Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW2535

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-03-2012
Datum publicatie
16-04-2012
Zaaknummer
388624 - HA RK 11-122
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rijkswet op het Nederlanderschap. Geen juridische vader in Ghana. Rechtsgeldige erkenning door Nederlander.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 388624 / HA RK 11-122

Beschikking van 29 maart 2012

in de zaak van

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster,

advocaat mr. S.S. Jangali te Amsterdam,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN

(Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,

Immigratie- en Naturalisatiedienst),

zetelende te Den Haag,

belanghebbende,

vertegenwoordigd door mr. C.M. Meijer.

Partijen worden hierna aangeduid als '[verzoekster]' en 'IND'.

1.De procedure

1.1.[verzoekster] heeft op 27 februari 2011 een verzoekschrift (met bijlagen) ingediend waarin zij de rechtbank verzoekt vast te stellen dat zij de Nederlandse nationaliteit bezit. Aanvullingen op het verzoek c.q. nadere stukken zijn ingekomen bij brieven van 13 en 28 juli 2011 en 14 en 15 februari 2012.

1.2.De IND heeft bij brief van 15 april 2011 (met bijlagen) gevraagd om aanvullende informatie. Bij brief van 17 oktober 2011 (met bijlagen) heeft de IND geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

1.3.De officier van justitie heeft zich bij brief van 21 november 2011 aangesloten bij het advies van de IND. Bij brief van 15 december 2011 heeft de officier van justitie bericht geen behoefte te hebben aan het bijwonen van de zitting.

1.4.De mondelinge behandeling van het verzoekschrift heeft plaatsgevonden op

16 februari 2012. Verschenen zijn [verzoekster], haar moeder en mevrouw [A] als tolk, vergezeld van mr. Jangali. Namens de IND is verschenen mr. Meijer. Mr. Jangali heeft pleitaantekeningen overgelegd.

2.De feiten

2.1.[verzoekster] is geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] in Ghana.

2.2.In het (gelegaliseerde) op 7 oktober 2008 afgegeven uittreksel uit het geboorteregister, rechtsboven genummerd [nummer] en met registratienummer [nummer], staat als vader vermeld: [vader van verzoekster], van Ghanese nationaliteit, en als moeder: [moeder van verzoekster] (hierna: de moeder), van Ghanese nationaliteit. Tevens is opgenomen dat de geboorteregistratie plaatsvond op 3 juni 1998 op aangeven van de moeder.

2.3.Op 9 februari 2001 heeft notaris mr. G. Bakker te Diemen een akte van erkenning opgemaakt. Uit die akte blijkt dat [B], ongehuwd en van Nederlandse nationaliteit, heeft verklaard [verzoekster] in de zin van artikel 1:223 Burgerlijk Wetboek (BW) te erkennen, zodat tussen hem en [verzoekster] familierechtelijke betrekkingen ontstaan. De moeder heeft toestemming tot de erkenning verleend. In de akte is opgenomen dat blijkens een aan de akte gehechte verklaring [verzoekster] schriftelijk heeft verklaard toestemming te geven voor de erkenning. De akte verwijst verder naar een aangehecht uittreksel uit het geboorteregister afgegeven op 22 januari 2001, rechtsboven genummerd [nummer] en met registratienummer [nummer], en overigens met dezelfde inhoud als de akte bedoeld onder 2.2.

3.Het verzoek en het standpunt van de IND

3.1.[verzoekster] voert ter onderbouwing van haar verzoek het volgende aan. Zij is op

9 februari 2001 rechtsgeldig erkend door [B], van Nederlandse nationaliteit. Op grond van het ten tijde van de erkenning van kracht zijnde artikel 4 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (Rwn) verkreeg [verzoekster] van rechtswege het Nederlanderschap.

3.2.De IND heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. De IND stelt zich op het standpunt dat de erkenning door [B] nietig is, primair omdat [verzoekster] op het moment van de erkenning reeds een juridische vader had, subsidiair omdat [verzoekster] voor de erkenning geen toestemming heeft verleend.

4.De beoordeling

4.1.In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of, zoals door de IND is betoogd, de erkenning nietig is omdat [verzoekster] ten tijde van de erkenning al een juridische vader had. Daarvoor dient te worden nagegaan of de moeder ten tijde van de geboorte van [verzoekster] was gehuwd.

