Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW3098

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
399010 - HA ZA 11-2100
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wijziging Sanctieregeling Iran 2007, gewijzigd in 2010, onrechtmatig jegens eisers? Voldoende belang in de zin van art. 3:303 BW? Rechtbank neemt oordeel van het hof Den Haag in de eerdere zaak (LJN BQ4781) over. Geen recht op immateriële schadevergoeding bij de schending als hier aan de orde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 399010 / HA ZA 11-2100

Vonnis van 28 maart 2012

in de zaak van

1.[eiser sub 1],

wonende te [woonplaats],

2.[eiser sub 2],

wonende te [woonplaats],

3.[eiser sub 3],

wonende te [woonplaats],

4.[eiser sub 4],

wonende te [woonplaats],

eisers,

advocaat mr. J. Klaas te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Buitenlandse Zaken en het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen),

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. E.J. Daalder te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eisers c.s.] (gedaagden tezamen) althans [eiser sub 1], [eiser sub 2], [eiser sub 3] en [eiser sub 4], respectievelijk de Staat genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 7 juli 2011, met producties;

- de conclusie van antwoord, met producties,

- het tussenvonnis van 21 september 2011;

- het proces-verbaal van comparitie van 13 februari 2012.

1.2.Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.Op 3 februari 2010 heeft deze rechtbank vonnis (zaaknummer/rolnummer 334949/HA ZA 09-1192, LJN BL1862) gewezen in de zaak tussen - voor zover relevant - [eiser sub 1], [eiser sub 2] en [eiser sub 3] als eisers en de Staat als gedaagde. De rechtbank heeft in die procedure geoordeeld over de Wijziging Sanctieregeling Iran 2007 (verder: Sanctieregeling 2007) van 23 juni 2008, Stcrt. 2008, nr. 124, pagina 9, vastgesteld door de minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Artikel 2a van de Sanctieregeling 2007 luidde, toen de rechtbank haar vonnis wees, voor zover relevant als volgt:

1. Het is verboden om Iraanse onderdanen toegang te verlenen tot de in de bijlage bij deze regeling genoemde locaties en gegevensbestanden.

2. Het is verboden om zonder of in afwijking van een ontheffing van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gespecialiseerde vorming of opleiding aan Iraanse onderdanen te verstrekken, die kan bijdragen aan proliferatiegevoelige activiteiten van Iran en aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens. (..)

3. Een ontheffing op grond van het tweede lid kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.

4. In de bij deze regeling behorende bijlage wordt vermeld op welke gebieden van onderwijs en onderzoek het verbod bedoeld in het tweede lid in elk geval betrekking heeft.

2.2. De Sanctieregeling 2007 was door de beide ministers vastgesteld naar aanleiding van resolutie 1737 (UNSCR 1737 (2006)) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, waarin de lidstaten worden opgeroepen, bij wijze van sanctie, maatregelen tegen Iran te nemen. Artikel 17 van de resolutie luidt:

[The Security Council] Calls upon all States to exercise vigilance and prevent specialized teaching or training of Iranian nationals, within their territories or by their nationals, of disciplines which would contribute to Iran's proliferation sensitive nuclear activities and development of nuclear weapon delivery systems.

2.3. Deze resolutie werd gevolgd door de publicatie van een Gemeenschappelijk Standpunt (2007/140/GBVB) van de Raad van de Europese Unie d.d. 27 februari 2007. Artikel 6 daarvan bevat - voor zover relevant - het navolgende:

De lidstaten nemen overeenkomstig hun nationale wetgeving de nodige maatregelen om te verhinderen dat, op hun grondgebied of door hun onderdanen, gespecialiseerde vorming of opleiding aan Iraanse onderdanen wordt verstrekt, die bijdraagt aan proliferatiegevoelige activiteiten van Iran en aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens.

2.4. In haar vonnis van 3 februari 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat voor het door de Staat in de Sanctieregeling 2007 gemaakte onderscheid naar nationaliteit geen objectieve en redelijke rechtvaardigingsgrond bestond. De rechtbank heeft de Sanctieregeling 2007 op grond daarvan in strijd geoordeeld met het in artikel 26 van het Internationale verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten (IVBPR) neergelegde discriminatieverbod. De rechtbank heeft op grond van deze beoordeling in het dictum van het vonnis de Sanctieregeling 2007 onverbindend verklaard.

