Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW1733

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-03-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
11/31664
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft in redelijkheid de tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 in het onderhavige geval niet slechts kunnen baseren op de weinige informatie van de reis gegeven in het gehoor. Dit artikelonderdeel is, gezien de tekst, toepasbaar als een vreemdeling toerekenbaar geen reispapieren overlegt en niet als het ontbreken van reispapieren niet toerekenbaar is, maar het reisverhaal van de vreemdeling volgens verweerder onvoldoende gedetailleerd en verifieerbaar is. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van 25 april 2008 (LJN BD1536) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) en in de verwerping van grief 1 en 2 van verweerder tegen de uitspraak van 9 november 2010 van deze rechtbank en nevenzittingsplaats (LJN BO4150) in de uitspraak van 11 mei 2011 van de Afdeling (zaak 201011782/1/V1; LJN BQ4610). Verweerder heeft in redelijkheid niet kunnen concluderen dat eiser onvoldoende omtrent zijn reis heeft verklaard dan wel overgelegd en heeft derhalve niet het relaas van eiser dienen te beoordelen aan de hand van het criterium van de positieve overtuigingskracht. Uit het oogpunt van finale geschilbeslechting zal de rechtbank verweerder in de gelegenheid stellen binnen het kader van de onderhavige beroepsprocedure de geloofwaardigheid van asielrelaas van eiser te beoordelen indien het relaas beoordeeld wordt zonder het criterium van de positieve overtuigingskracht toe te passen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 11/31664, V-nummer: [nummer],

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geding tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: mr. R. Hijma, advocaat te Utrecht,

en

de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: B.J. Pattiata, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 5 september 2011 afwijzend beslist op de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 30 september 2011 beroep ingesteld.

De zaak is op 28 februari 2012 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Het wettelijk kader

Ingevolge artikel 28, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna Vw 2000) is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen

Ingevolge artikel 29 Vw 2000 kan, voor zover van belang, een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan:

1°. doodstraf of executie;

2°. folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3°. ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst;

d. voor wie terugkeer naar het land van herkomst naar het oordeel van Onze Minister van bijzondere hardheid zou zijn in verband met de algehele situatie aldaar.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag valse of vervalste reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden heeft overgelegd en, hoewel daaromtrent ondervraagd, opzettelijk de echtheid daarvan heeft volgehouden.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij hij aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

2.2. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit en daarin ingelaste voornemen van 28 juni 2010 heeft verweerder, samengevat, de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel van eiser onder tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 afgewezen. Eiser heeft niet met voldoende documenten zijn reisroute aangetoond en hier niet coherent, verifieerbaar en gedetailleerd over verklaard. Het asielrelaas mist positieve overtuigingskracht door tegenstrijdigheden in de verklaringen. Van de in kopie overgelegde verklaringen van de KMMK kan de authenticiteit niet vastgesteld worden en de inhoud strookt niet met de verklaringen van eiser. Van de verklaring van de Representation of Komala Abroad uit Zweden van 7 mei 2011 wordt niet over referentiemateriaal beschikt. In de verklaring staat dat eiser een 'active supporter and sympathiser' is, dus geen lid, en eiser zou in september 2010 Iran hebben verlaten, terwijl eiser stelt Iran op 30 augustus 2010 te hebben verlaten. De overgelegde foto's van de mishandelingen van de broer en de foto van de vader ondersteunen het individuele asielrelaas van eiser niet. Eiser heeft wisselend over de vertrekdatum verklaard en daarmee ook over datum van de inval, nu dat een dag voor vertrek was. Eiser heeft onvoldoende kennis van de organisatie Komola. Eiser heeft tegenstrijdig verklaard over de inval in het huis van [naamZ] en het is vreemd dat hij geen contact heeft opgenomen met hem. Voorts heeft eiser tegenstrijdig verklaard over de functie en taken van [naamY], over het contact met hem en wanneer dit contact voor het laatst was. Eiser legt summiere en vage verklaringen af over de inval van de inlichtingendienst en familieleden of vrienden hebben geen problemen ondervonden. Eiser heeft wisselend verklaard over zijn studieduur. Het asielrelaas van eiser is daarom niet geloofwaardig. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt te vrezen voor vervolging. In de verslagperiode voorafgaande aan het ambtsbericht van augustus 2011 hebben terugkerende uitgeprocedeerde asielzoekers geen problemen ondervonden, op enkele prominente personen na. Dat illegaal uitgereisde personen bij terugkeer een boete of straf kunnen krijgen, betekent niet dat dit een behandeling is in strijd met artikel 3 van het EVRM.

