Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW1776

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-04-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
AWB 12/9314
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Blijkens de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, bestaat er geen zicht op uitzetting naar Irak. De nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch volgt dit niet.

Het gegeven dat thans de gedwongen uitzetting van vreemdelingen naar Irak (vooralsnog) niet mogelijk blijkt te zijn, laat onverlet dat vreemdelingen op vrijwillige basis onverkort kunnen terugkeren naar Irak. Niet uitgesloten kan worden dat de Iraakse autoriteiten tot afgifte van een laissez passer ten behoeve van eiser zullen overgaan op basis van de identiteitskaart en nationaliteitsverklaring die verweerder aan deze autoriteiten heeft doen toekomen. Inmiddels is door de Iraakse autoriteiten naar aanleiding van een presentatie op 21 februari 2012 de Iraakse nationaliteit van eiser ook vastgesteld. Hieruit blijkt van voldoende aanwijzingen dat de Iraakse autoriteiten nog steeds medewerking verlenen aan de uitzetting van eiser. Deze aanwijzingen reiken verder dan een enkel vermoeden van de rechtbank, zoals door eiser gesteld. Van belang is evenwel dat eiser zich bereid verklaard met die uitzetting in te stemmen. In het kader van zijn verplichting tot het verlenen van meewerken aan zijn uitzetting mag van eiser worden verwacht dat hij die instemming verleent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12/9314

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 april 2012

inzake

[eiser],

geboren op [datum] 1982,

van Iraakse nationaliteit,

verblijvende te Rotterdam in het detentiecentrum,

eiser,

gemachtigde mr. S.D. Lugt,

tegen

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

te Den Haag,

verweerder.

<b>Procesverloop</b>

Op 7 december 2011 is eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) in bewaring gesteld.

Bij uitspraken van de rechtbank, zittinghoudende te ’s-Hertogenbosch, van 27 december 2011 en 20 februari 2012 zijn eerdere beroepen strekkende tot opheffing van de vreemdelingenbewaring ongegrond verklaard.

Eiser heeft op 19 maart 2012 beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Voorts heeft hij om schadevergoeding verzocht.

Naar aanleiding van het beroep heeft verweerder op 20 maart 2012 een voortgangsrapportage ingezonden. Eiser heeft hierop gereageerd bij fax van 22 maart 2012.

De rechtbank heeft vervolgens het vooronderzoek gesloten. In hetgeen in het beroepschrift is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om eiser dan wel zijn raadsman ter zitting te horen. Een onderzoek ter zitting kan derhalve achterwege blijven. De rechtbank heeft heden het onderzoek gesloten.

<b>Overwegingen</b>

1. Eiser voert - kort samengevat - aan dat het zicht op uitzetting naar Irak ontbreekt. Hij wijst in dit verband naar de uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Roermond, van 25 november 2011, LJN: BU6385, en van 22 december 2011, LJN: BU9503, en van nevenzittingsplaats Zutphen van 14 maart 2012, LJN: BV9394. Voorts wijst eiser op de brief van verweerder van 23 februari 2012 aan de voorzitter van de Tweede Kamer, waaruit blijkt dat gedwongen uitzetting van vreemdelingen naar Irak niet mogelijk is. Eiser stelt dat sinds 14 november 2011 geen gedwongen uitzettingen meer plaatsvinden en dat verweerder geen aanknopingspunten heeft aangedragen ter rechtvaardiging van de verwachting dat op korte termijn de uitzetting van Irakezen kan worden hervat.

2. De rechtbank overweegt als volgt.

3. Het gegeven dat thans de gedwongen uitzetting van vreemdelingen naar Irak (vooralsnog) niet mogelijk blijkt te zijn, laat onverlet dat vreemdelingen op vrijwillige basis onverkort kunnen terugkeren naar Irak. Zoals in de uitspraak van 20 februari 2012, AWB 12/2990, is overwogen, kan niet uitgesloten worden dat de Iraakse autoriteiten tot afgifte van een laissez passer ten behoeve van eiser zullen overgaan op basis van de identiteitskaart en nationaliteitsverklaring die verweerder aan deze autoriteiten heeft doen toekomen. Inmiddels is door de Iraakse autoriteiten naar aanleiding van een presentatie op 21 februari 2012 de Iraakse nationaliteit van eiser ook vastgesteld. Hieruit blijkt van voldoende aanwijzingen dat de Iraakse autoriteiten nog steeds medewerking verlenen aan de uitzetting van eiser. Deze aanwijzingen reiken verder dan een enkel vermoeden van de rechtbank, zoals door eiser gesteld. Van belang is evenwel dat eiser zich bereid verklaard met die uitzetting in te stemmen. In het kader van zijn verplichting tot het verlenen van meewerken aan zijn uitzetting mag van eiser worden verwacht dat hij die instemming verleent.

4. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank, anders dan de nevenzittingsplaats Zutphen heeft geoordeeld bij uitspraak van 14 maart 2012, van oordeel dat er nog steeds zicht op uitzetting naar Irak is. Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat het voortduren van de bewaring niet in strijd is met de Vw 2000. Het beroep zal mitsdien ongegrond worden verklaard.

5. Het verzoek om schadevergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, nu zich geen omstandigheden voordoen als omschreven in artikel 106 van de Vw 2000. De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

<b>Beslissing</b>

De rechtbank:

- verklaart het beroep gericht tegen de bewaring ongegrond;

- wijst het verzoek om verweerder te veroordelen tot schadevergoeding af.

Aldus gedaan door mr. R.J.A. Schaaf als rechter in tegenwoordigheid van P. Bijen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2012.

<HR>

<i>Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.</i>

Afschrift verzonden: