Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW1957

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
12-04-2012
Zaaknummer
09-758999-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel. Niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster heeft verkracht. Wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan ontucht met een veertienjarig meisje, dat vanwege haar leeftijd en omstandigheden - zij was weggelopen uit een justitiële inrichting - in een kwetsbare positie verkeerde, onvoldoende in staat was om aan het handelen van verdachte weerstand te bieden en de gevolgen van haar handelen onvoldoende kon overzien. Verdachte heeft slechts oog gehad voor de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens en heeft niet stil gestaan bij de schade die hij mogelijk bij zijn minderjarige slachtoffer en haar omgeving zou kunnen aanrichten. Gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/758999-11

Datum uitspraak: 27 maart 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting 'Rijnmond - Hoogvliet Stadsgevangenis Rotterdam' te Hoogvliet.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 19 december 2011 en 13 maart 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A. van der Laan en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. F.C. Knoef, advocaat te 's-Gravenhage, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 15 augustus 2010 tot en met 31 augustus 2010 te Rijswijk en/of Den Haag, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, [aangeefster] (geboren [geboortedatum] 1995)

heeft verworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [aangeefster]

en/of

ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van één of meer seksuele handelingen, met of voor een derde tegen betaling, dan wel ten aanzien van die die [aangeefster] enige handeling heeft ondernomen, waarvan hij verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [aangeefster] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die handelingen,

en/of

dat hij en/of zijn mededader(s) in voornoemde periode opzettelijk voordeel heeft/hebben getrokken uit één of meer seksuele handeling(en) van die [aangeefster], met of voor een derde tegen betaling, terwijl die [aangeefster] de leeftijd van zestien, althans achttien jaren nog niet had bereikt

en aldus als volgt met zijn mededader(s) althans alleen heeft gehandeld

- het brengen van die [aangeefster] naar een pand waar prostitutie wordt bedreven ("[pand]") en/of

- het opmaken en/of aankleden van die [aangeefster] (ten behoeve van prostitutie) en/of

- het plaatsen van een advertentie van/voor die [aangeefster] op een internetsite ("[site]") met foto's (naakt en/of bijna naakt) van die [aangeefster] en/of

- het zeggen tegen die [aangeefster]n welke bedragen zij moest vragen aan klanten en/of welke bedragen zij moest afdragen en/of

- het ter beschikking stellen van een kamer/ruimte voor prostitutie en/of

- het incasseren van geld dat die [aangeefster] ontving voor prostitutie en/of

- het houden van die [aangeefster] in een door verdachte en/of zijn mededader(s) gecontroleerde situatie, strekkende tot het brengen en/of houden van die [aangeefster] in een dwang- en/of uitbuitingssituatie, in elk geval in een van verdachte en/of zijn mededader(s) afhankelijke positie;

art 273f lid 1 ahf/sub 2° Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 15 tot en met 31 augustus 2010 te Rijswijk en/of Den Haag, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) [aangeefster] heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) zijn penis in de anus en/of vagina en/of mond van die [aangeefster] gebracht en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) onverhoeds - terwijl die [aangeefster] lag te slapen - bovenop haar is gaan liggen en/of haar broek heeft uitgetrokken en/of haar heeft geslagen en/of heeft gezegd dat zij niets te willen had en/of (aldus) voor die [aangeefster] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan

en/of

hij in of omstreeks de periode van 15 augustus 2010 tot en met 31 augustus 2010 te Rijswijk en/of Den Haag,meermalen althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met [aangeefster] (geboren [geboortedatum] 1995), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], hebbende verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) zijn/hun penis in de anus en/of vagina en/of mond van die [aangeefster] gebracht;

art 242 Wetboek van Strafrecht

art 248 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Inleiding

Op 2 november 2010 is een melding van een groepsbegeleider van de particuliere justitiële inrichting [inrichting] binnengekomen bij de Politie Haaglanden, unit Zeden, inhoudende dat aangeefster [aangeefster], geboren op [geboortedatum] 1995, seksueel misbruikt zou zijn door twee mannen. Deze mannen zouden haar ook tot prostitutie hebben gedwongen.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of vastgesteld kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel (feit 1) en/of verkrachting (feit 2, eerste cumulatief/alternatief) en/of ontucht met een minderjarige (feit 2, tweede cumulatief/alternatief).

