Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW2791

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
17-04-2012
Zaaknummer
359101 - HA RK 10-75
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BY2677, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderschap. Artikel 3 derde lid.RWN bij postnatale erkenning. Verzoeker voor 1 april 2003 postnataal erkend door een niet-Nederlandse man.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 359101 / HA RK 10-75

Beschikking van 5 april 2012

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. A.L. Ruiter te Enschede,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Immigratie- en Naturalisatiedienst),

zetelende te Den Haag,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door mr. C.M. Meijer.

Partijen worden hierna aangeduid met '[verzoeker]' en 'IND'.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het op 8 februari 2010 ingekomen verzoekschrift;

- de brieven van mr. Ruiter van 30 juli 2010, 29 april 2011 en 10 mei 2011;

- de brieven van de IND van 12 april 2010, 13 januari 2011 en 10 oktober 2011.

1.2.De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 februari 2012. Namens [verzoeker] is mr. Ruiter verschenen en namens de IND mr. Meijer. De officier van justitie heeft schriftelijk te kennen gegeven geen prijs te stellen op een mondelinge behandeling van de zaak ter zitting.

2.De feiten

[verzoeker] is geboren op [geboortedatum] 1969 te [geboorteplaats] (Dominica) als zoon van [moeder van verzoeker], beiden met als nationaliteit Burger van Dominica. [moeder van verzoeker] is op 12 januari 1981 op Curaçao in het huwelijk getreden met [A] (verder te noemen '[A]'), van Nederlandse nationaliteit. Zij verkreeg door optie als bedoeld in artikel 8 van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892 op 10 maart 1982 de Nederlandse nationaliteit. Op 5 december 2009 is zij in Hengelo overleden. [verzoeker] is op 3 oktober 1989 op Curaçao erkend door [A].

3.Het verzoek en het standpunt van de IND en de officier van justitie

3.1.[verzoeker] verzoekt de rechtbank vast te stellen dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit. Hij voert daartoe aan dat ten tijde van zijn erkenning door [A], zowel hijzelf, de erkenner alsook de moeder van de erkenner woonachtig waren op de Nederlandse Antillen. Hiermee wordt volgens hem voldaan aan de vereisten zoals genoemd in artikel 3, derde lid, (oud) van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN), zodat hij vanaf zijn erkenning op 3 oktober 1989 in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit.

3.2.De IND komt tot de conclusie dat [verzoeker] noch bij zijn geboorte, noch in verband met de erkenning door [A] tijdens zijn meerderjarigheid, noch anderszins het Nederlanderschap heeft verkregen.

3.3.De officier van justitie heeft schriftelijk verklaard zich aan te sluiten bij het advies van de IND.

4.De beoordeling

4.1.[verzoeker] is op 3 oktober 1989 op 19-jarige leeftijd erkend door [A]. Artikel 1, eerste lid aanhef en onder b, RWN (oud) bepaalt dat voor de toepassing van de RWN wordt verstaan onder meerderjarig, hij die de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt of voordien in het huwelijk is getreden. Dit heeft tot gevolg dat de erkenning er niet toe heeft geleid dat [verzoeker] op grond van het bepaalde in artikel 4 RWN (oud) de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Partijen verschillen hierover ook niet van mening.

4.2.[verzoeker] beroept zich op artikel 3, derde lid, RWN (oud). Ten tijde van de erkenning van [verzoeker] op 3 oktober 1989 luidde genoemd artikel dat Nederlander is het kind van een ten tijde van zijn geboorte in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba wonende vader of moeder die zelf geboren is uit een in één van die landen wonende moeder.

4.3.De ratio van genoemd artikel is dat de derde binnen het Koninkrijk wonende (hoofdverblijf hebbende) generatie van een niet-Nederlandse familie bij geboorte van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt, omdat die generatie geacht wordt een reële band met Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba te hebben, en dat voor hen uit een oogpunt van inburgering in de Nederlandse samenleving geen enkel beletsel voor de verkrijging van het Nederlanderschap zal bestaan. De vraag of een kind dat vóór 1 april 2003 postnataal door een niet-Nederlandse man is erkend, het Nederlanderschap op grond van genoemd artikel kon verwerven is door de Hoge Raad bevestigend beantwoord bij uitspraak van 10 juli 2009 (LJN: BI1122).

4.4.De voorwaarden voor het verkrijgen van het Nederlanderschap op grond van genoemd artikel ten tijde van de erkenning van [verzoeker] voor zover voor hem relevant waren:

a) postnatale erkenning of wettiging zonder erkenning;

b) van een minderjarig kind;

c) in de periode 1 januari 1985 tot 1 april 2003;

d) door een man/juridische vader met een vreemde nationaliteit;

e) de erkennende vader had ten tijde van de geboorte van het minderjarige kind zijn woonplaats in het Koninkrijk;

f) de vader is zelf geboren als kind van een vader of moeder met een vreemde nationaliteit die ten tijde van de geboorte van de vader woonplaats in het Koninkrijk had.

4.5.Aangezien [verzoeker] ten tijde van zijn erkenning reeds meerderjarig was en de erkenning heeft plaatsgevonden door een Nederlander, is [verzoeker] niet op grond van artikel 3, derde lid, RWN (oud) in het bezit gekomen van de Nederlandse nationaliteit.

4.6.De rechtbank merkt nog op dat niet is gesteld of gebleken dat [verzoeker], anders dan zijn twee zusters, door [A] naar het toenmalige recht van de Nederlandse Antillen is gewettigd. Reeds op deze grond kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel, voor zover dit door [verzoeker] is bedoeld, niet slagen.

4.7.Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het verzoek dient te worden afgewezen.

5.De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.J. Paris, mr. H. Wien en mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en in het openbaar uitgesproken op 5 april 2012.