Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW1988

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-03-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/31299
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit enkel oog heeft gehad voor de formele inschrijving van eiser in de GBA en uitsluitend op basis daarvan heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een duurzame relatie. In aanmerking genomen dat, zoals ook verweerder ter zitting heeft verklaard, de periode van samenwoning in het buitenland van belang is voor de beoordeling of eiser en referent een duurzame relatie (dat wil zeggen ten minste zes maanden) hebben, had verweerder de door eiser gestelde en met Spaanse bewijsstukken onderbouwde samenwoning met referente in Spanje – zichtbaar – in de besluitvorming moeten betrekken. Indien, zoals eiser stelt en verweerder niet gemotiveerd heeft weersproken, eiser en referente reeds in Spanje met elkaar samenwoonden en zich vanuit Spanje in Nederland hebben gevestigd en in aanmerking genomen dat zij zich op 23 juni 2010 gezamenlijk hebben aangemeld bij de GBA en dat referente vanaf die datum in de GBA staat ingeschreven, valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom verweerder bij de beoordeling van de duurzaamheid van de relatie geen rekening heeft gehouden met het bewijs van bekendmaking bij de GBA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 11/31299

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2012

inzake

[eiser],

geboren op [datum] 1979,

nationaliteit Ghanese,

verblijvende te [plaats],

eiser,

gemachtigde: A.C. Acquah,

tegen

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

te Den Haag,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.F. van der Lubbe

<b>Procesverloop</b>

Bij besluit van 23 maart 2011 (primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), waaruit het rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.

Bij besluit van 1 september 2011 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Tegen het bestreden besluit heeft eiser beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 17 februari 2012, waar eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

<b>Overwegingen</b>

1. Aan de orde is of het bestreden besluit in rechte kan standhouden.

2. Bij die beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3. Eiser stelt een relatie te hebben met [referente], geboren op [datum] 1991 (hierna: referente). Referente heeft de Spaanse nationaliteit en werkt in Nederland.

4. Op 9 februari 2011 heeft eiser onderhavige aanvraag ingediend met als doel verblijf bij referente.

5. Eiser heeft een relatieverklaring ondertekend. Hierbij heeft eiser verklaard dat hij sinds 26 januari 2009 een exclusieve relatie onderhoudt met referente en daartoe een gemeenschappelijke huishouding voert en feitelijk samenwoont.

6. Bij de aanvraag heeft eiser overgelegd twee Spaanse stukken, te weten een Volante de empadronamiente individual de residencia van het Ajuntament de Badalona (Spanje), afgegeven op 19 mei 2010, met betrekking tot hem en eenzelfde Volante de empadronamiente individual de residencia van het Ajuntament de Badalona, afgegeven op 19 mei 2010, met betrekking tot referente, waaruit volgens eiser blijkt dat hij vanaf 26 januari 2009 op hetzelfde adres als referente in Badalona heeft gewoond.

7. In het Bewijs van bekendmaking bij de GBA van 23 juni 2010 met betrekking tot eiser staat onder het kopje persoonsgegevens [adres] te [plaats].

8. Uit een afschrift uit de basisadministratie persoonsgegevens van 8 februari 2011 met betrekking tot referente staat vermeld dat referente zich op 23 juni 2010 heeft gevestigd op het adres [adres] te [plaats], komende van Spanje.

9. Eiser staat sinds 8 maart 2011 ingeschreven in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA) op het adres [adres] te [plaats].

10. Verweerder heeft zich in het bij het bestreden besluit gehandhaafde primaire besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor het gevraagde document, omdat eiser niet heeft aangetoond dat tussen hem en referente sprake is van een duurzame relatie. Volgens verweerder is niet gebleken dat eiser en referente reeds buiten Nederland een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Voorts staat vast dat eiser ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog geen zes maanden staat ingeschreven op hetzelfde adres als referente. Volgens verweerder is dus niet door middel van de inschrijving in de GBA aangetoond dat eiser en referente gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd.

11. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat in het bestreden besluit uitsluitend de duurzaamheid van de relatie tussen eiser en referente door verweerder wordt betwist. Verweerder heeft niet onderzocht of sprake is van een echte relatie tussen eiser en referente.

