Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW1962

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-04-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
415492 - KG ZA 12-299
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BW4443, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser stoelt zijn vordering tot afgifte van de 29 documenten (i) op de Wbp, het EVRM en het ESH, alsmede op de bestuursrechtelijke beginselen van behoorlijk bestuur (hierna: grondslag (i)) en (ii) op artikel 843a Rv (hierna: grondslag (ii)). Voor de beantwoording van de vraag of eiser ook ontvankelijk is in zijn vorderingen, is van belang of voor hetgeen hij willen bereiken – afgifte van documenten – geen andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat. Wat betreft grondslag (i) geldt dat de afwijzende beslissing op het verzoek tot afgifte van de 29 documenten aan eiser op grond van de artikelen 35 en 43 Wbp, ingevolge artikel 45 Wbp te gelden heeft als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, nu de beslissing door een bestuursorgaan is genomen. De Algemene wet bestuursrecht biedt de mogelijkheid om tegen dit besluit bezwaar en vervolgens beroep in te stellen bij respectievelijk het bestuursorgaan en de bestuursrechter van de rechtbank. Deze procedure is te beschouwen als een met voldoende waarborgen omklede (bestuursrechtelijke) rechtsgang. Voor de voorzieningenrechter is hier, voor zover gestoeld op deze grondslag, dan ook geen taak weggelegd. Voor zover eiser afgifte van de documenten vordert op grond van grondslag (ii) is hij ontvankelijk in zijn vordering. Hoewel artikel 843a Rv en artikel 35 Wbp elkaar in zekere mate overlappen bestaan beide regelingen volgens vaste jurisprudentie naast elkaar en kunnen zij bij eenzelfde casus ieder voor zich tot een andere uitkomst leiden. De voorzieningenrechter stelt voorop dat artikel 843a Rv ziet op de bijzondere exhibitieplicht in en buiten rechte. In voormeld artikel is in het eerste lid de toewijsbaarheid van de vordering aan drie cumulatieve voorwaarden gebonden. Ten eerste dient eiser een rechtmatig belang te hebben. Ten tweede moet de vordering ‘bepaalde bescheiden’ betreffen. Ten derde dient eiser partij te zijn bij de rechtsbetrekking waarop de bescheiden zien. De rechtsbetrekking die eiser in dit verband met de Staat stelt te hebben is er een uit onrechtmatige daad. Een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad wordt op zichzelf bestreken door het bepaalde in artikel 843a Rv. Zowel uit de tekst van het artikel als uit de toepassing daarvan in de jurisprudentie blijkt evenwel dat er voor een geslaagd beroep op artikel 843a Rv een onderscheid dient te bestaan tussen de rechtsbetrekking enerzijds en de opgevraagde bescheiden anderzijds, waarbij de opgevraagde bescheiden de discussie over de (onderliggende) onrechtmatige daad dienen. In dit geval is dat onderscheid er niet. De rechtsbetrekking uit de gestelde onrechtmatige daad valt immers samen met de bescheiden: uiteindelijk is het de weigering de bescheiden te verstrekken die eiser onrechtmatig acht. Voor een dergelijke situatie is artikel 843a Rv niet bedoeld. Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat, gelet op her arrest van de Hoge Raad van 15 december 1995, NJ 1996, 509, thans in het midden kan blijven of het niet verstrekken van de gevraagde bescheiden aan eiser onrechtmatig is. Aan de belangen van eiser kan nog tegemoet gekomen worden in de bestuursrechtelijke procedure(s). Het gevraagde gebod komt daarom, mede gezien het definitieve karakter van het verstrekken van de bescheiden, niet voor toewijzing in aanmerking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2012/253

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 415492 / KG ZA 12-299

Vonnis in kort geding van 12 april 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. W.R. Kastelein te Utrecht,

tegen:

de Staat der Nederlanden

(Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (Inspectie voor de Gezondheidszorg)),

zetelende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. M.F. van der Mersch te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als '[eiser]' en 'de Staat'.

1. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 29 maart 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. [eiser] is van beroep medisch specialist en was tot 24 maart 2009 als algemeen chirurg werkzaam in het [ziekenhuis] te Amsterdam.

1.2. De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft als taak om toezicht te houden op de naleving van en opsporing van overtredingen van wettelijke voorschriften op het gebied van de volksgezondheid. Het toezicht richt zich onder meer op de wettelijke verplichting voor zorginstellingen en individuele beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg om verantwoorde zorg te leveren.

1.3. Op grond van artikel 4a Kwaliteitswet zorginstellingen zijn zorginstellingen verplicht om calamiteiten te melden bij IGZ. Een calamiteit wordt gedefinieerd als elke niet beoogde of onverwachte gebeurtenis die de dood of ernstige schade voor de patiënt tot gevolg heeft.

1.4. Bij brief van 24 maart 2009 heeft de Raad van bestuur van het [ziekenhuis] aan IGZ meegedeeld dat [eiser] op non-actief is gesteld in verband met een calamiteit die zich in het ziekenhuis heeft afgespeeld en waarbij een patiënte is komen te overlijden.

1.5. Naar aanleiding van voormelde melding van het [ziekenhuis] heeft IGZ een onderzoek ingesteld naar de calamiteit. Het functioneren van [eiser] maakt onderdeel uit van het onderzoek.

1.6. [eiser] heeft bij brief van 30 september 2010, aangevuld door zijn brieven van 12 april 2011 en 18 mei 2011, verzocht om een overzicht van alle documenten die bij IGZ beschikbaar zijn in het kader van het onderzoek door IGZ naar het beroepsmatig functioneren van [eiser] als medisch specialist. Daarbij heeft [eiser] verzocht deze documenten aan hem te verstrekken voor zover deze nog niet in zijn bezit zijn. [eiser] heeft zijn verzoek gebaseerd op artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), alsmede op de beginselen van hoor en wederhoor en fair trial.

1.7. Bij e-mailbericht van 17 juni 2011 heeft IGZ een inventarislijst aan [eiser] verstrekt, waarin 43 documenten zijn genoemd en omschreven die betrekking hebben op (het onderzoek naar het functioneren van) [eiser] en waarover de Staat beschikt.

1.8. Bij brief van 27 juni 2011 heeft [eiser] aangegeven van welke op de lijst vermelde documenten (totaal 29 stuks) hij een afschrift wenst.

1.9. IGZ heeft bij brief van 10 augustus 2011 afwijzend beslist op voormeld verzoek van [eiser].

1.10. [eiser] heeft vervolgens op 16 september 2011 een bezwaarschrift ingediend tegen het onder 1.9 genoemd besluit.

1.11. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: de minister) heeft in zijn beslissing op bezwaar van 7 februari 2012 het bezwaarschrift van [eiser] ongegrond verklaard. In afwijking van het advies van de VWS-commissie bezwaarschriften heeft de minister niet per specifiek document beoordeeld of het gegevens bevat die (een) derde(n) betreffen en of deze derde(n) bij verstrekking bedenkingen zou(den) kunnen hebben. De minister heeft - kort gezegd - geoordeeld dat hij reeds aan zijn verplichtingen van artikel 35 Wbp heeft voldaan door het verstrekken van een volledig en voldoende specifiek overzicht van de bij IGZ aanwezige bescheiden die zien op het onderzoek van de calamiteit en het functioneren van [eiser].

1.12. De voorzieningenrechter van deze rechtbank, sector bestuursrecht, heeft bij uitspraak van 19 oktober 2011 het verzoek van [eiser] om als voorlopige voorziening de 29 documenten aan hem te verstrekken afgewezen, omdat de minister heeft voldaan aan zijn verplichtingen van artikel 35 Wbp.

1.13. Op 15 februari 2012 heeft [eiser] het rapport van IGZ in concept ontvangen. IGZ heeft daarbij verzocht om correcties van feitelijke onjuistheden in het rapport binnen vier weken aan hem bekend te maken.

1.14. [eiser] heeft op 1 maart 2012 een nieuw verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend bij deze rechtbank, sector bestuursrecht, opnieuw inhoudende het verstrekken van de eerder gevraagde 29 documenten.

1.15. De bestuursrechter heeft op 29 maart 2012 mondeling uitspraak gedaan op het onder 1.14 genoemd verzoek van [eiser]. De bestuursrechter heeft, naar partijen ter zitting in deze civiele kort geding-procedure hebben weergegeven, vastgesteld dat de Staat heeft nagelaten per gevraagd document nader te motiveren wat de overwegingen zijn om inzage hierin of afschrift hiervan te weigeren, zodat het bestreden besluit motiveringsgebreken bevat. Hoewel het bestreden besluit naar het oordeel van de bestuursrechter gebreken kent, acht de bestuursrechter het niet uitgesloten dat de rechtsgevolgen van dit besluit uiteindelijk in stand kunnen blijven. Het verzoek van [eiser] tot het treffen van een voorlopige voorziening is vervolgens afgewezen.

2. Het geschil

2.1. [eiser] vordert - zakelijk weergegeven - gedaagde:

(i) te gebieden om de door [eiser] gevorderde 29 documenten ter inzage/in afschrift te verstrekken binnen tien dagen na dit vonnis, althans nadat een eventueel vereiste zienswijze van derden is verkregen, dan wel een in goede justitie te nemen beslissing;

(ii) te verbieden om binnen zes weken nadat onherroepelijk op het verzoek van [eiser] van 1 maart 2012 tot het treffen van voorlopige voorzieningen en/of het beroep van [eiser] tegen de beslissing op bezwaar van gedaagde van 7 februari 2012 is beslist dan wel op de hierboven weergegeven vordering definitief is beslist, het rapport inzake de melding van de calamiteit op 21 en 22 maart 2009 definitief vast te stellen en te publiceren of anderszins openbaar te maken, althans een zodanige beslissing te nemen als de voorzieningenrechter vermeent te behoren;

alles op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2.2. Daartoe voert [eiser] het volgende aan.

De Staat handelt onrechtmatig jegens [eiser], nu hij de 29 documenten niet aan hem verstrekt. Hij is daartoe gehouden op grond van de artikelen 35 en 43 van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), de artikelen 6 en 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (hierna: EVRM) en artikel 1 van het Europees Sociaal Handvest (ESH), alsmede op grond van meerdere beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder met name het transparantiebeginsel. Daarnaast vordert [eiser] afgifte van de documenten op grond van artikel 843a van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv). Hij stelt een rechtmatig belang te hebben bij afgifte van de documenten. Voorts zien de documenten op een rechtsbetrekking waarin hij partij is, nu de Staat immers onrechtmatig handelt door het rapport definitief te maken zonder dat [eiser] beschikt over de gevorderde documenten.

Het definitief maken van het rapport is onrechtmatig omdat zulks verstrekkende en onomkeerbare gevolgen heeft voor [eiser]. IGZ kan immers op basis van dat rapport handhavingsmaatregelen treffen, zoals het geven van een bevel, het opleggen van een bestuurlijke boete of het indienen van een klacht bij het Tuchtcollege.

2.3. De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid

3.1. [eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter - in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding - tot kennisneming van de vorderingen gegeven. Wat betreft de ontvankelijkheid is het volgende relevant. [eiser] stoelt zijn vordering tot afgifte van de 29 documenten (i) op de Wbp, het EVRM en het ESH, alsmede op de bestuursrechtelijke beginselen van behoorlijk bestuur (hierna: grondslag (i)) en (ii) op artikel 843a Rv (hierna: grondslag (ii)). Voor de beantwoording van de vraag of [eiser] ook ontvankelijk is in zijn vorderingen, is van belang of voor hetgeen hij willen bereiken - afgifte van documenten - geen andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat.