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de verkrachting (feit 2, eerste cumulatief/alternatief) gerekwireerd tot vrijspraak. Zij acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel in vereniging ten aanzien van een persoon jonger dan 16 jaar (feit 1) en aan het seksueel binnendringen van iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt (feit 2, tweede cumulatief/alternatief). De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de aangeefster [aangeefster] betrouwbaar zijn en voldoende ondersteund worden door andere bewijsmiddelen.

3.3 Het standpunt van de verdediging

Verdachte en zijn raadsman stellen zich op het standpunt dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle hem ten laste gelegde feiten. De verklaring van aangeefster is onbetrouwbaar en er is bovendien onvoldoende steunbewijs voor haar verklaring voorhanden.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging1

Feit 1: mensenhandel in vereniging ten aanzien van een persoon jonger dan 16 jaar

Vast staat dat aangeefster in de periode van 15 augustus 2010 tot en met 31 augustus 2010 in Nederland als prostituee werkzaamheden heeft verricht, terwijl zij minderjarig was.

Aangeefster heeft echter verklaard dat zij niet vrijwillig werkzaam was in de prostitutie, maar dat zij door verdachte is gedwongen om tegen betaling seks te hebben met derden en dat zij een deel van haar verdiensten aan verdachte en medeverdachte [B] moest afstaan. Zij heeft verklaard dat zij door deze verdachten in contact is gebracht met een meisje, medeverdachte [C], die haar heeft opgemaakt, kleren en schoenen heeft gegeven en naar een privéhuis in Rijswijk heeft gebracht. Medeverdachte [D] heeft, als eigenaar van dit privéhuis, een kamer voor prostitutie ter beschikking gesteld. Voor de huur daarvan moest aangeefster elke keer € 30,00 betalen aan medeverdachte [D].

Tegenover de verklaring van aangeefster staat de stellige ontkenning van verdachte dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel door aangeefster te dwingen tot prostitutie. Verdachte [verdachte] heeft verklaard in de tenlastegelegde periode contact te hebben gehad met aangeefster en ook dat hij aangeefster op haar verzoek heeft opgehaald bij een station, waarna zij kort in zijn woning verbleven heeft. Overigens heeft verdachte - naar zijn zeggen - nadien geen bemoeienis met aangeefster gehad,

De rechtbank overweegt dat de verklaring van aangeefster voor een groot deel bevestiging vindt in de verklaringen van verdachte en medeverdachte [B], onder meer over het verblijf van aangeefster bij verdachte en medeverdachte [B]. Ook vindt haar verklaring steun in de verklaring van medeverdachte [D]. Hij bevestigt haar verklaring in zoverre hij heeft verklaard dat aangeefster bij zijn privéhuis kwam met een vrouw, die hij '[bijnaam]' noemt, en van wie uit het dossier is gebleken dat [D] medeverdachte [C] heeft bedoeld. [D] heeft verklaard dat medeverdachte [C] ervoor zou hebben gezorgd dat aangeefster toegang kreeg tot het privéhuis. Voorts hebben de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] (beiden werkzaam bij [D]) verklaard dat zij het idee hadden dat aangeefster niet uit vrije wil werkzaam was als prostituee in het privéhuis. Ook door deze verklaringen wordt de verklaring van aangeefster ondersteund.

De rechtbank constateert dat in het dossier aanwijzingen kunnen worden gevonden dat verdachte in zijn omgang met aangeefster de grenzen van het maatschappelijk betamelijke - in het bijzonder wat betreft het aangaan van seksuele betrekkingen - overschreden heeft. Dit neemt niet weg dat de rechtbank op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting tot het oordeel komt dat voor de gedragingen zoals die in de tenlastelegging zijn gespecificeerd slechts beperkt steunbewijs kan worden gevonden, zoals hiervoor is overwogen. In het dossier bevinden zich geen verklaringen waaruit blijkt dat verdachte aangeefster heeft gehaald en gebracht naar het privéhuis en ook is onvoldoende vast komen te staan dat sprake was van dwang. Bovengenoemde verklaringen en omstandigheden leveren onvoldoende ondersteunend bewijs op voor de in de tenlastelegging omschreven feitelijke gedragingen. De verklaringen van de overige getuigen betreffen voor het overgrote deel verklaringen van horen zeggen, inhoudende wat zij van aangeefster hebben vernomen. De verklaring van aangeefster wordt niet bevestigd door een verklaring uit een onafhankelijke bron.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte betrokken is bij de gedragingen genoemd in het onder 1 ten laste gelegde. De rechtbank zal de verdachte hiervan dan ook vrijspreken. Gelet hierop zal de rechtbank de overige verweren van de raadsman onbesproken laten.

