Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW3504

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-04-2012
Datum publicatie
20-04-2012
Zaaknummer
AWB 12/8864
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter stelt vast dat door verweerder naar aanleiding van de door verzoeker gestelde bekering tot het christendom, anders dan hij gewoonlijk pleegt te doen, geen kennisvragen zijn gesteld. Verweerder heeft in het afwijzende besluit op de tweede asielaanvraag van 24 juni 2011 het standpunt ingenomen dat daartoe geen aanleiding bestaat omdat verzoeker over zijn gestelde bekering direct bij het gehoor naar aanleiding van zijn aanvraag had moeten verklaren. Verweerder heeft de gestelde bekering reeds daarom ongeloofwaardig geacht. Dat voormeld besluit onherroepelijk is geworden, laat onverlet dat verweerders standpunt met betrekking tot de geloofwaardigheid van de gestelde bekering tot het christendom niet berust op een inhoudelijke beoordeling van de geloofwaardigheid maar op de door verweerder ingeroepen procedureregel dat verzoeker hierover eerder had kunnen en derhalve had moeten verklaren. Een inhoudelijke beoordeling van de door verzoeker gestelde bekering heeft derhalve tot op heden niet plaatsgevonden. Binnen het hiervoor geschetste kader inzake Bahaddar ziet de voorzieningenrechter zich gesteld voor de vraag of verzoeker in staat moet worden gesteld de geloofwaardigheid van zijn bekering alsnog aannemelijk te maken. Mede gelet op de in 2.11 genoemde verklaring van de dominee valt voorshands niet in te zien dat, indien de authenticiteit van de doopakte wordt aangetoond, niet van de geloofwaardigheid van de gestelde bekering moet worden uitgegaan. Gelet op de hierna opgenomen overwegingen van de uitspraak van deze Rb. en nevenzittingsplaats van 1 maart 2012 en de daarin genoemde notitie van Vluchtelingenwerk van november 2011, die dateren van na de uitspraak in de vorige procedure van 14 oktober 2011, moet voorshands worden aangenomen dat, indien wordt uitgegaan van de geloofwaardigheid van de bekering, sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende omstandigheden die zodanig zwaarwegend zijn dat, om schending van art. 3 EVRM te voorkomen, noodzaak bestaat om het uit art. 4:6 Awb en het ne bis in idem- beginsel volgende toetsingskader terzijde te schuiven. (…).De voorzieningenrechter sluit zich aan bij de hiervoor weergegeven overwegingen van de uitspraak van deze Rb. en nevenzittingsplaats van 1 maart 2012 (LJN: BV8668). Hieruit en uit de in die uitspraak genoemde notitie van Vluchtelingenwerk met bijlagen van november 2011, waarop ook door verzoeker een beroep is gedaan, vloeit voort dat voor verzoeker mogelijk sprake is van vrees voor vervolging waarmee voorts mogelijk sprake is dat tot het christendom bekeerde vreemdelingen van Iraanse afkomst, waartoe verzoeker mogelijk behoort, een reëel risico lopen in de zin van art. 3 EVRM. Gelet daarop, mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat verweerder de gestelde bekering tot op heden niet inhoudelijk heeft beoordeeld, moet verzoeker in de gelegenheid worden gesteld de authenticiteit van de doopakte aan te tonen. In dit verband verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2011 (LJN: BP1922). De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat verzoeker daartoe in staat is binnen een termijn van drie maanden. Verweerder zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren en kan daarbij aangeven of aanleiding bestaat voor handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit. Vovo toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 's-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 12 / 8864 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 3 april 2012

in de zaak van:

[naam verzoeker],

geboren op [geboortedatum], van Iraanse nationaliteit, verblijvende in

[locatie],

verzoeker,

gemachtigde: mr. F.H. Bruggink, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen:

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. C. Brand, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1. Procesverloop

1.1 Verzoeker heeft op 9 maart 2012 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 14 maart 2012 afgewezen en een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. Verzoeker heeft tegen het besluit beroep ingesteld.

