Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW2979

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
399200 - HA ZA 11-2124
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Exhibitieplicht (artikelen 21, 22 en 843 a Rv) ten aanzien van interne correspondentie tuchtrechtcollege: beperking op grond van gewichtige redenen, vrije gedachtenvorming. Onrechtmatige rechtspraak ter zake beslissing relatieve (on)bevoegdheid regionaal tuchtrechtcollege en ter zake beslissing met betrekking tot het vooronderzoek niet aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 399200 / HA ZA 11-2124

Vonnis van 4 april 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te Frankrijk, aldaar zonder bekende woon- of verblijfplaats,

eiser in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. D. Knottenbelt te Rotterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon,

DE STAAT DER NEDERLANDEN (MINISTERIE VAN VWS),

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde in de hoofdzaak,

verweerder in het incident,

advocaat mr. G.R.J. de Groot te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eiser] en De Staat genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 11 juli 2011,

- de akte overlegging producties (met 27 producties),

- de conclusie van antwoord (met 13 producties),

- het tussenvonnis van 14 september 2011, waarbij een comparitie van partijen is bevolen,

- de incidentele conclusie houdende een vordering tot verstrekking van afschriften van stukken op basis van art. 21 jo 843a Rv. van de zijde van [eiser],

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 13 december 2011 met de daarin vermelde stukken,

- de brief van 14 december 2011 van mr. De Groot (De Staat) met bijlage (een inventarislijst met stukken, genummerd A t/m W),

- de brief van 3 januari 2012 van mr. De Groot (De Staat),

- de brief van 6 januari 2012 van mr. Koekkoek ([eiser]),

- het bericht van mr. Von Schmidt auf Altenstadt (B-15 formulier) van 11 januari 2012, waarin hij bericht dat partij [eiser] afziet van het nemen van een akte tot eiswijziging in het incident,

- de incidentele conclusie van antwoord.

1.2.Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald in de hoofdzaak en het incident.

2.De feiten

In de hoofdzaak en het incident

2.1.Bij brieven van 18 december 2007 hebben drie oud-patiënten een klacht ingediend bij het Regionaal Tuchtcollege Den Haag (hierna: het tuchtcollege) met betrekking tot de geneeskundige behandeling die [eiser] bij hen als tandarts had uitgevoerd.

2.2.Bij brief van 6 februari 2008 heeft de secretaris van het tuchtcollege aan mr. J. Koekkoek, de advocaat van [eiser], verzocht om het privéadres van [eiser]. Mr. Koekkoek heeft daarop geantwoord bij brief van 8 februari 2008 dat [eiser] aan zijn adres domicilie had gekozen en verzocht om voor [eiser] bestemde post aan dat adres te richten.

2.3.Bij brief van 12 februari 2008 heeft de secretaris van het tuchtcollege de klaagschriften aan [eiser] toegezonden en wederom verzocht in verband met de bevoegdheid van het tuchtcollege om het privéadres van [eiser].

2.4.[eiser] heeft op 6 juni 2008 een verweerschrift ingediend bij het tuchtcollege.

2.5.Op 17 juni 2008 heeft het tuchtcollege [eiser] bericht dat in haar visie in het vooronderzoek voldoende informatie was verkregen om een zitting te bepalen. Daarbij is aan [eiser] verzocht om aan te geven of hij gebruik wenste te maken van zijn recht om in het kader van het vooronderzoek mondeling te worden gehoord.

2.6.Bij brief van 19 juni 2008 heeft [eiser] bericht van dit recht gebruik te willen maken.

2.7.Bij brief van 12 februari 2009 heeft [eiser] aan het tuchtcollege bericht zich op het standpunt te stellen dat het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam bevoegd is, omdat hij in het buitenland woont en ten kantore van mr. Koekkoek domicilie heeft gekozen.

2.8.Op 3 maart 2009 heeft het tuchtcollege aan [eiser] bericht:

"Ik deel U namens mr. J.S.W. Holtrop, plaatsvervangend voorzitter Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te 's-Gravenhage, mede dat zowel de bovengenoemde zaak als de zaak met dossiernummer [nummer] door het Tuchtcollege voornoemd zal worden behandeld. Op korte termijn ontvangt U in bovengenoemde zaak een uitnodiging voor het verhoor in het kader van het vooronderzoek."

2.9.Hierop heeft [eiser] geantwoord dat hij een schriftelijke motivering van deze beslissing wilde ontvangen, waarna het tuchtcollege in haar brief 27 maart 2009 heeft geantwoord met de mededeling dat deze motivering zo nodig ter zitting in Den Haag kan worden verkregen en heeft verzocht om per omgaande beschikbare data op te geven voor het verhoor in het kader van het vooronderzoek in mei 2009.

2.10.[eiser] heeft hierop - blijkens zijn brief van 3 november 2010 - bij brief van 26 mei 2009 gereageerd met een verzoek om informatie. Dat verzoek werd door het tuchtcollege afgewezen. Bij brief van 9 juni 2009 heeft het tuchtcollege bericht dat de zaken naar de zitting zullen worden verwezen.

2.11.Nadat de datum van de mondelinge behandeling verschillende malen is verzet, heeft [eiser] bij brief van 14 januari 2010 nogmaals om een vooronderzoek verzocht. Daarnaast verzocht [eiser] om een reactie op zijn brief van 26 mei 2009 en nieuwe informatie ter voorbereiding op de zitting. Het tuchtcollege heeft de ontvangst van deze brief bevestigd. Daarnaast heeft het medegedeeld dat de gevraagde gegevens bij de klagende partijen waren opgevraagd.

2.12.Bij brief van 11 februari 2010 heeft het tuchtcollege [eiser] opgeroepen ter zitting van 23 maart 2010 voor de behandeling van de klachten.

2.13.[eiser] heeft bij brief van 18 februari 2010 het voltallige college gewraakt. Dit wrakingsverzoek is na behandeling ter zitting afgewezen bij beslissing van 1 juni 2010.

2.14.De zittingsdatum voor de behandeling van klacht werd vervolgens - nadat deze wederom werd verzet - bepaald op 2 november 2010. Tijdens de zitting heeft [eiser] het tuchtcollege (in een andere samenstelling bijeen als de vorige keer was gepland) opnieuw gewraakt. Bij brief van 3 november 2010 heeft [eiser] de redenen voor deze wraking uiteengezet.

2.15.Op 3 januari 2011 heeft mr. Tan-de-Sonville, plaatsvervangend voorzitter van het tuchtcollege, aan [eiser] schriftelijk bericht dat zij zich nogmaals beraden heeft over het door hem gedane beroep op de onbevoegdheid en zijn verzoek om de behandeling van de klacht over te dragen aan het college te Amsterdam. Zij concludeert dat het standpunt van [eiser] in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 3 lid 1 van het Besluit houdende regelen inzake tuchtrechtspraak en maatregelen wegens ongeschiktheid (Tuchtrechtbesluit BIG) en dat op die grond de zaken aan het tuchtcollege te Amsterdam worden overgedragen. Ook de behandeling van het laatste wrakingsverzoek is aan het tuchtcollege te Amsterdam overgedragen.

2.16.Tegen deze beslissing heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Bij beslissing van 1 september 2011 heeft dit beroepsorgaan bepaald dat de beslissing van 3 januari 2011 geldt als een eindbeslissing ex art. 69 lid 1 en 2 juncto artikel 73 lid 1 van de Wet BIG, waartegen geen beroep openstaat. [eiser] is niet-ontvankelijk verklaard. In een overweging ten overvloede heeft het Centraal Tuchtcollege toegevoegd dat het tuchtcollege de zaak terecht naar Amsterdam had verwezen:

"(...) Naar het oordeel van het Centraal Tuchtcollege heeft de plv. voorzitter - omdat de tandarts ter zitting op 2 november 2010 zijn woonplaats niet bekend wilde maken en dus geen bekende woonplaats heeft - terecht geconstateerd dat op grond van artikel 3 lid 1 van het Tuchtrechtbesluit BIG het Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam tot de behandeling van de klaagschriften bevoegd is. Zij heeft de zaken (2007 H 207 a en b) conform artikel 3 lid 6 Tuchtrechtbesluit BIG dan ook terecht naar dit bevoegde Regionaal Tuchtcollege verwezen."