Feit 2: verkrachting / het seksueel binnendringen van iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte [aangeefster] heeft verkracht, zodat verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken (feit 2, eerste cumulatief/alternatief).

De rechtbank acht daarentegen wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het hem onder feit 2, tweede cumulatief/alternatief heeft begaan en overweegt daartoe als volgt. Aangeefster2, geboren op [geboortedatum] 1995 3, en verdachte4 hebben beide verklaard dat zij in de periode van 15 augustus 2010 tot en met 31 augustus 20105 te 's-Gravenhage, in de woning van verdachte6, eenmaal seks met elkaar hebben gehad, waarbij verdachte zijn penis in de vagina van aangeefster heeft gebracht7. Verdachte en aangeefster hadden geen relatie met elkaar8.

De verdediging heeft aangevoerd dat er omstandigheden zijn die het ontuchtige karakter aan het handelen van verdachte ontnemen. De verdediging wijst hierbij op de verklaring van aangeefster en de verklaring van getuige [getuige 2] waaruit kan worden opgemaakt dat aangeefster affectieve gevoelens koesterde voor verdachte. Om deze reden zou sprake zijn geweest van vrijwillig seksueel contact. Dit gegeven in combinatie met het geringe leeftijdsverschil tussen verdachte en aangeefster zou volgens de verdediging moeten leiden tot vrijspraak (Hoge Raad 24 juni 1997, NJ 1997, 676).

De rechtbank is evenwel, anders dan de verdediging, van oordeel dat - ook als voornoemde vrijwilligheid zou worden aangenomen - verdachtes handelen maatschappelijk onaanvaardbaar - en derhalve ontuchtig - moet worden geoordeeld. Het leeftijdsverschil tussen de verdachte en de aangeefster bedraagt ruim 6 jaar, welk leeftijdsverschil nog aan belang wint door de jonge leeftijd van aangeefster. Daarnaast bestond er tussen verdachte en aangeefster geen gelijkwaardige relatie, aangezien aangeefster in de tenlastegelegde periode geen verblijfplaats noch middelen van bestaan had, en daarvoor van derden afhankelijk was. Op grond van een en ander moet worden geoordeeld dat aangeefster niet in staat is geweest vrijelijk te beslissen omtrent het aangaan van seksueel contact met verdachte.

De verdediging heeft verder aangevoerd dat verdachte vanwege gerechtvaardigde dwaling omtrent de leeftijd van aangeefster dient te worden vrijgesproken. De rechtbank volgt de verdediging daarin niet, gelet op de bescherming die de strafbaarstelling van ontucht aan minderjarigen beoogt te bieden, mede bezien in het licht van het feit dat minderjarigen in het algemeen geacht moeten worden onvoldoende in staat te zijn zelf hun integriteit te bewaken en de draagwijdte van hun gedrag in dit opzicht te overzien. Om die reden is, volgens vaste rechtspraak, de leeftijd van het slachtoffer geobjectiveerd, wat wil zeggen dat niet bewezen behoeft te worden dat de verdachte ten aanzien daarvan opzet of schuld had. Subjectivering van het leeftijdsverschil, waartoe het betoog van de verdediging strekt, zou met zich brengen dat personen die zich - al dan niet bewust - jonger voordoen dan hun werkelijke leeftijd de bescherming die uitgaat van strafbaarstelling zouden moeten ontberen, hetgeen niet de bedoeling kan zijn.