12. De rechtbank stelt vast dat in het onderhavige geval sprake is van vestiging bij een Unieburger (ook wel gemeenschapsonderdaan volgens de terminologie van de Vw 2000). Derhalve is Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG, 93/96/EEG (hierna: de Richtlijn) hier relevant.

13. Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Richtlijn vergemakkelijkt het gastland, onverminderd een persoonlijk recht van vrij verkeer of verblijf van de betrokkenen, overeenkomstig zijn nationaal recht, binnenkomst en verblijf van de partner met wie de burger van de Unie een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft.

14. Volgens rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) (bijvoorbeeld de uitspraak van 19 september 2008, www.rechtspraak.nl, LJN: BF3060) schrijft laatstgenoemde bepaling de lidstaten slechts voor overeenkomstig hun nationaal recht, de binnenkomst en het verblijf van de partner met wie de burger van de Unie een duurzaam bewezen relatie heeft, te vergemakkelijken. Aan die bepaling wordt in de Richtlijn echter geen nadere invulling gegeven, zodat de vreemdeling niet rechtstreeks rechtmatig verblijf aan de Richtlijn kan ontlenen, maar daarvoor is aangewezen op het nationale recht van de desbetreffende lidstaat. Het gastland onderzoekt de persoonlijke situatie nauwkeurig en motiveert een eventuele weigering van toegang of verblijf. De voorwaarden voor toegang tot en rechtmatig verblijf in Nederland zijn opgenomen in Hoofdstuk 8, afdeling 2, paragraaf 2, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).

15. Ingevolge artikel 8.7, eerste lid, van het Vb 2000 is paragraaf 2 van afdeling 2 van hoofdstuk 8 van het Vb 2000 van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

16. Ingevolge artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000 is deze paragraaf van het Vb 2000 eveneens van toepassing op de ongehuwde partner die een vreemdeling als bedoeld in het eerste lid naar Nederland begeleidt of zich bij hem in Nederland voegt en die een deugdelijk bewezen duurzame relatie met die vreemdeling heeft, en op de rechtstreekse bloedverwant in de neergaande lijn van een zodanige partner, voor zover die bloedverwant jonger is dan 18 jaar en die partner vergezelt of zich bij die partner in Nederland voegt.

17. Ingevolge artikel 8.13, eerste lid, van het Vb 2000 heeft de vreemdeling bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000, die niet de nationaliteit bezit van een staat als bedoeld in het eerste lid van dat artikel, langer dan drie maanden na inreis rechtmatig verblijf in Nederland, voor zover hij in Nederland verblijft bij een vreemdeling als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, onder a, b of c.

18. Ingevolge artikel 8.13, derde lid, aanhef en onder c, van het Vb 2000 legt de vreemdeling bij de indiening van de aanvraag over een document waaruit de familierechtelijke relatie of duurzame relatie blijkt met een vreemdeling bedoeld in artikel 8.7, eerste lid, van het Vb 2000, bij wie hij in Nederland verblijft.

19. Ingevolge artikel 8.13, derde lid, aanhef en onder f, van het Vb 2000 overlegt de vreemdeling, voor zover hij in Nederland verblijft als partner als bedoeld in artikel 8.7, vierde lid, van het Vb 2000, bij indiening van de aanvraag een bij regeling van Onze Minister vast te stellen relatieverklaring.

20. Het beleid met betrekking tot familieleden niet zelf EU/EER- of Zwitsers onderdaan, is neergelegd in hoofdstuk B10 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000). In paragraaf B10/1.7 van de Vc 2000 is bepaald dat de duurzame relatie in ieder geval zal worden aangenomen indien met deugdelijk bewijs kan worden aangetoond dat de ongehuwde partner en de EU/EER-onderdaan of onderdaan van Zwitserland, die gebruik maakt van zijn recht op vrij verkeer, reeds gedurende een termijn van zes maanden een gezamenlijke huishouding voeren dan wel (recentelijk) hebben gevoerd of indien uit de relatie een kind is geboren. Om aan te tonen dat sprake is of is geweest van een gezamenlijke huishouding, oftewel samenwoning, buiten Nederland valt te denken aan het overleggen van een bewijs van inschrijving in een gemeentelijke administratie, huurcontracten of afschriften van rekeningen op beider naam.