2.17.Bij brief van 13 april 2011 heeft [eiser] het tuchtcollege aansprakelijk gesteld. Volgens hem was reeds lang, in elk geval op 12 februari 2009, bekend dat het tuchtcollege niet bevoegd was en hadden de zaken reeds toen naar het tuchtcollege te Amsterdam moeten worden verwezen. [eiser] stelt het college aansprakelijk voor de proceskosten die hij nodeloos heeft moeten maken, omdat hij ten onrechte in Den Haag heeft moeten procederen.

2.18.Het tuchtcollege heeft bij brief van 4 mei 2011 bericht geen aansprakelijkheid te aanvaarden.

2.19.Op 13 mei 2011 heeft [eiser] bij het tuchtcollege te Amsterdam inzage verzocht en verkregen in het klachtdossier. In dat dossier bevond zich ook de interne correspondentie die binnen beide tuchtcolleges over de zaak was gevoerd. [eiser] heeft om een afschrift van bepaald stukken uit die interne correspondentie gevraagd en deze gedeeltelijk verkregen.

2.20.Onder de e-mailcorrespondentie bevindt zich interne mailcorrespondentie, gevoerd op 4 februari 2009, met de volgende tekst (Inventarislijst onder J):

1. een e-mail van mevrouw Smelik aan de heer Holtrop (cc mevrouw Huntjens) van 13:46 uur:

"(...),

Ik ben belast met het v o in de zaak [nummer] ( [eiser]). In het kader van het traceren van de woonplaats van verweerder bericht advocaat Koekkoek uit Haarlem mij dat het hem niet is toegestaan de adresgegevens van zijn cliënt te verstrekken. Wel bericht de advocaat op te treden als gemachtigde en cliënt kiest domicilie ten kantore van de advocaat te Haarlem. Ik zal de bevoegdheidskwestie in deze zaak verder met mw. mr. Tan bespreken.

De aanleiding van deze mail is dat er voor de zitting van 31 maart a.s. een (andere) zaak tegen de tandarts [eiser] is gepland. Bij brief van 8 februari 2008 schrijft mr. Koekkoek: "Cliënt heeft in deze zaak bij mij (= lees Haarlem) domicilie gekozen dus u kunt de post in deze zaak aan mij richten."

Mijn vraag is of en hoe er geredeneerd is met betrekking tot de vraag of RTG DH bevoegd is?

Art. 3 lid 1 TRB: Amsterdam is bevoegd indien verweerder geen bekende woonplaats heeft.

Art. 3 lid 2 TRB: Indien verweerder een bekende woonplaats in het buitenland heeft is het RTG binnen wiens ambtsgebied het desbetreffende handelen of nalaten is geschied bevoegd (=RTG DH).

Hoe nu deze kwestie op te lossen? (Is het voldoende voor de bevoegdheid van DH dat het een voor de advocaat bekende woonplaats is? Advocaat proberen te bewegen alsnog de gegevens te verstrekken? Zaak alsnog doorverwijzen naar Amsterdam?)

(...)."

2. een e-mail van de heer Holtrop aan mevrouw Smelik van 13:57 uur:

"Wat de klacht betreft, ik zou hier niet te formeel zijn. Ervan uitgaande dat de klachten van mr. Tan en mij op zichzelf staan (dus geen a, b, c.-klachten) zou leidinggevend mogen zijn, waar het gewraakte handelen heeft plaatsgevonden. Maar staat [eiser] niet geregistreerd in het BIG-register? Wat hebben Gab. en ik in de zaak hierover afgesproken? Heb je al geprobeerd om [eiser] op andere manier te traceren?

Zo op afstand kan ik niet veel zeggen. Laat bij jouw afwezigheid Gabriëlle beide zaken even coördineren

Sterkte verder. Vriendelijke groet (...)"

3. een e-mail van mevrouw Smelik aan de heer Holtrop van 15:36 uur:

"(...),

Voor wat betreft je vragen:

1. Informatie van het BIG-register van vandaag leert ons:"Adres van tandarts [eiser] is bij ons onbekend." Ik kan geen uittreksel in het dossier vinden. Saskia vraagt er vandaag één aan.

2. 2+3. memo naar vz van 31-01-2008: "Wij hebben het woonadres van de tandarts niet kunnen traceren (geneeskundige adresgids en telefoongids)." Antwoord van de vz van 3/2: "Inderdaad onduidelijk waar [eiser] woont/gevestigd is. Mr. Koekkoek maar eens vragen!"

Mr. Koekkoek schrijft 6/2: "Cliënt heeft in deze zaak bij mij (=Haarlem) domicilie gekozen dus u kunt de post in deze zaak aan mij richten."

Ik ga zo dadelijk naar huis om 10 februari weer op kantoor te zijn. Ik zal Gabriëlle vragen de zaken te coördineren.

(...)."

4. een e-mail van mevrouw Smelik aan mevrouw Huntjens van 15:37 uur. In deze mail is geen tekst opgenomen.

3.Het geschil

in het incident

3.1.[eiser] vordert op de voet van de artikelen 21, 22 en 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) dat het tuchtcollege zal worden veroordeeld om binnen een week na dit vonnis een afschrift te verstrekken van de navolgende stukken:

a) de memo van 31 januari 2008 en het daarop gegeven antwoord van de voorzitter van 3 februari 2008, zoals genoemd in de hiervoor onder 2.20 onder 3. geciteerde e-mail;

b) de volledige inhoud van de e-mails van 4 februari 2009, zoals hiervoor onder 2.20 geciteerd, zonder weggelakte delen, meer in het bijzonder de tekst behorend bij de e-mail aan mevrouw Huntjens van 15:37 uur;

c) een aantal eerder verzochte, maar niet afgegeven stukken, namelijk: de e-mail van mevrouw G.G.M.L. Huntjens, secretaris, aan de heer J.S.W. Holtrop d.d. 22-04-2009 om 17.00 uur, inclusief e-mail van M.A.F. Tan-de Sonnaville aan mevrouw Huntjens en e-mail van mevrouw Huntjens aan het Regionaal Tuchtcollege Den Haag;

met veroordeling van het tuchtcollege in de proceskosten.

3.2.De vordering is gegrond op de stelling, kort weergegeven, dat de informatie benodigd is om zicht te krijgen op de wijze waarop de beslissing omtrent de bevoegdheid van het college is tot stand gekomen.

3.3.Het tuchtcollege voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in de hoofdzaak

3.4.[eiser] vordert in de hoofdzaak, zakelijk en verkort weergegeven, het volgende:

1. een verklaring voor recht dat het tuchtcollege onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, als gevolg waarvan [eiser] schade heeft geleden, nader op te maken bij staat;

2. veroordeling van het tuchtcollege tot betaling aan [eiser] van een voorschot van € 10.000,-, vermeerderd met rente;

3. veroordeling van het tuchtcollege tot verstrekking van afschriften als genoemd onder 5.1 van de dagvaarding;

met veroordeling van het tuchtcollege in de proceskosten.

3.5.[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat het tuchtcollege onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door, terwijl het reeds kort na indiening van de klaagschriften en in elk geval vanaf 12 februari 2009, wist dat [eiser] geen bekende woonplaats in het buitenland had, de behandeling van deze klaagschriften niet direct te verwijzen naar het tuchtcollege te Amsterdam, maar daartoe pas - terwijl op dat moment een wrakingsprocedure liep - over te gaan bij beslissing van 3 januari 2011, waardoor [eiser] nodeloos proceskosten heeft moeten maken in de vorm van advocaatkosten, reis- en verblijfkosten voor de zitting en verlies van inkomsten doordat hij tijd heeft moeten besteden aan de bestudering van het dossier. Daarnaast voert [eiser] aan dat het tuchtcollege in strijd met de toepasselijke regelgeving geen vooronderzoek heeft gehouden.

3.6.Het tuchtcollege voert gemotiveerd verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in het incident

4.1.Bij de beoordeling van de incidentele vordering tot het verstrekken van een afschrift van stukken stelt de rechtbank voorop dat de artikelen 21 en 22 Rv geen processuele rechten verlenen die door partijen kunnen worden ingeroepen. Dat ligt anders bij artikel 843a Rv. Onder de daar genoemde vereisten kan een partij aan dit artikel een vorderingsrecht ontlenen. Bij de beoordeling van de door [eiser] ingestelde incidentele vordering staat derhalve ten toets of voldaan is aan de in art. 843a Rv genoemde vereisten.

4.2.Voor een geslaagd beroep op art. 843a Rv is in de eerste plaats vereist dat [eiser] een rechtmatig belang heeft bij zijn vordering. De rechtbank overweegt in dat verband dat [eiser] exhibitie vraagt van stukken om vast te kunnen stellen óf er jegens hem onrechtmatig is gehandeld door het tuchtcollege bij de behandeling van zijn zaak. Daarmee is, uitgaande van een ruime exhibitieplicht, het rechtmatig belang van [eiser] in beginsel gegeven. Ook de omstandigheid dat de rechtsbetrekking nog niet in rechte is vastgesteld, staat - opnieuw uitgaande van een ruime exhibitieplicht - niet in de weg aan het aannemen van het bestaan van een rechtsbetrekking in de zin van art. 843a Rv. Aangezien tussen partijen voorts niet in geschil is dat de gevraagde bescheiden voldoende bepaald zijn, concludeert de rechtbank dat in beginsel een exhibitieplicht aanwezig is ten aanzien van de gevraagde stukken.

4.3.Een uitzondering hierop vormen echter de hiervoor in rov. 3.1 onder (a) vermelde stukken. De Staat heeft immers ten aanzien van deze stukken verklaard dat het niet duidelijk is of het hier om een e-mail gaat, of om een telefoonnotitie of iets dergelijks en voorts dat hij hiernaar heeft gezocht, maar dat deze stukken niet in het dossier bij het tuchtcollege zijn aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat nu gesteld noch gebleken is dat deze stukken zich ten tijde van de inzage in het dossier bevonden en [eiser] niet concreet heeft kunnen aangeven op grond waarvan hij meent dat deze stukken zich wel in het dossier zouden moeten bevinden, onvoldoende aannemelijk is geworden dat het tuchtcollege over deze bescheiden beschikt. Aangezien slechts afschrift kan worden gevorderd van bescheiden waarover wordt beschikt, zal de vordering op dit onderdeel worden afgewezen.

4.4.Een beperking van de exhibitieplicht is voorts gelegen in het bepaalde in art. 843a, lid 4, Rv waarin is opgenomen dat indien daarvoor gewichtige redenen zijn, degene die de bescheiden tot zijn beschikking heeft alsnog niet gehouden is aan de exhibitieplicht te voldoen. Bij de beoordeling van de vraag of er gewichtige redenen aanwezig zijn, gaat het om de vraag of het zwaarwegende belang van waarheidsvinding moet wijken voor het belang van vertrouwelijkheid. Tegen die achtergrond overweegt de rechtbank met betrekking tot de overige gevorderde stukken het volgende.

4.5.[eiser] heeft de volledige inhoud van de e-mails van 4 februari 2009 gevorderd, zonder weggelakte tekstdelen (zie rov. 3.1 onder b). De rechtbank wijst dit verzoek af op grond van het volgende:

a)De Staat heeft volgens de rechtbank met juistheid betoogd dat de e-mail van Smelik aan Huntjens om 15:37 geen tekst bevatte. Dat blijkt volgens de rechtbank uit de vermelding "FW" in de koptekst en het feit dat Smelik haar e-mail van 13:46 ook ("CC") aan Huntjens verzond, maar dat in de e-mails 13:57 en 15:36 Huntjens niet was opgenomen. Kennelijk heeft Smelik in haar e-mail van 15:37 Huntjens zonder nadere toelichting op de hoogte willen stellen van de inhoud van deze laatste twee mails.