1.2 Verzoeker heeft op 15 maart 2012 gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten voordat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

1.3 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 27 maart 2012. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1 Indien tegen een besluit beroep is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.2 Verzoeker heeft eerder, te weten op 10 december 2010, een asielaanvraag ingediend. Ter onderbouwing van die aanvraag heeft verzoeker aangevoerd dat hij door de PKK is gedwongen hen te vervoeren. Verzoeker werd door de autoriteiten verdacht van samenwerking met de PKK en bestempeld als verrader. Verzoeker heeft naar aanleiding hiervan zijn land van herkomst verlaten. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 20 december 2010 afgewezen op de volgende gronden. Verzoeker is toerekenbaar ongedocumenteerd inzake zijn reis, identiteit en asielaanvraag en wordt daarom het bepaalde in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) tegengeworpen. Verzoekers verklaringen missen positieve overtuigingskracht en zijn relaas wordt derhalve ongeloofwaardig geacht. Het hiertegen ingestelde beroep is door deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, bij uitspraak van 18 januari 2010 ongegrond verklaard (AWB 10/43613).

Verzoeker heeft op 16 juni 2011 een tweede asielaanvraag ingediend. Verzoeker heeft in de correcties & aanvullingen naar aanleiding van het gehoor over deze aanvraag aangegeven dat hij zich heeft bekeerd tot het christendom en heeft verzocht daarover te worden gehoord. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit 24 juni 2011 afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 4:6 Awb. Ten aanzien van verzoekers bekering tot het christendom heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat deze niet geloofwaardig kan worden geacht omdat verzoeker daarover tijdens het gehoor naar aanleiding van de aanvraag had kunnen en moeten verklaren. Verzoeker heeft het hiertegen ingestelde beroep ingetrokken.

Verzoeker heeft op 13 september 2011 een derde asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 21 september 2011 afgewezen op grond van artikel 4:6 Awb. Bij uitspraak van 14 oktober 2011 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, (AWB 11/30652) is het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en niet is gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest Bahaddar tegen Nederland.

2.3 Naar aanleiding van de onderhavige aanvraag heeft op 10 maart 2012 een gehoor plaatsgevonden. Verzoeker heeft tijdens dat gehoor verklaard dat hij opnieuw een asielaanvraag heeft ingediend omdat verzoeker van een kennis heeft vernomen dat zijn familie iemand naar Nederland heeft gestuurd om hem te doden vanwege zijn bekering tot het christendom.

2.4 Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker afgewezen op grond van artikel 4:6 Awb omdat verzoeker geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd.

2.5 Uit het ne bis in idem beginsel vloeit voort dat, indien na een eerder afwijzend besluit een materieel vergelijkbaar besluit wordt genomen, op voorhand moet worden aangenomen dat laatstgenoemd besluit door de bestuursrechter niet mag worden getoetst als ware het een eerste afwijzing. Slechts indien door de vreemdeling in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, kunnen dat besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst. Dat geldt ook indien uit hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd kan worden afgeleid dat zich een voor hem relevante wijziging van het recht voordoet. Dit is slechts anders, indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden als bedoeld in overweging 45 van het arrest van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 (Bahaddar tegen Nederland; JV 1998/45) voordoen.

2.6 De voorzieningenrechter beoordeelt ambtshalve of aan de aanvraag nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag zijn gelegd. Daaronder moeten worden begrepen feiten en omstandigheden die zijn voorgevallen na het nemen van het eerdere besluit of die niet voor het nemen van dat besluit konden worden aangevoerd en bewijsstukken van reeds eerder aangevoerde feiten of omstandigheden die niet voor het nemen van het eerdere besluit konden worden overgelegd. Dergelijke nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden rechtvaardigen echter geen nieuwe rechterlijke beoordeling, indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen alsnog is aangevoerd of overgelegd kan afdoen aan het eerdere besluit.

2.7 De informatie van verzoekers kennis, dat verzoekers familie iemand naar Nederland heeft gestuurd om hem te doden vanwege zijn bekering, is geen informatie die afkomstig is uit een objectief verifieerbare bron. Deze omstandigheid kan daarom niet worden aangemerkt als novum.

