Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW3362

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
AWB 12/2199 en AWB 12/2198
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Verzoek om voorlopige voorziening en tevens beroep tegen besluit op bezwaar van verweerder. Verweerder heeft de aanvraag van verzoekster om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering op grond van de Wwb voor de kosten van het levensonderhoud omdat zij in Nederland niet mag werken en dus geen inkomen heeft, en omdat zij de moeder is van een minderjarig Nederlands kind dat verzorging nodig heeft, afgewezen en het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard. Verzoekster beschikt niet over een verblijfstitel op grond waarvan recht bestaat op bijstandverlening. Zij beschikt over een verblijfstitel voor onbepaalde tijd voor Italië. Verzoekster valt niet onder art. 11, tweede en derde lid van de Wwb. Uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) volgt dat de wetgever met de invoering van de zogenoemde Koppelingswet de categorieën vreemdelingen die door de werking van artikel 11 van de Wwb geen recht op bijstand hebben, met het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de Wwb uitdrukkelijk ook buiten het bereik van de in artikel 16, eerste lid, van de Wwb opgenomen hardheidsclausule heeft gebracht. Door deze uitdrukkelijke keus van de wetgever kan een eventueel uit artikel 8 EVRM voortvloeiende positieve verplichting op de staat om de situatie van verzoekster in overeenstemming te brengen met de in artikel 8 van het EVRM opgenomen waarborgen, niet met toepassing van de Wwb gestalte worden gegeven, aldus de CRvB. Indien ten aanzien van verzoekster een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het EVRM rust deze verplichting, gezien voornoemde uitspraak, op de bestuursorganen die zijn belast met de wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

VOORZIENINGENRECHTER VAN DE RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummers: Awb 12/2199 en Awb 12/2198

uitspraak ingevolge artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om een voorlopige voorziening en tevens op het beroep van

[verzoekster], te Den Haag, verzoekster

(gemachtigde: mr. A.G. Kleijweg),

tegen

het college van burgmeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: D. Swart).

Procesverloop

Bij besluit van 14 oktober 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster van 3 oktober 2011 om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand ( Wwb) afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft op 22 november 2011 (AWB 11/8211) bij wijze van voorlopige voorziening bepaald dat aan verzoekster voorschotten dienen te worden verstrekt ter hoogte van de voor haar geldende bijstandsnorm tot zes weken na de datum van bekendmaking van het besluit op bezwaar.

Bij besluit van 27 februari 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Het verzoek is op 28 maart 2012 ter zitting behandeld.

Verzoekster en de minderjarige [minderjarige] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde, voornoemd.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1. Verzoekster heeft de Chinese nationaliteit en beschikt over een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd in Italië. Verzoekster is op [datum] 2010 in Den Haag bevallen van een dochtertje (nader: de minderjarige) waarvan de vader de Nederlandse nationaliteit bezit. De minderjarige bezit de Nederlandse nationaliteit en staat ingeschreven op het adres van haar vader. De vader ontvangt kinderbijslag voor de minderjarige. Verzoekster heeft met de minderjarige de woning van de vader verlaten.

1.2. Verzoekster heeft op 4 september 2011 een vergunning tot verblijf in Nederland (regulier) aangevraagd en op 3 oktober 2011 verweerder gevraagd om in aanmerking te worden gebracht voor een uitkering op grond van de Wwb voor de kosten van het levensonderhoud omdat zij in Nederland niet mag werken en dus geen inkomen heeft, en omdat zij de moeder is van een Nederlands kind dat verzorging nodig heeft. Verzoekster en de minderjarige verblijven in de zogenoemde crisisopvang van de [stichting].

1.3. Verweerder heeft bij het primaire besluit afwijzend op die aanvraag beslist en daartoe overwogen dat verzoekster niet beschikt over een verblijfstitel op grond waarvan recht bestaat op bijstandverlening als gevraagd. Tegen dat besluit heeft verzoekster bezwaar ingediend en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