2.3. De gronden van het beroep

Eiser kan zich in de bestreden beschikking niet vinden en voert, samengevat, het volgende aan. Verweerder werpt niet het ontbreken van documenten tegen aangaande de identiteit en nationaliteit van eiser maar alleen aangaande de reis. De aanzegging Griekenland te verlaten is niet een relevant voor het vaststellen van de reis, nu vaststaat dat eiser in Griekenland is geweest. Verweerder kan de in de zienswijze gegeven verklaringen over de reisroute niet ongemotiveerd passeren. In redelijkheid kan niet artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 tegengeworpen worden. Verweerder toetst ten onrechte aan de positieve overtuigingskracht. In de verklaring van de KMMK worden de politieke betrokkenheid en activiteiten van eiser bevestigd. De verklaring strookt met wat eiser heeft verklaard op pagina 4 van het nader gehoor en pagina 1 van de correcties en aanvullingen van 17 juni 2011. Dat Bureau Documenten geen referentiemateriaal heeft voor de verklaring van de Komola komt niet voor rekening en risico van eiser. Alleen dat de broer pershmerga zou zijn, is afwijkend. De foto's laten de problemen van de familie zien en hebben als toegevoegde waarde dat gestelde mishandelingen aannemelijk zijn. Eiser betwist wisselend verklaard te hebben over de datum van de inval. De datum in de zienswijze berust op een verschrijving en de aanvankelijk gegeven schattingen kunnen niet tegengeworpen worden, waarbij de eerste schatting evident onjuist is. Verweerder had eiser hiermee in het nader gehoor dienen te confronteren. Eiser heeft voldoende verklaringen en informatie verstrekt en een verklaring van de organisatie overgelegd, op grond waarvan verweerder niet kan twijfelen aan de betrokkenheid van eiser bij Komola. Verweerder kan in redelijkheid geen betekenis toekennen aan het proces-verbaal nu hierbij niet een beëdigde tolk aanwezig was en de ambtenaar niet opgeleid is tot het horen in asielzaken. Verweerder kan niet de in de zienswijze gegeven toelichting afdoen dat eiser dit eerder had dienen te vertellen, nu de zienswijze mede is om nadere informatie te verschaffen. Eiser stelt niet tegenstrijdig verklaard te hebben over [naamZ] of over de functie van [naamY]. Verweerder hecht ten onrechte geen belang aan de inval in de woning van eiser. In andere bronnen wordt melding gemaakt van problemen van terugkerende asielzoekers, waaronder arrestaties, mishandelingen en zelfs een verdwijning. Personen die in het buitenland asiel hebben gevraagd staan in de negatieve belangstelling en worden beschuldigd van het steunen van de oppositie. Eiser dient in het bezit gesteld te worden van een verblijfsvergunning asiel. Ten onrechte stelt verweerder dat eiser geen reëel risico loopt op een schending van artikel 3 van het EVRM. Eiser heeft nog foto's van de Komola dag, activiteiten, steunbetuiging van leden en een print van facebook activiteiten overgelegd.

2.4. Het oordeel van de rechtbank

2.4.1. Het bestreden besluit strekt tot weigering van een verblijfsvergunning asiel nu naar het oordeel van verweerder, onder tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, van het relaas van eiser geen positieve overtuigingskracht uitgaat.

2.4.2. Eiser heeft naar het oordeel van verweerder zijn nationaliteit en identiteit afdoende aangetoond en dit is derhalve niet in geschil. Verweerder heeft de tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 gebaseerd op het verstrekken van onvoldoende informatie over de reis van Iran naar Griekenland, als ook het niet in het bezit hebben van de aanzegging Griekenland te verlaten. De reis vanaf Griekenland naar Nederland is voldoende traceerbaar, aldus verweerder, nu eiser het vluchtnummer, de vluchtdatum en de naam van de luchtvaartmaatschappij voldoende concreet en verifieerbaar heeft verteld.

2.4.3. De rechtbank overweegt dat verweerder in redelijkheid niet het ontbreken van de aanzegging Griekenland te verlaten kan tegenwerpen, nu vaststaat wanneer eiser Griekenland is ingereisd en weer heeft verlaten. Verweerder heeft niet kunnen toelichten wat de toegevoegde waarde is van dit document voor de beoordeling van de asielaanvraag van eiser.

2.4.4. Verweerder heeft in redelijkheid de tegenwerping van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 in het onderhavige geval niet slechts kunnen baseren op de weinige informatie van de reis gegeven in het gehoor. De in de correcties en aanvullingen en in de zienswijze gegeven aanvulling dient verweerder mee te nemen in de beoordeling of voldoende verklaard is omtrent de reis. Dit artikelonderdeel is, gezien de tekst, toepasbaar als een vreemdeling toerekenbaar geen reispapieren overlegt en niet als het ontbreken van reispapieren niet toerekenbaar is, maar het reisverhaal van de vreemdeling volgens verweerder onvoldoende gedetailleerd en verifieerbaar is. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van 25 april 2008 (LJN BD1536) van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) en in de verwerping van grief 1 en 2 van verweerder tegen de uitspraak van 9 november 2010 van deze rechtbank en nevenzittingsplaats (LJN BO4150) in de uitspraak van 11 mei 2011 van de Afdeling (zaak 201011782/1/V1; LJN BQ4610).

2.4.5. Verweerder heeft derhalve in redelijkheid niet kunnen concluderen dat eiser onvoldoende omtrent zijn reis heeft verklaard dan wel overgelegd en heeft derhalve niet het relaas van eiser dienen te beoordelen aan de hand van het criterium van de positieve overtuigingskracht.

2.4.6. Uit een oogpunt van finale geschillenbeslechting zal de rechtbank verweerder in de gelegenheid stellen binnen het kader van de onderhavige beroepsprocedure de geloofwaardigheid van asielrelaas van eiser te beoordelen indien het relaas beoordeeld wordt zonder het criterium van de positieve overtuigingskracht toe te passen. Verweerder wordt verzocht aan de rechtbank kenbaar te maken wat de uiteindelijke conclusie zou zijn, indien uitgegaan zou worden dat van geen van de tegenwerpingen van artikel 31, tweede lid, van de Vw 2000 sprake is.

Met verwijzing naar artikel 8:51a van de Awb verzoekt de rechtbank verweerder binnen vier weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak schriftelijk kenbaar te maken of hij gebruik maakt van de gelegenheid om binnen het kader van de onderhavige beroepsprocedure een nieuw besluit te nemen en, zo ja, dit besluit binnen dezelfde termijn aan de rechtbank en de gemachtigde van eiser toe te zenden. Na ontvangst van de reactie van verweerder zal de rechtbank bepalen hoe het beroep verder wordt behandeld en partijen daarover informeren.

2.4.7. Gelet hierop beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

- heropent het onderzoek;

- verzoekt verweerder binnen vier weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak schriftelijk kenbaar te maken of hij gebruik maakt van de gelegenheid om een nieuw besluit te nemen, zo ja, dit besluit binnen dezelfde termijn aan de rechtbank en de gemachtigde van eiser toe te zenden.

Aldus gegeven door mr. A.P. Hameete, rechter, en door deze en mr. S. Wierink, griffier, ondertekend.