3.2. Wat betreft grondslag (i) geldt het volgende. De afwijzende beslissing op het verzoek tot afgifte van de 29 documenten aan [eiser] op grond van de artikelen 35 en 43 Wbp, heeft ingevolge artikel 45 Wbp te gelden als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, nu de beslissing door een bestuursorgaan is genomen. De Algemene wet bestuursrecht biedt de mogelijkheid om tegen dit besluit bezwaar en vervolgens beroep in te stellen bij respectievelijk het bestuursorgaan en de bestuursrechter van de rechtbank. Deze procedure is te beschouwen als een met voldoende waarborgen omklede (bestuursrechtelijke) rechtsgang. Eiser heeft reeds gebruik gemaakt van deze procedure en twee maal de voorzieningenrechter van de sector bestuursrecht van deze rechtbank gevraagd om voorlopige voorzieningen te treffen. Bij beslissingen van de bestuursrechter van 19 oktober 2011 en 29 maart 2012, hiervoor genoemd onder 1.12 respectievelijk 1.15, zijn de in dit geding naar voren gebrachte bezwaren, voor zover gegrond op grondslag (i) beoordeeld en zijn de voorlopige voorzieningen tot tweemaal toe geweigerd. Voor de voorzieningenrechter is hier, voor zover gestoeld op deze grondslag, dan ook geen taak weggelegd.

3.3. Voor zover [eiser] afgifte van de documenten vordert op grond van grondslag (ii) is hij ontvankelijk in zijn vordering. Hoewel artikel 843a Rv en artikel 35 Wbp elkaar in zekere mate overlappen bestaan beide regelingen volgens vaste jurisprudentie naast elkaar en kunnen zij bij eenzelfde casus ieder voor zich tot een andere uitkomst leiden. Dit leidt tot de conclusie dat hetgeen [eiser] wil bereiken op grond van artikel 843a Rv, op korte termijn niet op dezelfde gronden valt te bereiken in een andere met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. [eiser] is ook ontvankelijk in zijn vordering die strekt tot een (tijdelijk) verbod op het definitief maken van het rapport, nu daarvoor evenmin een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat.

Afgifte op grond van artikel 843a Rv

3.4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat - zoals partijen ook hebben onderkend -artikel 843a Rv ziet op de bijzondere exhibitieplicht in en buiten rechte. In voormeld artikel is in het eerste lid de toewijsbaarheid van de vordering aan drie cumulatieve voorwaarden gebonden. Ten eerste dient [eiser] een rechtmatig belang te hebben. Ten tweede moet de vordering 'bepaalde bescheiden' betreffen. Ten derde dient [eiser] partij te zijn bij de rechtsbetrekking waarop de bescheiden zien. In het vierde lid van dit artikel is vervolgens bepaald dat indien aan de drie voorwaarden van lid 1 is voldaan, de stukken waarvan afgifte wordt gevraagd toch niet behoeven te worden afgegeven indien (i) een gewichtige reden zich daartegen verzet of (ii) redelijkerwijze aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder afgifte van de gevraagde bescheiden is gewaarborgd.

3.5. De rechtsbetrekking die [eiser] in dit verband met de Staat stelt te hebben is er een uit onrechtmatige daad. De onrechtmatige daad is daarin gelegen, zo stelt [eiser], dat de Staat wil overgaan tot het definitief maken van het rapport zonder dat aan hem de door hem gevraagde stukken zijn verstrekt en hij aldus daarop heeft kunnen reageren. Een rechtsbetrekking uit onrechtmatige daad wordt op zichzelf bestreken door het bepaalde in artikel 843a Rv. Zowel uit de tekst van het artikel als uit de toepassing daarvan in de jurisprudentie blijkt evenwel dat er voor een geslaagd beroep op artikel 843a Rv een onderscheid dient te bestaan tussen de rechtsbetrekking enerzijds en de opgevraagde bescheiden anderzijds, waarbij de opgevraagde bescheiden de discussie over de (onderliggende) onrechtmatige daad dienen. In dit geval is dat onderscheid er niet. De rechtsbetrekking uit de gestelde onrechtmatige daad valt immers samen met de bescheiden: uiteindelijk is het de weigering de bescheiden te verstrekken die [eiser] onrechtmatig acht. Voor een dergelijke situatie is artikel 843a Rv niet bedoeld. Bij het slagen van de op artikel 843a Rv gegronde vordering zou de rechtsbetrekking, die volgens de tekst van de wet een voorwaarde is, immers ogenblikkelijk tot een einde komen zonder dat is getoetst of van een onrechtmatig handelen door de verstrekking te weigeren (overigens) sprake is en zonder dat die stukken voor die rechtsbetrekking dan nog enig doel dienen. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat thans niet is voldaan aan de eis dat de bescheiden zien op een rechtsbetrekking waarbij [eiser] partij is.