4.2.De broer van de moeder, [C], spreekt in een op 18 februari 1994 afgelegde verklaring ('Statutory Declarations Act of 1971 - Declaration of Support') over een 'ex-husband' van zijn zus, [D]. Daartegenover staat echter een verklaring ('Statutory Declaration Act of 1971 - Declaration Confirming Marital Status of [moeder van verzoekster] as a Spinster') van de vader van de moeder, [E], van 14 februari 1989 waarin deze uitdrukkelijk verklaart dat zijn dochter een 'spinster' is en dat zij nooit is gehuwd. Ook de moeder heeft, onder meer in het kader van een verzoek om toelating als vluchteling en een vergunning tot verblijf in 1987 en een verzoek tot gezinshereniging in 1994, verklaard dat zij ongehuwd is en nooit gehuwd is geweest. Mede gelet op de door [verzoekster] gegeven toelichting op het gebruik van het woord ex-husband, en omdat anderszins niet is gebleken van een huwelijk, gaat de rechtbank er vanuit dat de moeder van [verzoekster] ten tijde van haar geboorte ongehuwd was.

4.3.Vervolgens dient te worden beoordeeld of de op de geboorteakte vermelde vader als de juridische vader kan worden aangemerkt.

De rechtbank gaat er in deze procedure vanuit dat de geboorteregistratie op 3 juni 1998 rechtsgeldig is, nu het daarvan op 7 oktober 2008 afgegeven uittreksel is gelegaliseerd. Als de in de geboorteakte geregistreerde vader wordt daarom aangemerkt [vader van verzoekster].

Nu [vader van verzoekster] ten tijde van de geboorte niet met de moeder van [verzoekster] was gehuwd, dient nagegaan te worden of [vader van verzoekster] een handeling heeft verricht die aan te merken is als de erkenning van [verzoekster]. Op grond van artikel 10:95 BW wordt de vraag of tussen [verzoekster] en [vader van verzoekster] door erkenning familierechtelijke betrekkingen zijn ontstaan bepaald door het recht van Ghana, zijnde de staat waarvan [vader van verzoekster] de nationaliteit bezit. Daarmee staat ter beoordeling of naar Ghanees recht tussen [verzoekster] en [vader van verzoekster] een familierechtelijke betrekking bestaat die op één lijn kan worden gesteld met de familierechtelijke betrekking die naar Nederlands recht ontstaat als gevolg van erkenning door een man van een kind.

4.4.[vader van verzoekster] staat weliswaar op de geboorteakte als vader vermeld, in Ghana registreert de ambtenaar van de burgerlijke stand evenwel slechts wat hem door de aangever wordt medegedeeld. De in de geboorteakte op te nemen gegevens worden door hem niet op juistheid gecontroleerd. De omstandigheid dat een man in de geboorteakte als vader van een kind staat vermeld, kan naar Ghanees recht niet gelden als (volledig) bewijs voor de (on)wettigheid van het kind en wordt niet op zichzelf aangemerkt als een vorm van (juridische) erkenning van het vaderschap van het kind. De enkele omstandigheid dat [vader van verzoekster] als vader is vermeld, is derhalve niet voldoende om aan te nemen dat hij naar Ghanees recht als de juridische vader van [verzoekster] kan worden aangemerkt. Van belang zijn in dit verband de naar Ghanees recht relevante feiten en omstandigheden. In navolging van een beslissing van de familiekamer van deze rechtbank van 10 maart 2008 (LJN: BC6198) zoekt de rechtbank in dat verband aansluiting bij de artikelen 9 en 10 van de 'Maintenance of Children Decree 1977'. Als relevante feiten en omstandigheden worden naar Ghanees recht beschouwd:

a) de vraag of een naamgevingsprocedure heeft plaatsgevonden,

b) vermelding van de naam van de vader op de geboorteakte,

c) het verzorgen en onderhouden van het kind,

d) een verklaring van de moeder over het vaderschap van de man.

