Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW2483

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-04-2012
Datum publicatie
16-04-2012
Zaaknummer
09-900882-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis. De officier van justitie heeft gevorderd dat wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard dat verdachte de primair ten laste gelegde poging tot moord heeft begaan en dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat dit feit hem niet kan worden toegerekend. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte overeenkomstig het bepaalde in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van één jaar zal worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis. Indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde en strafbaarheid van het bewezen verklaarde, is aan de orde welke sanctie aan verdachte dient te worden opgelegd. De rechtbank acht zich ten aanzien van de persoon van verdachte en met name ten aanzien van de aan verdachte mogelijk op te leggen maatregelen onvoldoende voorgelicht. Uit de Pro Justitia rapporten en de aanvullende informatie van de gedragsdeskundigen blijkt dat adequaat medicijngebruik door verdachte van wezenlijk belang is voor het verminderen van de recidivekans. Gelet op de zorgen die de deskundigen op dit punt hebben geuit, het (ook ter zitting) gebleken gebrek aan ziektebesef bij verdachte, de omstandigheid dat verdachte medicatieontrouw blijkt te zijn, het uit het dossier gebleken gedrag van verdachte (op en na 1 oktober 2011) wanneer hij geen antipsychotische medicatie gebruikt en het gegeven dat TBS met voorwaarden volgens de deskundigen tot de mogelijkheden behoort en een betere bescherming van de maatschappij biedt, wenst de rechtbank nader te worden voorgelicht omtrent een mogelijke invulling van een dergelijke maatregel, in de vorm van een maatregelrapport.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/900882-11

Datum uitspraak: 6 april 2012 (bij vervroeging)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende tussenvonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],

adres: [adres],

thans gedetineerd in het penitentiair psychiatrisch centrum te 's-Gravenhage.

De terechtzitting.

Het onderzoek is gehouden ten terechtzittingen van 10 januari 2012 en 30 maart 2012.

Verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr. A.J. van Duijne Strobosch, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord.

Er heeft zich een benadeelde partij gevoegd.

De officier van justitie mr. P.A. Willemse heeft gevorderd dat wettig en overtuigend bewezen wordt verklaard dat verdachte de primair ten laste gelegde poging tot moord heeft begaan en dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat dit feit hem niet kan worden toegerekend. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte overeenkomstig het bepaalde in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van één jaar zal worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De tenlastelegging.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 oktober 2011, te Delft, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade een persoon genaamd [X] van het leven te beroven, met dat opzet en/of al dan niet na rustig overleg en kalm beraad, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, (meermalen) gestoken in het lichaam en/of de arm van die [X], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 01 oktober 2011 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [X], opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, heeft hij, verdachte, met dat opzet en/of na rustig overleg en kalm beraad, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (meermalen) gestoken in het lichaam en/of de arm van die [X], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Heropening en schorsing van het onderzoek ter terechtzitting.

Bij de beraadslaging is de rechtbank gebleken dat het onderzoek ter terechtzitting niet volledig is geweest.

De rechtbank zal om die reden het onderzoek heropenen en schorsen tot een nader te bepalen tijdstip.

Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het ten laste gelegde en strafbaarheid van het bewezen verklaarde, is aan de orde welke sanctie aan verdachte dient te worden opgelegd. De rechtbank acht zich ten aanzien van de persoon van verdachte en met name ten aanzien van de aan verdachte mogelijk op te leggen maatregelen onvoldoende voorgelicht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia rapporten van drs. B.E.A. van der Hoorn, psychiater, en van M.H. de Groot, GZ-psycholoog, van 17 december 2011.

Beide gedragsdeskundigen concluderen dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van een schizofreniforme stoornis en voorts dat sprake is van cannabisafhankelijkheid en van misbruik van alcohol. De deskundigen concluderen dat hiervan tevens sprake was ten tijde van het ten laste gelegde. De Groot licht toe dat vanwege de schizofreniforme stoornis zich paranoïde symptomatologie ontwikkelde, waarbij het gebruik van cannabis de psychotische symptomen mogelijk heeft versterkt. Verdachte had geen goed besef meer van de werkelijkheid en hij voelde zich niet veilig. Van der Hoorn onderschrijft dit. Verdachte dient volgens beide deskundigen als volledig ontoerekeningsvatbaar te worden beschouwd.

Voorts achten beide deskundigen de kans op recidive groot indien verdachte niet adequaat wordt behandeld. Zij concluderen dat verdachte (nagenoeg) geen ziektebesef heeft en dat het van groot belang is dat hij antipsychotische medicatie gebruikt en blijft gebruiken. Gebleken is echter dat verdachte medicatie-ontrouw is. Het is daarom noodzakelijk dat hij goed wordt ingesteld op een anti-psychoticum en leert omgaan met zijn stoornis en zijn kwetsbaarheden, waarbij ook aandacht dient te zijn voor het drugsgebruik van verdachte. Gelet hierop adviseren de deskundigen de plaatsing van verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar, en wel in een Forensisch Psychiatrische Kliniek.

De reclassering heeft in het voorlichtingsrapport van 20 december 2011 te kennen gegeven in te stemmen met het advies van de gedragsdeskundigen.

Naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen van de gedragsdeskundigen heeft de officier van justitie per brief van 5 maart 2012 aanvullende vragen aan de gedragsdeskundigen gesteld. De officier van justitie heeft onder meer gevraagd - verkort weergegeven - of de maatregel TBS met voorwaarden geen betere (langduriger) bescherming biedt van de samenleving tegen verdachte dan de maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar en of het mogelijk is een invulling te geven aan een TBS met voorwaarden voor verdachte.

Deskundige Van der Hoorn heeft per faxbericht van 15 maart 2012 geantwoord dat hij inschat dat het bereiken van een stabiel psychiatrisch beeld goed mogelijk is binnen de duur van de door hem geadviseerde maatregel. Het risico op een ernstig agressie-incident hangt in zijn geheel af van de psychiatrische toestand van verdachte. Als verdachte paranoïde psychotisch is, is het risico op een agressie-incident groot. De wisselende therapietrouw is bij betrokkene evident, maar in de afgelopen maanden wel verbeterd. Uit de behandeling van verdachte de afgelopen maanden is duidelijk geworden dat het risico voor de samenleving goed af te wenden is, wanneer verdachte is ingesteld op een adequate dosering van een antipsychotisch medicament. In de visie van de deskundige is TBS met voorwaarden als zware maatregel niet noodzakelijk om het gevaar af te wenden. Plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis is afdoende, na afloop waarvan zo nodig - bij aanhoudend gevaar - een civielrechtelijke machtiging (BOPZ) kan worden aangevraagd. Het voorgestelde zorgtraject kan overigens ook worden vormgegeven binnen een TBS met voorwaarden, aldus de deskundige.

Deskundige De Groot heeft per faxbericht van 26 maart 2012 op de aanvullende vragen van de officier van justitie geantwoord dat op het moment dat verdachte door hem en mederapporteur Van der Hoorn onderzocht en beoordeeld werd, de geadviseerde maatregel van plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis, gezien het toestandsbeeld op dat moment, het meest geëigende advies leek te zijn. De resultaten van de behandeling van verdachte tot op heden vallen echter tegen. De deskundige merkt op dat de behandeling van verdachte tot op heden geen onoverkomelijke problemen heeft opgeleverd, maar dat het wel een zorgelijke ontwikkeling is dat verdachte onlangs medicatie is gaan weigeren. TBS met voorwaarden biedt een betere bescherming van de maatschappij. Het is ook mogelijk om hieraan invulling te geven, aldus de deskundige.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 30 maart 2012 verklaard dat hij inmiddels drie weken gestopt is met het nemen van medicatie. Om die reden is hij op een zwaardere afdeling geplaatst. Ook heeft hij verklaard dat hij het zich niet volledig kan voorstellen dat hij een schizofreniforme stoornis heeft.

Uit de Pro Justitia rapporten en de aanvullende informatie van de gedragsdeskundigen blijkt dat adequaat medicijngebruik door verdachte van wezenlijk belang is voor het verminderen van de recidivekans. Gelet op de zorgen die de deskundigen op dit punt hebben geuit, het (ook ter zitting) gebleken gebrek aan ziektebesef bij verdachte, de omstandigheid dat verdachte medicatieontrouw blijkt te zijn, het uit het dossier gebleken gedrag van verdachte (op en na 1 oktober 2011) wanneer hij geen antipsychotische medicatie gebruikt en het gegeven dat TBS met voorwaarden volgens de deskundigen tot de mogelijkheden behoort en een betere bescherming van de maatschappij biedt, wenst de rechtbank nader te worden voorgelicht omtrent een mogelijke invulling van een dergelijke maatregel, in de vorm van een maatregelrapport.

De stukken zullen in handen van de officier van justitie worden gesteld, opdat zij betreffende verdachte een maatregelrapport laat uitbrengen.

De rechtbank schorst het onderzoek voor een langere dan de in artikel 282, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde termijn van een maand, doch voor niet langer dan drie maanden, om de klemmende reden dat de agenda van de rechtbank een eerdere voortzetting niet mogelijk maakt en dat bedoeld onderzoek niet binnen een maand kan worden voltooid.

Beslissing.

De rechtbank,

heropent en schorst het onderzoek en beveelt dat het onderzoek zal worden hervat op een nader te bepalen terechtzitting binnen 3 maanden na heden;

stelt de stukken in handen van de officier van justitie teneinde uitvoering te geven aan hetgeen in dit tussenvonnis is aangegeven;

beveelt de oproeping van verdachte tegen het tijdstip van die nader te bepalen terechtzitting, met verstrekking van een afschrift van die oproeping aan de raadsman van verdachte;

beveelt de oproeping van de benadeelde partij tegen het tijdstip van die nader te bepalen terechtzitting;

beveelt de oproeping van een tolk in de Spaanse taal tegen het tijdstip van die nader te bepalen terechtzitting.

Dit tussenvonnis is gewezen door

mr. E. Rabbie, voorzitter,

mr. S.M. Krans en mr. M.L. Harmsen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.A. Keuter, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 april 2012.