b)De Staat heeft ten aanzien van de hiervoor genoemde drie mails van 13:46, 13:57 en 15:36 gesteld dat tekstdelen zijn weggelakt die mededelingen bevatten over de gezondheidstoestand van een familielid van de secretaris van het tuchtcollege. Op de comparitie heeft de Staat verklaard dat de kleinere tekstdelen in de koptekst zijn weggelakt, omdat daarin partijnamen stonden vermeld van derden in zaken waarbij overigens [eiser] ook weer partij was. Nu het hier om persoonsgegevens van derden gaat en [eiser] geen belang heeft bij de openbaarmaking van die persoonsgegevens, is het tuchtcollege met het oog op de privacy van deze personen niet gehouden deze gegevens alsnog te verstrekken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [eiser], hoewel hij inzage heeft gehad in deze e-mails, onvoldoende concreet heeft onderbouwd waarom de weggelaten tekstdelen niet op derden, maar op hem betrekking zouden hebben. Tussen partijen is immers niet in geschil dat tegelijkertijd meerdere klachten tegen [eiser] bij het tuchtcollege aanhangig waren. Voorts vindt het betoog van de Staat steun in de opmerking van de voorzitter: "Sterkte verder" en de aankondiging van de secretaris dat zij een tijd afwezig zal zijn.

4.6.Ten aanzien van het niet verstrekken van de in rov. 3.1 onder (c) genoemde e-mails met betrekking tot 22 april 2009 oordeelt de rechtbank als volgt.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Staat met juistheid betoogd dat hij niet gehouden kan worden om een afschrift te verstrekken van de stukken van 22 april 2009 waarin volgens de Staat een persoonlijke appreciatie van de voorzitter in opgenomen is. De rechtbank overweegt daartoe dat uitgaande van een ruime exhibitieplicht, zoals die in deze zaak ten opzichte van [eiser] is betracht, ook een ruime mogelijkheid bestaat om op grond van gewichtige redenen deze exhibitieplicht te kunnen beperken, teneinde een evenwichtige afweging te kunnen maken tussen enerzijds het zwaarwegende belang van waarheidsvinding en anderzijds het belang van vertrouwelijkheid.

Het ten aanzien van onderhavige stukken door de Staat gedane beroep op vertrouwelijkheid berust op de algemeen aanvaarde opvatting dat een partij niet mag worden belemmerd in zijn mogelijkheden om in vrijheid en zonder mogelijke inmenging van anderen zijn gedachten te vormen met het oog op een standpuntbepaling. Die opvatting heeft ook zijn weerslag gevonden in de Wet Openbaarheid van Bestuur (de overheid behoeft geen persoonlijke beleidsopvattingen kenbaar te maken uit stukken bestemd voor intern beraad) en in de Wet Bescherming Persoonsgegevens (volgens welke wet interne notities die de persoonlijke gedachten van medewerkers van de houder van de bescheiden bevatten en die uitsluitend bedoeld zijn voor intern overleg en beraad niet behoeven te worden geopenbaard). In het beroep van de Staat op de aanwezigheid van voormelde gewichtige reden, vindt de door [eiser] gevorderde exhibitie dan ook naar het oordeel van de rechtbank zijn begrenzing. De vordering van [eiser] op dit onderdeel wordt derhalve afgewezen.

4.7.Op grond van het het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen, omdat de aangevoerde gronden die vordering niet kunnen dragen.

4.8.[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

in de hoofdzaak

4.9.Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van onrechtmatige rechtspraak geldt als criterium dat bij de voorbereiding van een rechterlijke beslissing zo fundamentele rechtsbeginselen zijn veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken, en tegen die beslissing geen rechtsmiddel openstaat en heeft opengestaan.

4.10.[eiser] baseert zijn vordering uit onrechtmatige daad op een tweetal gronden. De eerste grond luidt dat het tuchtcollege, hoewel het reeds kort na indiening van de

klaagschriften, althans vanaf 12 februari 2009, wist dat [eiser] geen bekende woonplaats in het buitenland had, de behandeling niet onverwijld naar het tuchtcollege Amsterdam heeft doorverwezen, maar aan zich heeft gehouden tot de brief van 3 januari 2011, waardoor [eiser] nodeloos proceskosten heeft moeten maken en dat de beslissing van 3 januari 2011 is genomen, terwijl op dat moment de procedure was geschorst in verband met een wrakingsverzoek.