4.5.Met de vermelding van [vader van verzoekster] als vader in de geboorteakte is voldaan aan het hiervoor vermelde vereiste onder b). Dat een naamgevingsprocedure als hiervoor bedoeld onder a) heeft plaatsgevonden, is gesteld noch gebleken. [verzoekster] heeft in dat kader aangevoerd dat zij, bij afwezigheid van een vader, door haar moeder is vernoemd en wel naar een grootvader aan moederszijde. Aldus is niet komen vast te staan dat is voldaan aan het vereiste onder a). Dat [vader van verzoekster] [verzoekster] heeft verzorgd en onderhouden is evenmin gesteld of gebleken. [verzoekster] heeft aangevoerd dat zij [vader van verzoekster] niet kent. Zij heeft hem nooit ontmoet. In Ghana is zij verzorgd door haar oom. Voor haar onderhoud stuurde haar moeder geld naar haar oom. Zij heeft begrepen dat [vader van verzoekster] nimmer enige bijdrage in haar verzorging of opvoeding heeft geleverd. Dat aan het vereiste onder c) is voldaan is daarmee evenmin komen vast te staan. Resteert de verklaring van de moeder zoals bedoeld onder d). [vader van verzoekster] is weliswaar op aangeven van de moeder als vader op de geboorteakte vermeld, in het kader van de hiervoor onder 4.2. bedoelde verzoeken om toelating als vluchteling en tot gezinshereniging, heeft de moeder verklaard dat [vader van verzoekster] de vader van [verzoekster] is. De moeder is in haar verklaring omtrent het vaderschap dan ook niet consequent.

4.6.Alles in overweging nemend komt de rechtbank tot het oordeel dat [vader van verzoekster] niet kan worden gezien als de juridische vader van [verzoekster]. Aanwijzingen dat [vader van verzoekster] - voor zover hij niet al dezelfde persoon is als [vader van verzoekster] - of [vader van verzoekster] mogelijk als juridische vader kunnen worden aangemerkt zijn onvoldoende gesteld of gebleken. Hiermee staat vast dat het in beginsel mogelijk is dat [verzoekster] door een ander kan worden erkend.

4.7.Vervolgens dient te worden beoordeeld of [verzoekster] op 9 februari 2001 rechtsgeldig door [B] is erkend. Of erkenning door een man familierechtelijke betrekkingen doet ontstaan tussen hem en een kind, wordt op grond van artikel 10:95 BW ook hier bepaald door het recht van de staat waarvan de man de nationaliteit bezit, in dit geval Nederlands recht.

4.8.De IND heeft betoogd dat de erkenning op grond van artikel 1:204 lid 1 aanhef en onder d BW nietig is omdat de handtekening op de verklaring houdende toestemming tot de erkenning van [verzoekster] niet overeenkomt met de handtekening van [verzoekster] op haar paspoort. Hierbij heeft de IND in aanmerking genomen dat uit de akte van erkenning niet blijkt dat [verzoekster], zoals door haar gesteld, bij de erkenning aanwezig was.

De rechtbank overweegt daartoe het volgende. Op grond van het bepaalde in artikel 1:204 lid 2 BW kan de vereiste toestemming van het te erkennen kind ook geschieden ter gelegenheid van het opmaken van de akte van erkenning. Zulks is echter geen vereiste voor de rechtsgeldigheid. Op grond van artikel 204 lid 1 aanhef en onder d BW kan worden volstaan met een schriftelijke verklaring van het kind. Gelet op de bij brief van 14 februari 2012 door notaris mr. P.A.D. Mokkum te Diemen, opvolger van mr. G. Bakker, gegeven toelichting dat op grond van de aan de akte gehechte toestemmingsverklaring van [verzoekster], haar geboorteakte en haar paspoort de identiteit van [verzoekster] op de dag van de erkenning is vastgesteld, alsmede de ter zitting gegeven verklaring van [verzoekster] dat zij vóór de toestemmingsverklaring slechts één of twee keer eerder een handtekening heeft geplaatst, is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken van de toestemming van [verzoekster] voor de erkenning. Dat [verzoekster] eerst op 12 september 2008 om inschrijving bij de gemeente heeft verzocht doet aan het voorgaande niet af.

4.9.Het voorgaande leidt tot de conclusie dat sprake is van een rechtsgeldige erkenning door [B] en dat [verzoekster] op 9 februari 2001 Nederlander is geworden. Het verzoek dient dan ook te worden toegewezen.

4.10.De IND zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten

van het geding.

4.11.De verzochte uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal worden afgewezen aangezien een beslissing als de onderhavige zich daar niet toe leent.

5.De beslissing

De rechtbank:

- stelt vast dat [verzoekster], geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] (Ghana), vanaf 9 februari 2001 in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit,

-veroordeelt de IND in de kosten van deze procedure tot op heden aan de zijde van [verzoekster] begroot op € 71,-- aan verschotten (griffierecht) en € 904,-- aan salaris advocaat,

-wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.J. Paris, mr. H. Wien en mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2012.