2.5. In hoger beroep heeft het hof te 's-Gravenhage bij arrest van 26 april 2011 (zaaknummer 200.063.360/01, LJN BQ4781) het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

2.6. Met ingang van 14 juli 2010 - dus voorafgaand aan het arrest in hoger beroep - hebben de ministers de Sanctieregeling 2007 gewijzigd, zo dat de leden 1 en 2 van artikel 2a als volgt zijn gaan luiden:

1. Het is verboden om gespecialiseerde vorming of opleiding die kan bijdragen aan proliferatiegevoelige activiteiten van Iran en aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens te verstrekken aan Iraanse onderdanen, die niet beschikken over een met het oog op deze verstrekking door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verleende ontheffing of in afwijking van aan deze ontheffing verleende beperkingen. Het verbod, bedoeld in de eerste volzin, strekt zich niet uit tot bacheloropleidingen, bedoeld in de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

2. Een ontheffing wordt geweigerd, indien de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het risico dat het aanbieden van de bedoelde vorming of opleiding aan de Iraanse onderdaan voor wie de ontheffing is bestemd, zal bijdragen aan proliferatiegevoelige activiteiten van Iran of aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens in Iran, onaanvaardbaar groot acht.

Deze gewijzigde regeling zal hierna worden aangeduid als: Sanctieregeling 2010.

2.7. Het hof overwoog (r.o. 2.6) over de veranderingen in de Sanctieregeling 2010 ten opzichte van de Sanctieregeling 2007:

De wijzigingen ten opzichte van de vorige versie komen er op neer dat het toegangsverbod tot bepaalde locaties en gegevensbestanden (hierna: "het locatieverbod") is komen te vervallen. Daarnaast is beoogd duidelijker tot uitdrukking te laten komen dat het in lid 2 vervatte verbod niet is gericht op Iraniërs als groep, maar op bepaalde individuele Iraniërs die een risico op kennisoverdracht aan Iran meebrengen. In verband daarmee is thans opgenomen op welke grond een aangevraagde ontheffing moet worden geweigerd.

2.8. Het hof, dat zich in het geschil in hoger beroep gesteld zag voor een inmiddels gewijzigde regeling, overwoog daaromtrent in r.o. 3.1.:

Voordat het hof zal overgaan tot een beoordeling van de grieven stelt het dit voorop. Na het vonnis van de rechtbank is de [Sanctieregeling 2007, rb.] gewijzigd in de hiervoor onder 2.6 genoemde zin. Het hof dient als appelrechter de onderhavige zaak en de grieven te beoordelen naar het tijdstip waarop het arrest wijst, dus met inbegrip van de na het rechtbankvonnis in de Sanctieregeling tot stand gebrachte wijzigingen.

2.9. Het hof kwam tot de conclusie dat het onderscheid naar nationaliteit zoals dat (ook) in de Sanctieregeling 2010 wordt gemaakt tussen personen met een Iraanse en personen met een andere nationaliteit, ongeoorloofd is. Anders dan de rechtbank oordeelde het hof dat de Sanctieregeling 2010, ook al was deze geënt op een VN-resolutie respectievelijk een Gemeenschappelijk Standpunt, volledig getoetst dient te worden aan de algemene beginselen van gemeenschapsrecht (r.o. 5.5.).

Het hof overwoog:

6.1 Het hof zal thans onderzoeken of het door de Sanctieregeling gemaakte onderscheid tussen personen die (ook) de Iraanse nationaliteit bezitten en personen die die nationaliteit niet bezitten in overeenstemming is met het non-discriminatieverbod zoals dat is vastgelegd in art. 26 IVBPR en art. 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM. Anders dan de Staat suggereert gaat het daarbij niet om de toetsing van een algemeen verbindend voorschrift aan algemene rechtsbeginselen, maar om de toetsing van een algemeen verbindend voorschrift aan direct werkende verdragsbepalingen waarbij van een 'terughoudende' toetsing geen sprake is.

6.2 Het bovengenoemde onderscheid naar nationaliteit is slechts geoorloofd als het (i) een legitiem doel dient, (ii) geschikt is om dat doel te bereiken en (iii) proportioneel is, dat wil zeggen dat er een redelijk evenwicht moet bestaan tussen de bescherming van het algemeen belang en de aantasting van de individuele rechten. De rechtbank heeft het doel van de Sanctieregeling legitiem geoordeeld en dat wordt door [eisers c.s.] ook niet bestreden. Het hof begrijpt het oordeel van de rechtbank verder aldus dat zij het onderscheid zowel ongeschikt acht om het nagestreefde doel te bereiken als disproportioneel.

6.3 Het oordeel van de rechtbank dat het onderscheid niet geschikt is om het doel te bereiken wordt door de Staat aangevochten met een betoog dat op het volgende neerkomt. Resolutie 1737 biedt de lidstaten geen grond om het nationaliteitscriterium te vervangen door een risicoafweging als door de rechtbank bedoeld. Niet valt in te zien op grond waarvan de Staat zich in de Sanctieregeling zou mogen richten op een breder publiek van personen, die mogelijk een bijzonder risico zouden kunnen vormen voor de uitbreiding van de nucleaire activiteiten van Iran. De rechtbank verzuimt aan te geven welke wettelijke of verdragsrechtelijke grondslag hiervoor zou bestaan. Het in de Sanctieregeling gemaakte onderscheid is ingegeven door de resolutie die de rechtbank niet inhoudelijk had mogen toetsen.

6.4 Dit betoog vecht niet het oordeel van de rechtbank aan dat het in de Sanctieregeling gemaakte onderscheid niet geschikt is om het nagestreefde doel te bereiken. De Staat valt in wezen terug op zijn hiervoor reeds verworpen betoog dat de rechter de Sanctieregeling niet mag toetsen aan het non-discriminatiebeginsel omdat resolutie 1737 tot dat onderscheid zou verplichten. De Staat miskent voorts dat het er niet om gaat of er een wettelijke of verdragsrechtelijke grondslag is op grond waarvan de Staat zich tot een breder publiek kan richten teneinde een individuele risico-analyse te verrichten, nog daargelaten dat de Staat ervoor kan zorgen dat een wettelijke grondslag er wel komt. Het gaat er om of het door de Staat in de Sanctieregeling gemaakte onderscheid naar nationaliteit geschikt is om het doel dat met het gemaakte onderscheid wordt nagestreefd te bereiken. Dat doel is door de Staat zelf omschreven als: "[het] voorkomen dat Iran haar nucleaire activiteiten verder uitbreidt met behulp van in Nederland opgedane kennis" (conclusie van antwoord 7.11). Dat het in de Sanctieregeling gemaakte onderscheid daartoe geschikt is heeft de Staat in deze procedure niet gesteld, laat staan onderbouwd. Het hof verenigt zich voor het overige ook geheel met het oordeel van de rechtbank op dit punt. De kennelijk aan de Sanctieregeling ten grondslag liggende veronderstelling dat alleen bij personen met een Iraanse nationaliteit het risico bestaat dat zij gevoelige informatie die zij in Nederland hebben verkregen aan Iran zullen doorgeven wordt noch in de toelichting op die regeling noch in de stukken van het geding op enige wijze gesubstantieerd. Het oordeel dat het gemaakte onderscheid ongeschikt is om het doel dat daarmee wordt nagestreefd te bereiken impliceert tevens dat niet voldaan is aan het proportionaliteitsvereiste.

6.5 Het voorgaande betekent dat het onderscheid zoals dat in de Sanctieregeling, ook thans na de laatste wijziging, wordt gemaakt tussen personen met een Iraanse en personen met een andere nationaliteit ongeoorloofd is.

2.10. Tegen het arrest van het hof is door de Staat beroep in cassatie ingesteld. Een uitspraak van de Hoge Raad wordt verwacht eind 2012, begin 2013.

2.11. [eiser sub 4] is politieke vluchteling en is sinds 1993 in Nederland. Hij studeert lucht- en ruimtevaart aan de TU Delft, na zijn eerdere studie natuurkunde te hebben afgebroken. Hij is voornemens zich na zijn bachelorfase (over enkele jaren) te specialiseren in diepe ruimte exploratie, in het kader waarvan hij zich zal moeten verdiepen in raket- en kerntechnologie.

[eiser sub 2] is als techniekfilosoof gepromoveerd en nu werkzaam als universitair docent aan de TU Delft.

[eiser sub 3] is hoogleraar natuurkunde te Groningen.

[eiser sub 1] heeft zijn bacheloropleiding scheikunde afgerond en is nu bezig met zijn master biotechnologie aan de TU Delft. Hij is voornemens na afronding daarvan te promoveren.

3.De vordering

3.1.[eisers c.s.] vorderen dat de rechtbank de Sanctieregeling 2010 onverbindend verklaart althans anderszins de Staat opdraagt de onrechtmatige daad jegens eisers, voortkomende uit categorale uitsluiting van mensen van Iraanse nationaliteit, op grond van de Sanctieregeling 2010, te niet te doen, en voorts dat de rechtbank de Staat veroordeelt om aan ieder van hen € 1.500,- te voldoen wegens vergoeding van immateriële schade.

3.2.[eisers c.s.] onderbouwen hun vorderingen - samengevat - als volgt.

Zij voeren aan dat het hof naar hun mening de Sanctieregeling 2010 niet onverbindend heeft verklaard. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en omdat het vonnis van de rechtbank de Sanctieregeling 2007 betrof, is daarmee nog geen oordeel geveld over de Sanctieregeling 2010, althans niet een oordeel dat zijn neerslag heeft gevonden in een dictum. Bovendien heeft de Staat niet willen verklaren dat hij de Sanctieregeling 2010 buiten toepassing zal laten ten aanzien van iedere Iraniër, maar dat hij dat uitsluitend doet ten aanzien van [eiser sub 1], [eiser sub 2] en [eiser sub 3]. Ten aanzien van [eiser sub 4] geldt dat hij geen partij is in de procedure die nu aanhangig is bij de Hoge Raad.

De immateriële schadevergoeding vorderen eisers omdat de discriminatoire regeling door hen - maar zelfs door de Iraanse gemeenschap in Nederland in haar geheel - als zeer ernstig en stigmatiserend wordt ervaren.

4.Het verweer

4.1.De Staat verweert zich tegen de vorderingen van [eisers c.s.] samengevat als volgt. Ten aanzien van de eerste (in de dagvaarding als 'primair aangeduide) vordering stelt de Staat zich op het standpunt dat [eisers c.s.] bij een 'hernieuwde vordering' geen voldoende belang hebben als bedoeld in artikel 3:303 BW, omdat het hof al een oordeel heeft geveld over de kwestie die aan de rechtbank ter beoordeling wordt voorgelegd.

Voor zover de vordering ertoe strekt de Staat te veroordelen de Sanctieregeling 2010 in te trekken of te wijzigen, geldt dat die vordering op grond van HR 21 maart 2003, NJ 2003/691 (Waterpakt) en HR 1 oktober 2004, NJ 2004/679 moet stranden.

De Staat bestrijdt dat [eisers c.s.] individueel en rechtstreeks zijn getroffen en schade hebben geleden door de (toepassing van) Sanctieregeling 2007 of de Sanctieregeling 2010. Verder voert de Staat aan dat het gevorderde bedrag aan smartengeld buitenproportioneel is.

5.De beoordeling

5.1.Naar het oordeel van de rechtbank bepleit de Staat terecht dat [eiser sub 1], [eiser sub 2] en [eiser sub 3] onvoldoende belang als bedoeld in artikel 3:303 BW hebben bij hun vordering in dit geding die strekt tot onverbindendverklaring van de Sanctieregeling 2010. [eiser sub 1], [eiser sub 2] en [eiser sub 3] zien over het hoofd dat het hof in zijn arrest van 26 april 2011 nu juist uitdrukkelijk, en in overeenstemming met vaste rechtspraak (HR 23 februari 1996, NJ 1996/395; HR 16 februari 2007, NJ 2007/117), de inmiddels gewijzigde regeling, de Sanctieregeling 2010, op haar discriminatoire karakter heeft beoordeeld. Dat het hof in het dictum van zijn arrest heeft volstaan met de 'bekrachtiging' van het vonnis van de rechtbank kan, gelet op de hiervoor geciteerde r.o. 3.1 van het hof, in redelijkheid niet anders worden verstaan dan dat het hof de Sanctieregeling 2010 jegens geïntimeerden, ondanks de in het arrest in r.o. 2.6 genoemde aanpassingen, (evenzeer) discriminatoir heeft bevonden. Het dictum moet immers worden uitgelegd in het licht van hetgeen hierover in het arrest door het hof is overwogen.