4.11.Bij de beoordeling van deze klacht stelt de rechtbank voorop dat [eiser] de bevoegdheidskwestie niet zelf door middel van een bevoegheidsincident voor alle weren naar voren heeft gebracht. Het tuchtcollege heeft zich ambtshalve beraden op de vraag of het al dan niet bevoegd was. De beraadslagingen hebben uiteindelijk geresulteerd in een ambtshalve beslissing van het tuchtcollege op 3 januari 2011. De beslissing is in hoger beroep in een overweging ten overvloede door het Centraal Tuchtcollege beoordeeld en, zowel inhoudelijk als procedureel, juist geacht. Om die reden staat ten aanzien van deze ambtshalve beslissing van 3 januari 2011 geen rechtsvordering uit art. 6:162 BW voor [eiser] open.

4.12.Voor zover het betoog van [eiser] ertoe strekt dat het tuchtcollege onrechtmatig heeft gehandeld, door in een eerder stadium de - al dan niet bewust - onjuiste beslissing te hebben genomen dat het tuchtcollege wel bevoegd was, kan dat niet tot een ander resultaat leiden. Anders dan [eiser] betoogt, kunnen de beraadslagingen die tussen de collegeleden en medewerkers zijn gevoerd over de bevoegdheidskwestie niet als een rechterlijke beslissing worden gekwalificeerd en daarmee ook niet als onrechtmatige rechtspraak. Voor de vraag of sprake is van een inhoudelijk onjuiste rechterlijke beslissing staat niet de oordeelsvorming als zodanig ten toets, maar slechts het resultaat van die oordeelsvorming: de rechterlijke uitspraak. Een onjuist standpunt in de oordeelsvorming (volgens [eiser]; de Staat bepleit dat geen beslissing is genomen, maar dat deze is aangehouden om [eiser] hierover te kunnen horen) kan daarom niet tot het oordeel leiden dat sprake is van een onjuiste rechterlijke beslissing. Het standpunt kan zich hebben gewijzigd, waarna de rechterlijke beslissing anders is komen te luiden. Dat is op zichzelf niet onrechtmatig.

4.13.Voornoemd oordeel laat onverlet de klacht van [eiser] dat hij, doordat de zaak niet aanstonds naar Amsterdam is verwezen, nodeloos extra kosten heeft moeten maken. Dit betoog - veronderstellenderwijs aangenomen dat [eiser], hetgeen de Staat betwist, inderdaad meer kosten zal moeten maken nu de zaak naar Amsterdam is verwezen - miskent dat het ter vrije beoordeling van de rechter staat om ofwel aanstonds te beslissen op een bevoegdheidskwestie, ofwel deze voor te leggen aan partijen bij een mondelinge behandeling, zodat partijen daarop kunnen reageren. Dat daarmee meer kosten zijn gemoeid, maakt de beslissing om een zitting te bepalen niet onrechtmatig. In elk geval valt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet in te zien waarom het bepalen van een zitting, alvorens tot een rechterlijke beslissing over de bevoegdheid te komen, in strijd zou zijn met fundamentele rechtsbeginselen.

4.14.De tweede grond waarop van [eiser] zijn vordering baseert, houdt in dat hem geen vooronderzoek is aangeboden. De beoordeling van deze klacht stuit echter reeds af op het feit dat dit betoog op dit moment nog ter beoordeling voorligt in de tuchtrechtprocedure en daarover nog door het tuchtcollege te Amsterdam moet worden beslist.

4.15.Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er onvoldoende grond is om aan te nemen dat sprake is onrechtmatig handelen door het tuchtcollege jegens [eiser]. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

en voorts in het incident en de hoofdzaak

4.16.[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld in het incident en de hoofdzaak. De kosten aan de zijde van De Staat worden begroot op:

- griffierecht 568,00

- salaris advocaat 1.356,00 (3 pnt × tarief € 452,00)

Totaal € 1.924,00

5.De beslissing

De rechtbank

in het incident en de hoofdzaak

5.1.wijst de vorderingen af,

5.2.veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van De Staat tot op heden begroot op € 1.924,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de veertiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Brand en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2012.