Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW3713

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-04-2012
Datum publicatie
25-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/19111, AWB 11/19113
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geloofsuitoefening en terughoudendheid bij bekeerde Kopten in Egypte, situatie van na de Arabische lente, risico op genitale verminking.

1. De situatie dat van vreemdelingen mag worden gevraagd om geen actieve bekeringsactiviteiten uit te oefenen, is hier niet aan de orde. Niet in geschil is dat de wijze waarop eisers hun religie in Egypte kunnen uitoefenen is beperkt tot thuis met het eigen gezin bidden en de bijbel lezen. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat een dergelijke terughoudende geloofsuitoefening van eisers verwacht mag worden. Zonder nadere toelichting is echter niet begrijpelijk waarom deze wijze van geloofsuitoefening niet is aan te merken als het verborgen houden van hun godsdienst.

2. Eisers hebben een groot aantal stukken overgelegd ter onderbouwing van de stelling dat de situatie van bekeerde christenen slecht is en sinds de Arabische lente verder is verslechterd en dat de positie van eisers prominente en fundamentalistische familie sinds de Arabische lente is verstevigd. Verweerder heeft zijn standpunt niet gebaseerd op een ambtsbericht of andere landeninformatie. Verweerder heeft de door eisers aangevoerde omstandigheden daarom onvoldoende betrokken bij beoordeling van de vraag of eisers bij terugkeer te vrezen hebben voor de autoriteiten en de familie van eiser.

3. Verweerder wordt - mede gelet op wat eisers hebben aangevoerd over de dreiging van eisers familie en de verslechtering van de algemene situatie - niet gevolgd in het standpunt dat eisers bescherming bij de autoriteiten kunnen inroepen tegen de dreigende genitale verminking van de oudste dochter.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummers: AWB 11/19111 ([eiser])

AWB 11/19113 ([eiseres])

V-nrs: [V-nr 1], [V-nr 2], [V-nr 3], [V-nr 4] en [V-nr 5]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken in de zaak tussen:

[eiser], geboren op [1971], eiser, en

[eiseres] geboren op [1974], eiseres, mede namens haar minderjarige kinderen:

[kind 1], geboren op [1996],

[kind 2], geboren op [1998] en

[kind 3], geboren op [2002],

allen van Egyptische nationaliteit, tezamen te noemen eisers,

gemachtigde: mr. E.L. Garnett, advocaat te 's-Hertogenbosch,

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. M. Garabitian, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluiten van 12 mei 2011 heeft verweerder de aanvragen van eisers van 9 september 2010 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Op 8 juni 2011 heeft de rechtbank de beroepen van eisers ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2012. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig N. Selim, tolk Arabisch. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Asielrelaas

Eisers hebben het volgende relaas aan hun aanvraag ten grondslag gelegd. Eiser, van oorsprong islamitisch, is sinds maart 1995 getrouwd met eiseres, die koptisch christen is. Vanaf 2006 is eiser zich gaan verdiepen in het geloof van zijn vrouw en in 2008 is hij bekeerd. Daardoor zijn problemen ontstaan met eisers fundamentalistisch islamitische familie. Op 6 februari 2008 zijn eiser en eiseres door eisers familie mishandeld vanwege die bekering. Daarbij heeft eiseres haar been gebroken. Eiser is vervolgens naar het politiebureau Al-Haram gebracht. Hij werd daar verhoord, geblinddoekt en gemarteld. Na vijftien dagen werd hij vrijgelaten. Eind april 2008 werd hij opnieuw vijftien dagen vastgehouden en mishandeld. In juni 2008 en januari 2009 is hij tien dagen vastgehouden en gemarteld. Eiser werd vanaf zijn eerste aanhouding door de autoriteiten in de gaten gehouden. Eisers kinderen werden lastig gevallen op school en eiseres durfde de deur niet meer uit. Ze konden allen niet meer naar de kerk. Het contact met de priester moesten ze geheim houden. Eisers familie is het ook niet eens met de beslissing van eiser en eiseres om hun oudste dochter niet te laten besnijden. In november 2009 is de familie bij de school van de dochter geweest om haar mee te nemen om haar alsnog te laten besnijden. De school heeft geweigerd haar mee te geven. In september 2010 zijn eisers naar Nederland gevlucht.

Overwegingen

Het geschil

1. De rechtbank stelt vast dat verweerder het relaas van eisers zoals dat naar voren komt uit de gehoren geloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft de aanvragen afgewezen omdat verweerder niet aannemelijk acht dat eisers bij terugkeer te vrezen hebben.

2. Eisers stellen zich samengevat op het volgende standpunt. Bij terugkeer hebben zij vanwege de bekering van eiser tot het christendom te vrezen voor de autoriteiten en de familie van eiser. Zij zullen bij terugkeer bovendien gedwongen worden hun religie verborgen te houden, net als in de periode voorafgaand aan hun vertrek. Sinds de Arabische lente is de situatie voor (bekeerde) christenen bovendien verslechterd. Verder loopt de oudste dochter van eisers het risico op genitale verminking door toedoen van eisers familie. Er kan niet vanuit worden gegaan dat de autoriteiten daartegen bescherming bieden. Om die redenen zijn eisers van oordeel dat zij in aanmerking komen voor vergunningverlening op grond van artikel 29, aanhef en onder a dan wel b, van de Vw 2000.

Beoordeling door de rechtbank

3.1. In geschil is ten eerste of verweerder kan worden gevolgd in het standpunt dat niet aannemelijk is geworden dat eisers bij terugkeer vanwege de bekering van eiser nog te vrezen hebben. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiser weliswaar vier keer door de politie is aangehouden en gemarteld vanwege zijn bekering, maar dat eisers in de negentien maanden direct voorafgaand aan hun vertrek uit Egypte geen problemen meer hebben ondervonden. In die periode heeft eiser op normale wijze werkzaamheden verricht en heeft hij nog contact met zijn familie onderhouden. Eisers zijn legaal uitgereisd. Niet is gebleken dat zij nog in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staan.

3.2. Eisers hebben daar het volgende tegenin gebracht. Eiser is ook na zijn laatste aanhouding nog tweemaal, in mei 2009 en juli 2010, gewaarschuwd door een medewerker van het politiebureau Al-Haram. Ook werd hij geschaduwd en in de gaten gehouden. Bij de beroepsgronden hebben eisers twee stukken overgelegd van 15 augustus en 20 november 2010 waaruit blijkt dat eiser door het politiebureau Al-Haram is opgeroepen om te verschijnen in verband met tegen hem ingediende klachten.

3.3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet is gebleken dat eiser na zijn laatste aanhouding nog tweemaal door de autoriteiten gewaarschuwd zou zijn. Dit is pas in de zienswijze voor het eerst aangevoerd en blijkt op geen enkele wijze uit de gehoren. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat hij dit tijdens de gehoren wel heeft willen verklaren, maar hij de hierover gestelde vragen van de contactambtenaar slechts beknopt mocht beantwoorden, leidt dit niet tot een ander oordeel, nu eiser evenmin gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid om deze omstandigheden bij de correcties en aanvullingen op de gehoren naar voren te brengen.

3.4. In het bestreden besluit heeft verweerder aangevoerd dat de omstandigheid dat eiser na zijn laatste arrestatie nog wel werd geschaduwd en in de gaten gehouden onvoldoende is om aan te nemen dat hij bij terugkeer te vrezen heeft. Ter zitting heeft verweerder zich echter op het standpunt gesteld dat geen geloof wordt gehecht aan deze omstandigheid, omdat eiser in de gehoren slechts heeft verklaard dat hij het gevoel had dat hij in de gaten gehouden werd en niet dat dit daadwerkelijk gebeurde.

3.5. De rechtbank volgt verweerder niet in dat laatste standpunt. Verweerder heeft het relaas van eisers zoals dat uit de gehoren naar voren komt geloofwaardig geacht. Eiser heeft in het aanvullend nader gehoor van 13 september 2010 (pagina 12/13) verklaard dat hij door personen gelieerd aan de veiligheidspolitie in de gaten werd gehouden vanaf zijn eerste arrestatie. Eén persoon was overal waar hij naar toe ging. Ook heeft eiser verklaard dat die persoon altijd een krant bij zich had en dat het in Egypte gebruikelijk is dat personen die anderen in de gaten houden een krant vasthouden. Tegen die achtergrond heeft verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet geloofwaardig is dat eiser in de gaten werd gehouden omdat hij alleen het gevoel zou hebben gehad dat hij werd geschaduwd. Dit betekent dat bij de beoordeling van wat eisers bij terugkeer te wachten staat - anders dan verweerder ter zitting heeft gesteld - moet worden betrokken dat eiser vanaf zijn eerste aanhouding tot zijn vertrek uit Egypte in de gaten is gehouden door personen die betrokken waren bij de veiligheidspolitie.

3.6. De rechtbank is verder van oordeel dat de documenten die eisers bij de beroepsgronden hebben overgelegd op grond van artikel 83 van de Vw 2000 bij de beoordeling van het beroep kunnen worden betrokken. Eisers hebben de originelen van deze stukken aan verweerder verzonden. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de documenten niet op echtheid onderzocht hoeven te worden, omdat uit de inhoud niet blijkt in verband met welke klachten eiser door de politie is opgeroepen. Al om die reden kunnen de documenten volgens verweerder niet afdoen aan verweerders standpunt. De rechtbank stelt vast dat uit de inhoud van de documenten naar voren komt dat eiser tweemaal is opgeroepen om te verschijnen bij hetzelfde politiebureau waar hij - volgens zijn geloofwaardig geachte relaas - vier maal eerder is vastgehouden en gemarteld vanwege zijn bekering tot het christendom. Onder die omstandigheden heeft verweerder niet met voornoemde algemene motivering en zonder nader onderzoek te doen kunnen oordelen dat deze stukken niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

3.7. Nu eiser, zoals volgt uit het voorgaande, tot aan zijn vertrek in de gaten is gehouden door personen die gelieerd zijn aan de autoriteiten door wie hij gemarteld is en - mogelijk - na zijn vertrek door hen is opgeroepen, heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet meer in de negatieve belangstelling van de autoriteiten zou staan. De beroepsgrond slaagt.

4.1. Eisers hebben voorts aangevoerd dat verweerder niet bij het bestreden besluit betrokken heeft dat zij in de periode voor hun vertrek hun godsdienst verborgen hebben moeten houden en dat dit mede de reden is geweest dat zij in de laatste negentien maanden minder problemen met de autoriteiten en eisers familie hebben gehad dan daarvoor. Bij terugkeer naar Egypte zullen zij daarom opnieuw hun religie verborgen moeten houden. Dat mag niet van hen worden gevraagd.

4.2. Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat van eisers mag worden verlangd dat zij terughoudendheid betrachten bij het uitoefenen van hun geloof. Verweerder heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 oktober 2010 (LJN: BN9951).

4.3. Volgens paragraaf C2/2.7.1. van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 kan vervolging om reden van godsdienst zich ook voordoen door een verbod op godsdienstuitoefening en godsdienstonderwijs en ernstige discriminerende maatregelen tegen personen met een bepaalde godsdienstige overtuiging. Een enkele beperking of ingreep in de vrijheid van godsdienst zal op zichzelf niet snel als daad van vervolging worden aangemerkt. Slechts indien er sprake is van ernstige schending van de godsdienstvrijheid is er sprake van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Van personen die in het land van herkomst een (minderheids)godsdienst aanhangen wordt niet verlangd dat zij deze verborgen houden. Wel kan van de vreemdeling een bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht om daden van vervolging te voorkomen, onder andere wat betreft het actief willen uitoefenen van bekeringsactiviteiten in het land van herkomst.

4.4. De rechtbank stelt vast dat eisers in de gehoren hebben verklaard dat zij voorafgaand aan hun vertrek niet meer naar de kerk konden en alleen via een geheim telefoonnummer contact met de priester konden onderhouden. Zij konden hun geloof alleen thuis uitoefenen en hadden geen contact met andere geloofsgenoten. Het beleid van verweerder en de rechtspraak van de Afdeling waarin is gesteld dat terughoudendheid mag worden verwacht om daden van vervolging te voorkomen, doelt er met name op dat van vreemdelingen mag worden gevraagd om geen actieve bekeringsactiviteiten uit te oefenen. Die situatie is hier niet aan de orde. Het gaat eisers immers niet om het uitoefenen van bekeringsactiviteiten, maar om het kunnen bijwonen van kerkdiensten en het kunnen onderhouden van contact met de priester. Uit het voornoemde beleid van verweerder volgt dat van vreemdelingen niet mag worden verlangd dat zij hun religie verborgen houden. Niet in geschil is dat de wijze waarop eisers hun religie in Egypte kunnen uitoefenen is beperkt tot thuis met het eigen gezin bidden en de bijbel lezen. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat een dergelijke terughoudende geloofsuitoefening van eisers verwacht mag worden. De rechtbank is van oordeel dat zonder nadere toelichting niet begrijpelijk is waarom deze wijze van geloofsuitoefening niet is aan te merken als het verborgen houden van de godsdienst. Verweerder heeft daarom onvoldoende gemotiveerd waarom eisers niet in aanmerking komen voor vergunningverlening op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, van de Vw 2000. Ook deze beroepsgrond slaagt.

5.1. Eisers hebben voorts, onder verwijzing naar bij de zienswijze en beroepsgronden overgelegde stukken, aangevoerd dat de veiligheidsituatie voor bekeerde christenen in Egypte al slecht was en sinds de Arabische lente is verslechterd. Daar komt bij dat eiser te vrezen heeft voor zijn fundamentalistische en machtige familie, die ook betrokken is geweest bij zijn eerdere aanhoudingen. Eiser heeft stukken overgelegd waaruit blijkt dat de neef van eisers moeder, [neef van eisers moeder], een extremistische salafist, na de Arabische lente na jarenlange gevangenisstraf is vrijgelaten. Eisers stellen dat verweerder ten onrechte niet bij de beoordeling heeft betrokken dat de dreiging van wat eisers bij terugkeer te wachten staat sindsdien is vergroot en dat vanwege de positie van eisers familie niet valt te verwachten dat zij bescherming van de autoriteiten zullen krijgen.

5.2. Verweerder heeft zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2011 (201102791/1/V1) op het standpunt gesteld dat het enkele feit dat eisers koptische christenen zijn niet meebrengt dat zij daarom gevaar lopen bij terugkeer.

5.3. De rechtbank stelt vast dat eisers een groot aantal stukken hebben overgelegd ter onderbouwing van de stelling dat de situatie van bekeerde christenen slecht is en sinds de Arabische lente verder is verslechterd. Verweerder heeft zijn voornoemde standpunt niet gebaseerd op een ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken of op andere landeninformatie. De uitspraak waarnaar verweerder verwijst, ziet op christenen in Egypte in het algemeen, niet op bekeerde christenen, en evenmin op de situatie sinds de Arabische lente. Daarbij komt dat verweerder geloofwaardig heeft geacht dat eiser door de politie is opgepakt en gemarteld op instigatie van zijn familie juist vanwege zijn bekering. Eisers hebben onder verwijzing naar openbare bronnen aangevoerd dat de positie van eisers prominente en fundamentalistische familie sinds de Arabische lente is verstevigd. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder deze door eisers aangevoerde omstandigheden onvoldoende heeft betrokken bij beoordeling van de vraag of eisers bij terugkeer te vrezen hebben voor de autoriteiten en de familie van eiser. Dat betekent dat deze beroepsgrond slaagt.

6.1. Door eisers is tevens aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van gegronde vrees voor genitale verminking van hun oudste dochter. Eisers familie heeft al eens een poging ondernomen de dochter te laten besnijden. Weliswaar is vrouwenbesnijdenis sinds juni 2008 verboden in Egypte, maar het vindt nog steeds op grote schaal plaats. Ter onderbouwing van dat standpunt hebben eisers het artikel Egypt: FGM/C [Female Genital Mutilation/Cutting, toevoeging rechtbank] still widespread, says WHO-funded study van Integrated Regional Information Networks (IRIN) van 8 maart 2010 overgelegd. Daarnaast hebben eisers verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 26 januari 2011 (LJN: BP4869). In die uitspraak heeft de rechtbank onder verwijzing naar een rapport van Unicef van oktober 2010 geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de Egyptische autoriteiten daadwerkelijk bescherming kunnen bieden tegen vrouwenbesnijdenis. Eisers hebben ook in dit verband gewezen op de verslechterde situatie voor bekeerlingen in het algemeen en de situatie van eisers familie in het bijzonder. Vanwege deze omstandigheden kunnen eisers geen bescherming bij de autoriteiten inroepen, zo stellen zij.