1.4. De voorzieningenrechter heeft in zijn uitspraak van 22 november 2011 verweerder opgedragen aan verzoekster per 25 oktober 2011 voorschotten te verstrekken ter hoogte van de voor haar geldende bijstandsnorm, tot zes weken na de datum van bekendmaking van het besluit op bezwaar.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar van verzoekster tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder het standpunt ingenomen dat nu bij besluit van 3 januari 2012 afwijzend is beslist op de aanvraag van verzoekster om een verblijfsvergunning, en verzoekster beschikt over een verblijfstitel voor onbepaalde tijd voor Italië, verzoekster geen EU-burger is en als zodanig ook geen rechten kan doen gelden. Van bindingen van verzoekster met Nederland is naar opvatting van verweerder geen sprake en het feit dat de minderjarige de Nederlandse nationaliteit heeft maakt dit niet anders aldus verweerder. Het beroep op het Zambrano-arrest faalt volgens verweerder mede op grond van het feit dat door terug naar Italië te gaan, de minderjarige haar Unieburgerrechten niet hoeft op te geven. Ten slotte heeft verweerder overwogen dat het besluit niet in strijd is met de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) omdat de vader van de minderjarige heeft verklaard voor haar te willen zorgen. De zorgplicht ten aanzien van minderjarige Unieburgers drukt niet persé op Nederland maar evenzeer op Italië, aldus verweerder.

3. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

3.2. Op grond van het bepaalde in artikel 8:86 van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb, nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

3.3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

3.4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoekster ter zitting haar beroep op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) van 8 maart 2011, C-34/09 in de zaak Zambrano heeft ingetrokken. In voornoemd arrest heeft het Hof, kort gezegd, overwogen dat het effectief genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten wordt ontzegd indien een staatsburger van een derde staat het recht wordt ontzegd te verblijven en te werken in de lidstaat waar zijn kinderen van jonge leeftijd, staatsburgers van die lidstaat, verblijven. Het Hof heeft immers bij arrest van 15 november 2011, C-256/11 in de zaak Dereci, kort gezegd, overwogen dat het criterium van de ontzegging van het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten (Zambrano), betrekking heeft op gevallen die erdoor gekenmerkt worden dat de burger van de Unie feitelijk wordt verplicht om het grondgebied van niet alleen de lidstaat waarvan hij staatsburger is, maar ook dat van de Unie als geheel te verlaten. Niet in geschil is dat verzoekster een verblijfsvergunning heeft voor Italië zodat het weigeren van een verblijfsvergunning en een arbeidsvergunning niet tot gevolg heeft dat de minderjarige de Unie als geheel dient te verlaten.

3.5. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat niet in geschil is dat verzoekster niet valt onder artikel 11, tweede en derde van de Wwb, de vreemdelingen die met een Nederlander gelijk worden gesteld. Uit de rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), onder meer de uitspraak van 28 februari 2012, LJN: BV7467, volgt dat de wetgever met de invoering van de zogenoemde Koppelingswet, (Stb. 1998, 203) de categorieën vreemdelingen die door de werking van artikel 11 van de Wwb geen recht op bijstand hebben, met het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de Wwb uitdrukkelijk ook buiten het bereik van de in artikel 16, eerste lid, van de Wwb opgenomen hardheidsclausule heeft gebracht. Door deze uitdrukkelijke keus van de wetgever kan een eventueel uit artikel 8 EVRM voortvloeiende positieve verplichting op de staat om de situatie van verzoekster in overeenstemming te brengen met de in artikel 8 van het EVRM opgenomen waarborgen, niet met toepassing van de Wwb gestalte worden gegeven, aldus de CRvB. Indien ten aanzien van verzoekster een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het EVRM rust deze verplichting, gezien voornoemde uitspraak, op de bestuursorganen die zijn belast met de wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen.

3.6. Voor zover verzoekster heeft gesteld dat het in het licht van voornoemde jurisprudentie van de CRvB in de rede ligt overgangsrecht te creëren, al dan niet door het toekennen van een tijdelijke voorlopige voorziening, nu een verzoek gericht aan het Centrale Orgaan Opvang asielzoekers (COA) enige tijd in beslag neemt, volgt de voorzieningenrechter verzoekster niet in haar betoog. Uit de jurisprudentie van de CRvB volgt immers dat niet verweerder maar een ander bestuursorgaan bevoegd is, zodat ook ten aanzien van dit verzoek zij zich tot het betreffende bestuursorgaan dat is belast met de wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen dient te wenden.

3.7. Met betrekking tot de minderjarige overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter gezien de inhoud van de aanvraag terecht heeft besloten de aanvraag om bijstand van verzoekster niet tevens te beschouwen als een zelfstandige aanvraag van de minderjarige. Daarbij komt dat de minderjarige ten tijde van de aanvraag op het adres van de vader stond ingeschreven.

4. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep niet slaagt. Voor het treffen van voorlopige voorzieningen bestaat onder deze omstandigheden geen grond.

5. Voor een proceskostenveroordeling en vergoeding van het griffierecht ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank

verklaart het beroep ongegrond;

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De uitspraak is gedaan door mr. L. Koper, rechter, in aanwezigheid van F.E. van de Putte , griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 april 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover daarbij op het beroep is beslist, kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.