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen en gelet op de omstandigheden van dit geval is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het seksueel binnendringen van iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

Feit 2, tweede cumulatief/alternatief:

hij in de periode van 15 augustus 2010 tot en met 31 augustus 2010 te Den Haag, eenmaal, met [aangeefster] (geboren [geboortedatum] 1995), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die (mede) bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [aangeefster], hebbende verdachte zijn penis in vagina van die [aangeefster] gebracht.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte ten aanzien van feit 2, eerste cumulatief/alternatief vrij te spreken en dat verdachte ten aanzien van feit 1 en feit 2, tweede cumulatief/alternatief wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zesendertig maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarde verplicht reclasseringstoezicht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt rekening te houden met het - zoals verdachte stelt - vrijwillige seksuele contact tussen aangeefster en verdachte en met de dwaling van verdachte omtrent de leeftijd van aangeefster. De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de hoogte van een passende straf, maar zij heeft wel opgemerkt dat, indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verdachte in het kader van een bijzondere voorwaarde graag wordt begeleid en dat hij, indien nodig, kan worden begeleid door de reclassering.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ontucht met een veertienjarig meisje. Door aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van dit meisje, die vanwege haar leeftijd en omstandigheden - zij was weggelopen uit een justitiële inrichting - in een kwetsbare positie verkeerde, onvoldoende in staat was om aan het handelen van verdachte weerstand te bieden en de gevolgen van haar handelen onvoldoende kon overzien. Deze gedragingen kunnen, naar de ervaring leert, voor de slachtoffers psychische gevolgen hebben. Verdachte heeft slechts oog gehad voor de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens en heeft niet stil gestaan bij de schade die hij mogelijk bij zijn minderjarige slachtoffer en haar omgeving zou kunnen aanrichten. Wat de (psychische) gevolgen voor haar zijn geweest heeft het slachtoffer in haar slachtofferverklaring beschreven.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Uittreksel Justitiële Documentatie betreffende verdachte d.d. 15 september 2011. Daaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke strafbare feiten.

Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsadvies van de Reclassering Nederland te Rotterdam d.d. 16 januari 2012, opgesteld door [reclasseringswerker], reclasseringswerker, en [leidinggevende], leidinggevende. Geadviseerd wordt om aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, gezien het feit dat er geen goede hulpverlening opgesteld kan worden op basis van de beschikbare informatie en gezien het feit dat verdachte niet gemotiveerd lijkt voor een reclasseringstoezicht.

De rechtbank is - alles overwegende - van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Gelet op het reclasseringsadvies ziet de rechtbank geen aanleiding om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen en daaraan een bijzondere voorwaarde te koppelen.

7. De vordering van de benadeelde partij

[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 15.352,32.

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gedeeltelijke hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] tot een bedrag van € 5.302,32, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 15 augustus 2010, en tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.302,32, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente vanaf 15 augustus 2010, subsidiair 61 dagen hechtenis, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangeefster].

7.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] ten aanzien van de materiële posten 'afgestane inkomsten' en 'reiskosten' moet worden afgewezen en dat de vordering ten aanzien van de materiële post 'ontvreemd bedrag' niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Ten aanzien van de immateriële post verzoekt de verdediging de schadevergoeding fors te matigen.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte van een deel van de ten laste gelegde feiten waarop de vordering betrekking heeft, is vrijgesproken.

De rechtbank zal voor het overige deel van de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post 'reiskosten' en 'immateriële schade', dit deel niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de rechtbank de kosten die in verband met deze vordering zijn gemaakt zal compenseren door te bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder hun eigen kosten dragen.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op het artikel:

245 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding onder 1 en 2, eerste cumulatief/alternatief tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het bij dagvaarding onder 2, tweede cumulatief/alternatief tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 2, tweede cumulatief/alternatief: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat de vordering niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder hun eigen kosten dragen;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P. Poustochkine, voorzitter,

mrs. M.M. Meijers en M.M. Dolman, rechters,

in tegenwoordigheid van L. van Staden, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 maart 2012.

Mr. M.M. Dolman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer PL15J2 2011195043, van de regiopolitie Haaglanden, met bijlagen (p. 1 tot en met p. 253).

2 Proces-verbaal aangifte [aangeefster], d.d. 30 november 2010, pagina 76.

3 Idem, p.70.

4 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 13 maart 2012 en proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], d.d. 13 september 2011, p. 137.

5 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], d.d. 13 september 2011, p. 138.

6 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte], d.d. 13 september 2011, p. 138 en proces-verbaal aangifte [aangeefster], d.d. 30 november 2010, pagina 76.

7 Idem.

8 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 13 maart 2012.