd met de vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken; b. zich niet aan een of andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden; c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; e. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid; f. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; g. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten; h. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten; i. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; j. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan; k. (.); l. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld; of m. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet.

2.18 In artikel 5.1b, tweede lid, Vb is bepaald dat aan de voorwaarden voor inbewaringstelling niet wordt voldaan indien slechts één van de feiten of omstandigheden, als bedoeld in voormeld artikellid, van toepassing is.

2.19 In artikel 66a, eerste lid en onder a Vw, is bepaald dat de minister een inreisverbod uitvaardigt tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten ingevolge artikel 62, tweede lid.

2.20 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan verzoeker worden gevolgd in zijn stelling dat verweerder in het terugkeerbesluit hem ten onrechte een termijn voor vrijwillig vertrek heeft onthouden. Redengevend hiervoor is het volgende. Allereerst stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder ter zitting heeft verklaard verzoeker de omstandigheid dat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, niet langer tegenwerpt. Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat in het bestreden besluit is overwogen, zoals ook door verweerder is bevestigd ter zitting, dat verzoeker de omstandigheden als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder f, Vw ten onrechte zijn tegengeworpen in het kader van de beoordeling van zijn asielrelaas. Gelet daarop valt, anders dan verweerder ter zitting heeft betoogd, niet in te zien dat deze omstandigheden verzoeker evenwel kunnen worden tegengeworpen in het kader van de beoordeling of sprake is van het onttrekken aan het toezicht als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, Vb juncto artikel 5.1b, Vb. In het licht van het vorenstaande concludeert de voorzieningenrechter dat er nog slechts één omstandigheid, te weten het niet over voldoende middelen van bestaan beschikken, ten grondslag ligt aan het bepalen van het risico dat verzoeker zich aan het toezicht zal onttrekken. Reeds hierop bestond, gelet op het bepaalde in artikel 5.1b, tweede lid, Vb, onvoldoende grond voor verweerder om aan te nemen dat sprake is van risico op onderduiken en als gevolg daarvan te bepalen dat verzoeker onmiddellijk Nederland dient te verlaten en tevens om aan verzoeker een inreisverbod op te leggen op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a Vw. Om die reden behoeft hetgeen namens verzoeker is aangevoerd tegen de overige door verweerder aan de hiervoor genoemde conclusie ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden geen bespreking meer.

2.21 Uit het voorgaande volgt dat het besluit voor vernietiging in aanmerking komt voor zover in het kader van de terugkeerverplichting bepaald is dat verzoeker Nederland onmiddellijk dient te verlaten en voor zover het betreft het opgelegde inreisverbod.

2.22 Het beroep zal gegrond worden verklaard en het bestreden besluit zal in zoverre worden vernietigd. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om gebruik te maken van de in artikel 8:72, vierde lid, Awb gegeven bevoegdheid om zelf in de zaak te voorzien en stelt een termijn voor vrijwillig vertrek vast van vier weken, nu dit volgens artikel 62, eerste lid, Vw in beginsel de termijn voor vrijwillig vertrek is. Deze termijn is aangevangen op 10 maart 2012, de dag waarop het bestreden besluit is genomen, en eindigt derhalve op 8 april 2012. Verzoeker heeft de voorbije periode kunnen benutten voor vrijwillig vertrek. Ingevolge artikel 45 Vw kan verzoeker eerst worden uitgezet indien hij Nederland op 8 april 2012 niet heeft verlaten.

2.23 Nu in de hoofdzaak wordt beslist, zal de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afwijzen.

2.24 Vanwege de gegrondverklaring van het beroep zal de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de door verzoeker gemaakte kosten. De kosten zijn ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 437,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 verklaart het beroep (AWB 12/8297) gegrond;

3.2 vernietigt het besluit van 10 maart 2012 voor zover in het kader van de terugkeerverplichting bepaald is dat verzoeker Nederland onmiddellijk dient te verlaten en voor zover het betreft het opgelegde inreisverbod;

3.3 stelt een termijn voor vrijwillig vertrek vast van vier weken vanaf 10 maart 2012 tot 8 april 2012;

3.4 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

3.5 veroordeelt verweerder in de kosten in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening ad € 874,- en in verband met het beroep ad € 437,- en draagt verweerder op deze kosten aan verzoeker te voldoen;

3.6 wijst het verzoek om voorlopige voorziening (AWB 12/8299) af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries – van den Heuvel, voorzieningenrechter, en op 27 maart 2012 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. A. El Aqde, griffier.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak, voor zover deze de hoofdzaak betreft, hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen een week na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak. Van deze uitspraak staat, voor zover deze de voorlopige voorziening betreft, geen hoger beroep open.

Let wel:

Gegrondverklaring van het beroep (AWB 12/8297) betekent niet dat verzoeker op alle onderdelen van het beroep gelijk heeft gekregen. In de uitspraak heeft de voorzieningenrechter uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beroepsgronden verworpen. Als verzoeker het daarmee niet eens is en wil voorkomen dat dit oordeel van de voorzieningenrechter komt vast te staan, zal hij tegen deze uitspraak hoger beroep moeten instellen.