21. Naar het oordeel van de rechtbank staat de richtlijn er niet aan in de weg dat een duurzame relatie pas wordt aangenomen indien wordt aangetoond dat de ongehuwde partner en de burger van de Unie, die gebruik maakt van zijn recht van vrij verkeer, ten minste zes maanden een relatie hebben. De richtlijn staat er evenmin aan in de weg dat een duurzame relatie in beginsel pas wordt aangenomen wanneer de partners gedurende deze termijn een gezamenlijke huishouding voeren. Voorts kan van partners, die stellen een duurzame relatie te onderhouden en die stellen in Nederland samen te wonen, deugdelijk bewijs van die samenwoning worden verlangd (zie de uitspraak van de Afdeling van 6 september 2011, LJN: BS1678).

22. Richtlijnconforme interpretatie van de artikelen 3:2, 3:46 en 3:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) brengt met zich dat, wanneer een familielid zijn verklaring dat hij een duurzame relatie onderhoudt met de burger van de Unie, die gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, onderbouwt met bewijs, verweerder dit bewijs dient te beoordelen, en in voorkomend geval dient te motiveren waarom het bestaan van een duurzame relatie niet is aangetoond (zie evenbedoelde uitspraak van de Afdeling). Verweerder kan in dat geval, ter motivering van het standpunt dat een duurzame relatie niet is aangetoond, aldus niet louter volstaan met een verwijzing naar het ontbreken van een GBA-inschrijving.

23. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit enkel oog heeft gehad voor de formele inschrijving van eiser in de GBA en uitsluitend op basis daarvan heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een duurzame relatie. In aanmerking genomen dat, zoals ook verweerder ter zitting heeft verklaard, de periode van samenwoning in het buitenland van belang is voor de beoordeling of eiser en referent een duurzame relatie (dat wil zeggen ten minste zes maanden) hebben, had verweerder de door eiser gestelde en met Spaanse bewijsstukken onderbouwde samenwoning met referente in Spanje – zichtbaar – in de besluitvorming moeten betrekken. Indien, zoals eiser stelt en verweerder niet gemotiveerd heeft weersproken, eiser en referente reeds in Spanje met elkaar samenwoonden en zich vanuit Spanje in Nederland hebben gevestigd en in aanmerking genomen dat zij zich op 23 juni 2010 gezamenlijk hebben aangemeld bij de GBA en dat referente vanaf die datum in de GBA staat ingeschreven, valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom verweerder bij de beoordeling van de duurzaamheid van de relatie geen rekening heeft gehouden met het bewijs van bekendmaking bij de GBA.

24. Voorts heeft verweerder eiser, gezien het voorgaande, ten onrechte niet gehoord naar aanleiding van diens bezwaarschrift.

25. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb, artikel 7:2, eerste lid, van de Awb en artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

26. De rechtbank acht geen termen aanwezig het geschil finaal te beslechten dan wel toepassing te geven aan de bestuurlijke lus. Wel zal de rechtbank verweerder opdragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. Voor zover verweerder twijfelt aan de relatie tussen eiser en referente, ligt het op de weg van verweerder aannemelijk te maken dat sprake is van een schijnrelatie.

27. De rechtbank acht termen aanwezig verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage begroot op in totaal € 874,00 voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van een (aanvullend) beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 437,00 en wegingsfactor 1).

28. Tevens zal de rechtbank bepalen dat door verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 152,00 dient te worden vergoed.

29. Beslist wordt als volgt.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 874,00;

- gelast verweerder aan eiser te vergoeden het door hem betaalde griffierecht ad € 152,00.

Aldus gedaan door mr. A. Venekamp als rechter in tegenwoordigheid van drs. J.A. Meijer-Habraken als griffier en in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2012.

<HR NOSHADE>

<i>Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij:

Raad van State

Afdeling bestuursrechtspraak

Hoger beroep vreemdelingenzaken

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt <b>vier weken</b> na verzending van de uitspraak door de griffier. Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt onder meer dat bij het beroepschrift een afschrift moet worden overgelegd van de uitspraak. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing.</i>

Afschriften verzonden: