Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW2966

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-04-2012
Datum publicatie
19-04-2012
Zaaknummer
AWB 12/9859
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep tegen terugkeerbesluit en inreisverbod. Een eerdere afwijzing van een verblijfsvergunning van 14 februari 2011 dient tevens als terugkeerbesluit te worden aangemerkt. Nu is gesteld noch gebleken dat eiseres na 14 februari 2011 de Europese Unie heeft verlaten, is dit terugkeerbesluit nog steeds van kracht. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het terugkeerbesluit van 22 maart 2011 niet als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan gelden. Het beroep, voor zover dat is gericht tegen het terugkeerbesluit, dient daarom niet ontvankelijk te worden verklaard.

Nu het terugkeerbesluit, waarin het inreisverbod is vervat, niet als besluit kan worden aangemerkt, is het inreisverbod geen onderdeel van een besluit, maar een zelfstandig besluit. De rechtbank stelt vast dat het inreisverbod niet is opgenomen in artikel 75 van de Vw, zodat tegen een inreisverbod geen rechtstreeks beroep, maar bezwaar openstaat. De rechtbank zal het beroep, voor zover dat is gericht tegen het inreisverbod, aan verweerder doorzenden om als bezwaar te worden behandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Utrecht

Sector bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

zaaknummers: AWB 12/9859

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], geboren op [1979], van gestelde Oekraïense nationaliteit, eiseres

gemachtigde: mr. P.R. Klaver, advocaat te Bergen op Zoom,

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. S.Faddach

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2012 heeft verweerder aan eiseres het besluit opgelegd dat zij Nederland onmiddellijk moet verlaten. Het besluit omvat tevens een inreisverbod voor de periode van twee jaar.

Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld bij deze rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 april 2012. Eiseres is niet verschenen. Haar gemachtigde is met bericht niet verschenen, maar heeft bij faxbericht van 30 maart 2012 gronden ingediend. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres voert aan dat het niet noodzakelijk was om aan haar een terugkeerbesluit en inreisverbod op te leggen. Eiseres stelt dat zij niet is gehoord en dat verweerder het besluit niet heeft gemotiveerd. Ten aanzien van de duur van het inreisverbod voert eiseres aan dat de ernst van de situatie deze niet noodzakelijk maakt en dat geen rekening is gehouden met medische en andere humanitaire factoren.

2. De rechtbank stelt vast dat eiseres op 4 februari 2011 een aanvraag heeft ingediend voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 14 februari 2011 is deze aanvraag afgewezen en is tevens aan eiseres te kennen gegeven dat zij Nederland dient te verlaten. Bij uitspraak van 14 maart 2011 heeft deze rechtbank en nevenzittingsplaats onder meer het beroep tegen het besluit van 14 februari 2011 ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze afwijzing tevens als terugkeerbesluit te worden aangemerkt. Nu is gesteld noch gebleken dat eiseres na 14 februari 2011 de Europese Unie heeft verlaten, is dit terugkeerbesluit nog steeds van kracht. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat het terugkeerbesluit van 22 maart 2011 niet als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht kan gelden. Het beroep, voor zover dat is gericht tegen het terugkeerbesluit, dient daarom niet ontvankelijk te worden verklaard.

3. Nu het terugkeerbesluit, waarin het inreisverbod is vervat, niet als besluit kan worden aangemerkt, is het inreisverbod naar het oordeel van de rechtbank geen onderdeel van een besluit, maar een zelfstandig besluit.

4. De rechtbank stelt vast dat het inreisverbod niet is opgenomen in artikel 75 van de Vw, zodat tegen een inreisverbod geen rechtstreeks beroep, maar bezwaar openstaat. De rechtbank zal het beroep, voor zover dat is gericht tegen het inreisverbod, aan verweerder doorzenden om als bezwaar te worden behandeld.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk;

- zendt het beroep, voor zover gericht tegen het inreisverbod, door aan verweerder om dit als bezwaar te behandelen;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.E. Scheepers-Van Die, rechter, in aanwezigheid van

mr. P. Bruins-Langedijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

13 april 2012.

griffier rechter

Afschrift aan partijen verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de maatregel van bewaring, kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod, kunnen partijen binnen vier weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van "Hoger beroep vreemdelingenzaken", Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. Het beroepschrift dient één of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.