2.8 Daarnaast is op voorhand uitgesloten dat verzoekers bekering tot het christendom kan afdoen aan het eerdere afwijzende besluit van 24 juni 2011. Daarin heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat verzoeker zijn bekering niet aannemelijk heeft gemaakt omdat hij hierover eerder had moeten verklaren. Nu verzoeker het tegen dit besluit ingestelde beroep heeft ingetrokken, is dat standpunt onherroepelijk geworden. Gelet hierop komt de voorzieningenrechter, binnen het onderhavige toetsingskader, niet toe aan de beoordeling van het gewijzigde landgebonden beleid inzake Iran, de gestelde verslechterde situatie van bekeerlingen in Iran en de stukken die verzoeker in dit verband heeft overgelegd.

2.9 In de zienswijze heeft verzoeker aangevoerd dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 45 van bovengenoemd arrest van het EHRM inzake Bahaddar. Op grond van de door verzoeker getoonde originele doopakte en de verklaring van 23 maart 2012 van mevrouw [naam], dominee in [locatie verzoeker], dient verzoekers bekering geloofwaardig te worden geacht. Tot het christendom bekeerde vreemdelingen van Iraanse afkomst lopen een risico in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Ter onderbouwing van dit standpunt heeft verzoeker gewezen op de volgende stukken:

- een notitie van Vluchingenwerk Nederland van november 2011 met de daarbij horende bijlagen:

• de brief aan de tweede kamer van de minister voor immigratie en asiel, 19 september 2011;

• het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over Iran van augustus 2011;

• het jaarrapport van de United States Commission on International Religious Freedom, mei 2011;

• reactie op brief van minister 19 september 2011van het Platform Christen Asielzoekers Iran;

• de overzichten van Christian Solidarity Worldwide, Iran, van januari 2011, en augustus 2011;

• het bericht van Christian Solidarity Worldwide, Iran, van 27 oktober 2011;

• het rapport van de US Department of State, International Religious Freedom

Report Iran, van 13 september 2011;

• rapport van de UK Common and Foreign Wealth Office, maart 2011;

- de prejudiciële vragen die zijn gestelde door het Bundesverwaltungsgericht op 18 februari 2012 (C-71/11);

- de interim measure van het EHRM van 13 februari 2012 inzake een Iraanse vreemdeling;

- kamervragen van 15 maart 2012 over Iraanse vreemdelingen;

- uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 1 maart 2012 (LJN: BV8668).

2.10 De voorzieningenrechter dient derhalve te beoordelen of sprake is van dusdanig bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende omstandigheden dat, om schending van artikel 3 van het EVRM te voorkomen, noodzaak bestaat om het uit artikel 4:6 van de Awb en het ne bis in idem-beginsel volgende toetsingskader terzijde te schuiven. In dat kader is van belang of de feiten en omstandigheden die verzoeker heeft aangevoerd, in het licht van de beoordeling in de eerdere procedure en het bepaalde in artikel 13 van het EVRM, zodanig zwaarwegend zijn, dat de wijze waarop het besluit van gelijke strekking naar nationaal recht dient te worden beoordeeld, er aan in de weg staat dat een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling of bestraffing in de beoordeling van het beroep wordt betrokken. In dit verband overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

2.11 Ter onderbouwing van de door verzoeker gestelde bekering tot het christendom heeft verzoeker tijdens het gehoor naar aanleiding van de derde asielaanvraag van 13 september 2011 een originele doopakte getoond waarvan verweerder een kopie heeft gemaakt. Verzoeker heeft ter zitting bevestigd dat het origineel nog immer in zijn bezit is. Daarnaast heeft verzoeker in de onderhavige procedure een verklaring van de dominee, mevrouw [naam], van 23 maart 2012 overgelegd waarin staat dat verzoeker tijdens zijn verblijf in het AZC en thans in het detentiecentrum naar de kerk gaat, dat hij deelneemt aan de Bijbelgespreksgroep en dat hij zingt in het kerkkoor.