5.2. [eiser sub 4] neemt een andere positie in nu hij in dit, op dit moment bij de Hoge Raad aanhangige geding, geen partij is. Ter comparitie heeft [eiser sub 4] - onweersproken - uiteengezet dat hij reeds nu, ondanks het feit dat hij nog aan in begin van zijn bachelorstudie verkeert, nadeel ondervindt van de Sanctieregeling 2010. Hij wordt als Iraniër die een lucht- en ruimtevaartstudie doet met argwaan bekeken en zijn studiemotivatie lijdt onder het vooruitzicht dat de door hem gewenste masterstudie als Iraniër mogelijk geheel of gedeeltelijk geblokkeerd zal zijn. Mede gezien het feit dat de door [eiser sub 4] gestelde omstandigheden vergelijkbaar zijn met de door de overige eisers in de nu bij de Hoge Raad aanhangige procedure aangevoerde omstandigheden, concludeert de rechtbank dat [eiser sub 4] voldoende belang heeft bij een beoordeling van de (on-) rechtmatigheid van de toepassing van de Regeling 2010 door de Staat jegens hem.

5.3. De rechtbank ziet geen aanleiding om af te wijken van het oordeel dat het hof in zijn arrest van 26 april 2011 over het discriminatoire karakter van de Sanctieregeling 2010 heeft geveld. Tot hetgeen de Staat in dit geding heeft aangevoerd behoren geen feiten, omstandigheden of argumenten die niet eerder, in de procedure die heeft geleid tot het oordeel van het hof, zijn aangevoerd. Aldus neemt de rechtbank over hetgeen het hof heeft overwogen in zijn arrest, met name in de r.o. 6.1 tot en met 6.5, hierboven onder 2.8. weergegeven. Dat leidt ertoe dat de Sanctieregeling 2010 in zoverre als onverbindend is aan te merken dat toepassing van die regeling ten aanzien van [eiser sub 4] als onrechtmatig is aan te merken. Anders dan de rechtbank in haar vonnis van 3 februari 2010 en (impliciet) het hof in zijn arrest van 26 april 2011, zal de rechtbank in haar dictum duidelijker tot uitdrukking brengen dat de beoordeling dat de Sanctieregeling 2010 als discriminatoir moet worden bestempeld, alleen rechtsgevolgen heeft in de relatie tussen [eiser sub 4] en de Staat en derhalve niet voor derden. Aldus treedt de rechtbank niet buiten het petitum van de dagvaarding.

5.4. Voor zover eisers hebben willen vorderen dat de Staat zal worden bevolen de Sanctieregeling 2010 in te trekken of te wijzigen - de Staat heeft de vordering van eisers zo opgevat - dient die vordering naar het oordeel van de rechtbank te stranden. Met recht heeft de Staat betoogd dat het buiten de macht van de burgerlijke rechter ligt om de Staat te veroordelen de Sanctieregeling 2010 aan te passen of in te trekken (HR 21 maart 2003, NJ 2003/691 (Waterpakt) en HR 1 oktober 2004, NJ 2004/679). De Staat kan worden veroordeeld de regeling niet toe te passen ten aanzien van eisers, maar het Nederlandse staatsrecht verzet zich ertegen dat de Staat op de voet van het bepaalde in artikel 3:296 BW zou worden veroordeeld een wet in materiële zin, een resultante van politieke besluitvorming, in te trekken of te wijzigen.

5.5. De tweede vordering van [eisers c.s.] betreft de aanspraak op immateriële schadevergoeding. Eisers stellen dat zij elke dag immateriële schade lijden door het van kracht zijn van de Sanctieregeling 2010, met name omdat zij de categorische uitsluiting die de Sanctieregeling 2010 bewerkstelligt, als zeer ernstig en ingrijpend ervaren. Elk van eisers heeft ter comparitie het stigmatiserende effect van de Sanctieregeling 2010 benadrukt, terwijl in het bijzonder [eiser sub 4] heeft onderstreept dat hij als gevolg van de regeling stress en motivatieproblemen ondervindt, en zeer gefrustreerd is.

5.6. De rechtbank overweegt dat met het oordeel dat sprake is (geweest) van onrechtmatig handelen jegens eisers als gevolg van de toepassing van de Sanctieregeling 2010, een recht op vergoeding van immateriële schade nog niet gegeven is. Een recht op smartengeld komt een benadeelde slechts toe indien, voor zover in dit geval relevant, sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze zoals bepaald in artikel 6:106 lid 1 aanhef en sub b BW. Een dergelijke aantasting kan bestaan indien een fundamenteel recht is geschonden. De totstandbrenging van de Sanctieregeling 2010, waarvan het discriminatoire karakter is vastgesteld, kwalificeert zich als een dergelijke schending. Maar de enkele schending van dat fundamentele recht is nog niet voldoende om aanspraak te geven op smartengeld. De terughoudendheid die de wetgever in het algemeen verlangt bij de toekenning van immateriële schadevergoeding (Parlementaire geschiedenis boek 6 NBW, blz. 332-333, 371-389), welke terughoudendheid in de rechtspraak sinds de invoering van deze regeling nog steeds te ontwaren valt, dwingt ertoe in een geval als dit uitsluitend dan een dergelijke vordering te honoreren indien sprake is van een gekwalificeerde schending. Slechts wanneer zich een ernstige inbreuk op een fundamenteel recht voordoet, die bovendien rechtstreekse gevolgen heeft voor de benadeelde die aanspraak maakt op smartengeld, kan voor toekenning ruimte bestaan.