6.2. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat eisers geen bescherming kunnen inroepen bij de autoriteiten tegen een eventuele dreigende besnijdenis van de oudste dochter. Verweerder heeft gesteld dat de vrees voor besnijdenis niet plausibel is, omdat de familie van eiser na de mislukte poging de dochter van school mee te nemen - tot aan het vertrek van eisers negen maanden later - niets meer heeft ondernomen. Verweerder heeft erop gewezen dat vrouwenbesnijdenis in Egypte in 2008 strafbaar is gesteld. Dit betekent volgens verweerder dat ervan moet worden uitgegaan dat het inroepen van bescherming mogelijk is. Verder heeft verweerder hoger beroep ingesteld tegen de door eiser aangehaalde uitspraak van 26 januari 2011. De informatie in het rapport van Unicef dateert nog van voor de strafbaarstelling van vrouwenbesnijdenis.

6.3. Volgens het door verweerder gehanteerde beleid, als neergelegd in paragraaf C2/3.2.3. van de Vc 2000 kan een meisje, indien bij terugkeer sprake is van gegronde vrees voor genitale verminking, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw indien:

a. er een reëel risico op genitale verminking bestaat; en

b. de autoriteiten van het land van herkomst geen bescherming kunnen of willen bieden aan personen die zich verzetten tegen een dreigende genitale verminking; en,

c. er geen vestigingsalternatief in het land van herkomst aanwezig wordt geacht.

6.4. De rechtbank stelt vast dat verweerder geloofwaardig heeft geacht dat eisers familie al sinds lange tijd wil dat eisers oudste dochter besneden wordt en in november 2009 een poging heeft ondernomen om haar van school mee te nemen om dit te realiseren. Naar het oordeel van de rechtbank is het enkele feit dat niet gebleken is dat de familie daarna nog een poging heeft ondernomen haar te laten besnijden onvoldoende om aan te nemen dat er geen reëel risico op genitale verminking meer bestaat, mede gelet op de omstandigheid dat vrouwenbesnijdenis in Egypte nog steeds een wijdverbreide praktijk is.

6.5. Aan de orde is daarom de vraag of verweerder kan worden gevolgd in het standpunt dat eisers bescherming kunnen inroepen bij de Egyptische autoriteiten. Uit het door eisers overgelegde artikel van IRIN blijkt dat in 1995 96% van de vrouwen van 15 tot 30 jaar besneden was en in 2008 72%. Aan verweerder kan worden toegegeven dat er in die periode verbetering is opgetreden, maar de rechtbank stelt vast dat het percentage besneden jonge vrouwen in 2008 nog zeer hoog was. Ook blijkt uit genoemd artikel, zoals verweerder heeft opgemerkt, dat vrouwenbesnijdenis in Egypte in 2008 strafbaar is gesteld. Uit het rapport van Unicef, zoals aangehaald in eerdergenoemde uitspraak van 26 januari 2011, volgt echter dat de autoriteiten wel bescherming willen bieden, maar dat de praktijk niet is uit te bannen zonder brede maatschappelijke steun, welke ontbreekt. In het artikel van IRIN wordt voorts gesteld dat besnijdenis wordt gezien als een familieaangelegenheid waarmee autoriteiten geen bemoeienis horen te hebben. De rechtbank stelt vast dat de toenmalige autoriteiten inmiddels niet meer aan de macht zijn. Eisers hebben gemotiveerd aangevoerd dat sinds de Arabische lente fundamentalistische partijen meer macht hebben gekregen. Ook hebben zij gemotiveerd onderbouwd dat de dreiging die van de familie van eiser uitgaat sindsdien is vergroot. Verweerder heeft daar geen informatie over de huidige situatie tegenover gesteld. Onder deze omstandigheden kan verweerder niet worden gevolgd in het standpunt dat eisers bescherming bij de autoriteiten kunnen inroepen. Ook deze beroepsgrond slaagt.

7. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat eiser en eiseres vanwege eisers bekering de voogdij over hun kinderen zullen verliezen. Daarbij is van belang dat eisers familie en de autoriteiten al vanaf 2008 op de hoogte zijn van eisers bekering en er tot nu toe geen pogingen zijn ondernomen om een dergelijke procedure in gang te zetten.

8. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden besluiten op voornoemde punten in strijd zijn genomen met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beroepen zijn gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. Verweerder zal daarom nieuwe besluiten moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (Besluit) vast op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank is van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit.

10. Omdat aan eisers een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten betalen aan de griffier.

Beslissing

De rechtbank, in zaken AWB 11/19111 en AWB 11/19113

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvragen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,-- (zegge: achthonderd vierenzeventig euro), te betalen aan de griffier.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Pier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: MP

Coll.:

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.