3.6. Daarnaast overweegt de voorzieningenrechter dat thans in het midden kan blijven of het niet verstrekken van de gevraagde bescheiden aan [eiser] onrechtmatig is. De aard van het kort geding kan immers meebrengen dat, ook bij het wel onrechtmatig achten van de weigering tot het verstrekken van de bescheiden, toewijzing van een te dier zake gevorderd gebod afhankelijk is van een belangenafweging waarbij onder meer enerzijds het voorlopig karakter van het rechterlijk oordeel in kort geding en de ingrijpendheid van de gevolgen van een eventueel gebod voor de Staat in aanmerking dienen te worden genomen en anderzijds de omvang van de schade die voor [eiser] dreigt, indien een gebod zou uitblijven. De omstandigheid dat een zodanige afweging, zo de voorzieningenrechter de gedragingen onrechtmatig oordeelt, in de regel toewijzing van het gevorderde gebod voor de hand doet liggen, in het bijzonder wanneer schade door het niet verstrekken dreigt, neemt niet weg dat de voorzieningenrechter in de gegeven omstandigheden van een gebod kan afzien, bijvoorbeeld in verband met zijn oordeel dat aan de belangen van [eiser] voorlopig voldoende op andere wijze is of kan worden tegemoet gekomen (HR 15 december 1995, NJ 1996, 509).

3.7. Vaststaat dat de bestuursrechter bij uitspraken van 19 oktober 2011 en 29 maart 2012 heeft geoordeeld dat het niet verstrekken van de bescheiden niet, althans nog niet, onrechtmatig is jegens [eiser]. Bij de laatste uitspraak is de Staat in de gelegenheid gesteld om nadere motiveringen te geven per document waarom het betreffende document niet ter inzage wordt gegeven. Aan de belangen van [eiser] kan derhalve nog tegemoet gekomen worden in de bestuursrechtelijke procedure(s). Het gevraagde gebod komt daarom, mede gezien het definitieve karakter van het verstrekken van de bescheiden, niet voor toewijzing in aanmerking.

Publicatieverbod

3.8. Het belang van [eiser] bij zijn vordering onder II is evident, maar daar staat tegenover dat de Staat een belang heeft om het rapport thans op korte termijn definitief te maken. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van de Staat thans zwaarder dan het belang van [eiser]. Na ontvangst van de calamiteitenmelding op 24 maart 2009 heeft IGZ een onderzoek ingesteld naar onder meer het functioneren van [eiser] omdat hij een belangrijk aandeel zou hebben gehad in de calamiteit. Begrijpelijk is dat IGZ thans invulling wil geven aan haar toezichthoudende taak en het rapport na ruim drie jaar definitief wil maken. Partijen hebben nog getwist over de vraag aan wie de lange duur van het onderzoek toegeschreven diende te worden, maar daarvoor is uit de thans beschikbare gegevens geen eenduidig antwoord te geven. Beide partijen hebben om hun moverende redenen met tussenpozen traag gereageerd dan wel om uitstel verzocht. De oorzaak kan dan ook in het midden blijven. Dat het onderzoek nu eindelijk tot een definitief einde moet komen in het algemeen belang van de patiëntenveiligheid en de goede gezondheidszorg, alsmede in het belang van de nabestaanden en het [ziekenhuis], acht de voorzieningenrechter van doorslaggevend belang. Dat [eiser] vervolgens moet vrezen voor handhavingsmaatregelen is niet gebleken, temeer niet nu de Staat ter zitting uitdrukkelijk heeft bestreden dat een daartoe strekkende beslissing al is genomen. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de vordering onder II zal worden afgewezen.

3.9. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart [eiser] niet-ontvankelijk in zijn vordering onder I voor zover die is gegrond op grondslag (i);

- wijst de vorderingen voor het overige af;

- veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.391,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 575,-- aan griffierecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 12 april 2012.

nve