5.7. Weliswaar maakt de Staat een niet aanvaardbaar nationaliteitsonderscheid, maar deze discriminatie heeft een relatief beperkte reikwijdte doordat deze uitsluitend ziet op de vorming of opleiding, die kan bijdragen aan proliferatiegevoelige activiteiten van Iran en aan de ontwikkeling van systemen voor de overbrenging van kernwapens, te verstrekken aan Iraanse onderdanen. Uit niets is gebleken dat de Staat een verdergaand onderscheid tussen Iraniërs en anderen heeft willen maken of bevorderen. Onder deze omstandigheden moet de conclusie luiden dat een 'ernstige inbreuk', zoals bedoeld in dit kader, zich niet voordoet.

Eisers stellen als bèta-wetenschappers de gevolgen van de gelding van de Sanctieregeling 2010 te ondervinden doordat de verwachting bestaat dat een promotieplek moeilijker te bemachtigen zal zijn ([eiser sub 1]), er geringere animo bestaat tot samenwerking ([eiser sub 2]), en minder belangstelling wordt getoond door Iraanse studenten voor een promotieplaats in Nederland ([eiser sub 3]). Deze omstandigheden vormen onvoldoende grond om te concluderen dat het discriminatoire karakter van de Sanctieregeling 2010 rechtstreekse gevolgen heeft voor eisers, nog daargelaten dat deze gevolgen veeleer een aanspraak op vergoeding van materiële schade zouden opleveren. In dat verband wijst de rechtbank er nog op dat eisers zelf toch met name het stigmatiserende effect van de Sanctieregeling 2010 voor alle Iraniërs in Nederland benadrukken. Dit stigmatiserende effect, gevoeld door een zeer ruime groep, biedt al evenmin basis voor de conclusie dat eisers 'rechtstreeks' zijn getroffen door het discriminatoire effect van de Sanctieregeling 2010.

Ten aanzien van [eiser sub 4], die ter comparitie uit de doeken heeft gedaan dat hij stress ondervindt en zijn motivatie ernstig lijdt onder de gelding van de Sanctieregeling 2010, geldt nog het volgende. De rechtbank neemt in ogenschouw dat hij zich nog in de beginfase van zijn bachelorstudie bevindt. Gelet op het feit dat de Sanctieregeling 2010 geen enkel effect heeft op welke bachelorstudie dan ook, is er naar objectieve maatstaven nog niet wezenlijk aanleiding tot bezorgdheid over toekomstige studiemogelijkheden, mede gelet op het feit dat de Hoge Raad op afzienbare termijn een uitspraak zal doen over de Sanctieregeling 2010. Dat de perceptie van [eiser sub 4] anders is, is onvoldoende grond om ten aanzien van hem te kunnen oordelen dat zich hier de voornoemde rechtstreekse gevolgen voordoen.

Slotsom

5.8. Uit al het voorgaande volgt dat ten aanzien van [eiser sub 4] een toewijzing zal plaatsvinden van het primair gevorderde, in een enigszins aangepaste vorm.

De overige vorderingen, inclusief die tot vergoeding van smartengeld, zijn niet voor toewijzing vatbaar.

Nu [eisers c.s.] gezamenlijk procederen en van hetgeen zij gezamenlijk gevorderd hebben slechts een beperkt deel wordt toegewezen, zal de rechtbank de proceskosten compenseren.

6.De beslissing

De rechtbank

- Veroordeelt de Staat artikel 2a van de Wijziging Sanctieregeling Iran 2007, laatstelijk gewijzigd met ingang van 14 juli 2010, ten opzichte van gedaagde sub 4. buiten toepassing te laten;

- Compenseert de proceskosten zo dat partijen ieder de eigen kosten dragen;

- Wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A. Schreuder, mr. I. Brand en mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2012.