2.12 De voorzieningenrechter stelt vast dat door verweerder naar aanleiding van de door verzoeker gestelde bekering tot het christendom, anders dan hij gewoonlijk pleegt te doen, geen kennisvragen zijn gesteld. Verweerder heeft in het afwijzende besluit op de tweede asielaanvraag van 24 juni 2011 het standpunt ingenomen dat daartoe geen aanleiding bestaat omdat verzoeker over zijn gestelde bekering direct bij het gehoor naar aanleiding van zijn aanvraag had moeten verklaren. Verweerder heeft de gestelde bekering reeds daarom ongeloofwaardig geacht. Dat voormeld besluit onherroepelijk is geworden, laat onverlet dat verweerders standpunt met betrekking tot de geloofwaardigheid van de gestelde bekering tot het christendom niet berust op een inhoudelijke beoordeling van de geloofwaardigheid maar op de door verweerder ingeroepen procedureregel dat verzoeker hierover eerder had kunnen en derhalve had moeten verklaren. Een inhoudelijke beoordeling van de door verzoeker gestelde bekering heeft derhalve tot op heden niet plaatsgevonden.

2.13 Binnen het hiervoor geschetste kader inzake Bahaddar ziet de voorzieningenrechter zich gesteld voor de vraag of verzoeker in staat moet worden gesteld de geloofwaardigheid van zijn bekering alsnog aannemelijk te maken. Mede gelet op de in 2.11 genoemde verklaring van de dominee valt voorshands niet in te zien dat, indien de authenticiteit van de doopakte wordt aangetoond, niet van de geloofwaardigheid van de gestelde bekering moet worden uitgegaan. Gelet op de hierna opgenomen overwegingen van de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats van 1 maart 2012 en de daarin genoemde notitie van Vluchtelingenwerk van november 2011, die dateren van na de uitspraak in de vorige procedure van 14 oktober 2011, moet voorshands worden aangenomen dat, indien wordt uitgegaan van de geloofwaardigheid van de bekering, sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende omstandigheden die zodanig zwaarwegend zijn dat, om schending van artikel 3 van het EVRM te voorkomen, noodzaak bestaat om het uit artikel 4:6 van de Awb en het ne bis in idem- beginsel volgende toetsingskader terzijde te schuiven. In voormelde uitspraak is, voor zover van belang, het volgende overwogen:

“Uit het ambtsbericht van augustus 2011 (pagina 41) blijkt dat de ‘nieuwe kerken’ in Iran, de enige kerk waar eiseres zich als bekeerde christen bij kan aansluiten, bestaan uit evangeliserende kerken en huiskerken, waarbij negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten mag worden verwacht. ‘Zolang men een laag profiel aanhoudt, zouden volgelingen van huiskerken in de regel in relatieve rust hun geloof kunnen belijden. Een laag profiel houden houdt in dit verband vooral in dat voorkomen dient te worden dat de bijeenkomsten te veel zichtbaar worden voor de omgeving. Dreiging van een inval door de politie die inzicht wil krijgen in de aard van de bijeenkomst, afluisteren van de telefoon, controle van e-mailberichten en infiltratie door spionnen is altijd aanwezig. Hoewel sprake is van verhoogde aandacht voor huiskerken, zouden de Iraanse autoriteiten over het algemeen geen actief vervolgingsbeleid voeren ten opzichte van bezoekers van deze huiskerken’.

Tevens blijkt uit het ambtsbericht (pagina 42) dat ’vooral als de binnenlandse politieke situatie daartoe aanleiding geeft, sprake is van een toenemende druk op bezoekers en leiders van ‘nieuwe’ kerken. Zo zijn in december 2010 in de provincie Teheran tientallen bezoekers van ‘nieuwe’ kerken opgepakt. Het is niet bekend hoeveel van deze mensen aan het einde van de verslagperiode nog vastzitten. Deze politieactie zou volgen op herhaalde uitspraken van Geestelijk Leider Khamenei in de islamitische heilige plaats Qom en tijdens het vrijdaggebed, waarin hij waarschuwde voor de negatieve invloed van evangeliserende groepen op sjiitische jongeren. Zelfs in Qom zouden zich verschillende huiskerken bevinden. In verband hiermee zouden volgens een bron de Iraanse autoriteiten sinds de afgelopen zes tot acht maanden hun huiskerkenbeleid van ‘gedogen zolang geen evangelisatie, overlast en/of publieke activiteiten plaatsvinden’ hebben ingewisseld voor een actieve vervolging van huiskerken. Dit zou impliceren dat ook leden die slechts aanwezig zijn bij bijeenkomsten maar zich niet actief inlaten met evangelisatie, risico zouden lopen. Deze informatie kon niet door andere, onafhankelijke bronnen worden bevestigd.’ Uit het ambtsbericht blijkt voorts (pagina 44) dat ‘er gedurende de verslagperiode gevallen bekend waren van arrestatie van personen wegens conversie. Ook kwam het gedurende de verslagperiode geregeld voor dat bekeerde christenen werden gearresteerd na een inval in huiskerken door de autoriteiten, waarvan sommigen zich nog in detentie bevinden.’

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder meer de uitspraak van 16 april 2004, LJN: AO8679) kan een ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in een land worden aangemerkt als een deskundigenadvies aan verweerder, als het op een onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft, onder aanduiding – voor zover mogelijk en verantwoord – van de bronnen waaruit deze informatie afkomstig is. Verweerder mag bij de besluitvorming op asielaanvragen van een dergelijk ambtsbericht uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

Eiseres heeft ten aanzien van het ambtsbericht van augustus 2011 aangevoerd dat de informatie tegenstrijdig is, omdat enerzijds wordt vermeld dat er geregeld bekeerde christenen door de autoriteiten zijn gearresteerd na een inval in huiskerken, terwijl anderzijds wordt vermeld dat er geen sprake is van een actief vervolgingsbeleid. Bovendien is ten aanzien van de passage dat geen sprake is van een actief vervolgingsbeleid geen bronvermelding opgenomen, zodat onduidelijk is waar deze informatie vandaan komt. Daarbij komt dat vele andere bronnen op dit punt andere informatie bieden. Eiseres verwijst daarbij naar de in rechtsoverweging 2.12 reeds weergegeven rapporten. Deze rapporten bevatten concrete aanknopingspunten voor twijfel aan genoemde passage uit het ambtsbericht, aldus eiseres.

Het UK Common and Foreign Wealth Office schrijft in een rapport van maart 2011 dat: “Christians from more informal ‘house churches’, those who had converted from Islam and those involved in evangelism faced mounting harassement at the end of 2010.”

Het jaarrapport van de United States Commission on International Religious Freedom van mei 2011 vermeldt het volgende: “During the reporting period, the number of incidents of Iranian authorities raiding church services, harassing and threatening church members, and arresting, convicting, and imprisoning worshippers and church leaders has increased significantly. Christians, particularly Evangelical and other Protestants, are subject to harassment, arrests, close surveillance, and imprisonment”.

In het overzicht van Christian Solidarity Worldwide (hierna: CWS) van augustus 2011 wordt het volgende vermeld: “There has been a significant increase in human rights violations in Iran since the 2009 elections, and the past year has seen a particular rise in the persecution of religious minorities, principally of Christians from the Iranian house church movement. Since June 2010 there have been nearly 300 confirmed cases of Christians who have suffered arrests, interrogations and detentions in at least 35 cities across Iran; however the full figure is almost certainly far higher. The majority of those arrested have been released following a short incarceration, but many have been called back for further questioning and at least 41 have spent between one month and a year in prison.” […] “Torture is used to pressure individuals to make confessions and to provide information on fellow Christians and religious activities. Exorbitant bail postings, some in excess of US$30,000, secure the release of individuals, along with illegal documents that religious detainees are forced to sign. Such documents demand an end to participation in Christian activities, the renunciation of faith and compliance with further questioning when summoned. Laptops and mobile phones are often confiscated during raids on private Christian homes, and are used to obtain information on the activities and identities of other Christians.”

In het rapport van de US State Department, International Religious Freedom Report Iran, van 13 september 2011, wordt het volgende vermeld: “Christian, particularly evangelicals, continued to be subject to harassment and close surveillance. During the reporting period, the government enforced its prohibition on proselytizing by closely monitoring the activities of evangelical Christians, discoursing Muslims from entering church premises, closing churches and arresting Christian converts.”

Uit het rapport van Iran deskundige Anna Enayat van 30 september 2011 blijkt het volgende: Pag 4: “The deterioration of the past three years has involved both a sharp increase of incidents against converts and the churches/house churches the attend, and of arrest. Beside arrests of pastors and other converts who are in some way active (…), arrests of ordinary Christians on the same arbitrary and unpredictable pattern noted in my 18 April 2011 report have been reported. Many, though by no means all, such arrest involve an accusation of ‘evangelising’. However, it is not at all clear what constitutes ‘evangelising’ in the authorities’ eyes, or whether the individual concerned has indeed been evangelising in a way that goes beyond talking to friends and acquaintances or lending or giving a bible or other kinds of Christian literature to them. In 2009 and 2010 converts and the churches/house churches to which they belong have increasingly been viewed by the authorities as organisations controlled and financed by the West to promote the ‘soft’ overthrow of the regime. This trend had, particularly since the Autumn of 2010, manifested itself in regime rhetoric which culminated in a December 2010/January 2011 crackdown involving many arrest. In the light of this rhetoric, and the large number of arrests over the past months, it is unlikely that the intensified wave of persecution, now sustained for two years, will end in the foreseeable future.” Pag 5:“Also reflecting this outlook has been the increased use of ‘national security ‘[i.e. political] charges against converts often en phrased (there are variants in the media translations) as ‘propaganda against the system through promoting Christianity’ or ‘membership in an illegal organization”. Pag 7: “Both ordinary and active converts are frequently required to provide undertakings that they will abstain from future attendance at any Christian meeting and some have been pressured to recant”. Pag 9: “While ‘ordinary’ Christians participating in these meetings (as opposed to ‘hosts’ of the gatherings who may in some cases be ’leaders’, but are more often simply the homeowners), have largely been detained for no more than 24 hours, the reports consistently record that they are required to sign undertakings to ‘cease Christian activities’ and that they will no longer attend their house church. Increasingly over the past 2-3 years as the regime has become more actively hostile to evangelical Christians they have been required to recant”. Pag 9: “While it is probably true that many, or even most, converts to Christianity behave discreetly, their discretion had not necessarily protected them form discovery and persecution”. Pag 11: “If the appellant returns to Iran without any kind of hindrance during the entry process he is unlikely, in current circumstances, to be able to practice Christianity in the context of either a public church or an underground house church, without putting himself and others at risk”.

In het bericht van CWS van 27 oktober 2011 wordt het volgende vermeld: “Local sources informed CWS this week that a renewed campaign of harassment of Iranian Christians is on the way. Several members of the church of Iran, Pastor Nadakhani’s denomination, have been called in for questioning. Many of them have been threatened with charges of blasphemy, with one person being told that he would be punished for engaging in ‘actions against the security of the state ‘ – this phrase is being increasingly used to refer to taking part in Christian meetings. […] There is an increasing tendency by Iranian courts and officials to characterise legitimate Christian activities as crimes against the state.”

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting ten aanzien van het ontbreken van de bronvermelding in het ambtsbericht voor wat betreft het onderdeel dat geen sprake is van een actief vervolgingsbeleid verwezen naar de brief van de minister van Immigratie en Asiel van 19 september 2011 gericht aan de Tweede Kamer. Hieruit volgt dat bij het opstellen van het ambtsbericht gebruik is gemaakt van bevindingen ter plaatste en vertrouwelijke rapportages van de Nederlandse vertegenwoordigers in Iran. Verweerder ziet derhalve geen reden om aan het ambtsbericht te twijfelen.

De rechtbank stelt vast dat uit de door eiseres overgelegde en hierboven aangehaalde stukken het beeld naar voren komt dat ook ten aanzien van christenen die geen bekeringsactiviteiten verrichten, maar uitsluitend hun geloof belijden door middel van het bezoeken van huiskerken of ‘nieuwe kerken’, sprake is van vervolging. Ook in het ambtsbericht zelf zijn passages opgenomen waaruit blijkt dat het gedogen van huiskerken indien geen evangelisatie, overlast en/of publieke activiteiten plaatsvinden is ingewisseld voor een actief vervolgingsbeleid.

Verweerder heeft ter motivering van zijn standpunt dat de vrees van eiseres voor vervolging vanwege haar geloof en het belijden van haar geloof niet aannemelijk is in het bestreden besluit slechts verwezen naar de passage in het ambtsbericht waarin wordt vermeld dat in het algemeen geen actief vervolgingsbeleid gevoerd wordt ten opzichte van bezoekers van huiskerken. Nu het ambtsbericht ten aanzien van deze passage geen bronvermelding bevat, terwijl uit de door eiseres overgelegde stukken een ander beeld naar voren komt, is de rechtbank van oordeel dat verweerders standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt te vrezen voor vervolging bij terugkeer, onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd. De verwijzing ter zitting naar de brief van de minister van 19 september 2011 maakt het voorgaande niet anders. Gelet op het voorgaande, volgt de rechtbank zonder nadere motivering niet het standpunt van verweerder dat eiseres haar geloof kan belijden zonder dat zij een reëel risico loopt op repercussies van de zijde van de Iraanse autoriteiten. Verweerder heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd dat eiseres niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 Awb.”

2.14 De voorzieningenrechter sluit zich aan bij de hiervoor weergegeven overwegingen van de uitspraak van deze rechtbank en nevenzittingsplaats. Hieruit en uit de in die uitspraak genoemde notitie van Vluchtelingenwerk met bijlagen van november 2011, waarop ook door verzoeker een beroep is gedaan, vloeit voort dat voor verzoeker mogelijk sprake is van vrees voor vervolging waarmee voorts mogelijk sprake is dat tot het christendom bekeerde vreemdelingen van Iraanse afkomst, waartoe verzoeker mogelijk behoort, een reëel risico lopen in de zin van artikel 3 EVRM.

2.15 Gelet daarop, mede in aanmerking genomen de omstandigheid dat verweerder de gestelde bekering tot op heden niet inhoudelijk heeft beoordeeld, moet verzoeker in de gelegenheid worden gesteld de authenticiteit van de doopakte aan te tonen. In dit verband verwijst de voorzieningenrechter naar de uitspraak van de Afdeling van 14 januari 2011 (LJN: BP1922). De voorzieningenrechter gaat ervan uit dat verzoeker daartoe in staat is binnen een termijn van drie maanden. Verweerder zal vervolgens in de gelegenheid worden gesteld hierop te reageren en kan daarbij aangeven of aanleiding bestaat voor handhaving, wijziging of intrekking van het bestreden besluit.

2.16 Uit het vorenstaande volgt dat aan het beroep een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd. Bij deze stand van zaken weegt het belang van verzoeker om de behandeling van zijn beroep in Nederland af te wachten zwaarder dan het belang van verweerder bij de mogelijkheid verzoeker uit te zetten. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening derhalve toewijzen in die zin dat verweerder wordt verboden verzoeker uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist. Hetgeen overigens is aangevoerd, behoeft thans geen bespreking meer.

2.17 De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die verzoeker heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 874,- (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Omdat aan verzoeker een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, wordt dit bedrag ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Awb betaald aan de griffier.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

3.2 verbiedt verweerder verzoeker uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep;

3.3 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan de griffier van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.S. de Groot, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.I. Siers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 april 2012.

Afschrift verzonden op :

Coll:

Rechtsmiddel

Van deze uitspraak staat geen hoger beroep open.