Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW1654

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
12/9116 & 12/9119
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

De Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (verweerder) wijst de herhaalde asielaanvraag van de vreemdeling (verzoeker) af en legt hem een inreisverbod op. Tegen het inreisverbod staat naar het oordeel van de voorzieningenrechter beroep en geen bezwaar open. Verweerder is niet verplicht het inreisverbod neer te leggen in een afzonderlijk besluit. Als hij daartoe wel verplicht zou zijn, is sprake van een schending van een vormvoorschrift waardoor verzoeker niet in zijn belangen is geschaad.) Verweerder mocht aan verzoeker een inreisverbod voor de duur van twee jaar opleggen, nu verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat het opleggen van een inreisverbod van deze duur in zijn geval evenredig is. De verwijzing van verzoeker naar jurisprudentie waaruit hij afleidt dat illegaal verblijf niet mag worden bestraft met gevangenisstraf doet niet af aan de rechtmatigheid van het inreisverbod. In de onderhavige procedure is niet aan de orde of het verblijf van verzoeker in Nederland strafbaar is en, zo ja, of dit verblijf met gevangenisstraf mag worden bestraft. In een eventuele strafrechtelijke procedure kan verzoeker naar voren brengen dat hem geen gevangenisstraf mag worden opgelegd. Het inreisverbod heeft niet automatisch tot gevolg dat verzoeker zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf. De voorzieningenrechter verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummers: AWB 12/9116 (beroep) en AWB 12/9119 (voorlopige voorziening),

V-nummer: [nummer],

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 28 maart 2012 van de voorzieningenrechter

in het geding tussen

[naam], verzoeker,

gemachtigde: mr. drs. J.M. Walls, advocaat te Dordrecht,

en

de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. R.C. van Keeken, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Zitting hebben:

mr. B. van Velzen, voorzieningenrechter, en

mr. N. Jansen, griffier.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 16 maart 2012 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van verzoeker tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en aan verzoeker een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij faxbericht van 16 maart 2012 beroep ingesteld.

Bij schrijven van 16 maart 2012 heeft verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

Het verzoek om voorlopige voorziening is op 28 maart 2012 ter zitting behandeld. Verzoeker is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Voorts is ter zitting verschenen O. Ilmi, tolk.

Na de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening heeft de voorzieningenrechter het onderzoek - na schorsing van het onderzoek ter zitting voor beraad - gesloten en mondeling uitspraak gedaan.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

2.2. De eerste asielaanvraag van verzoeker is afgewezen op 10 juni 2009. In het besluit van 10 juni 2009 is aan verzoeker tegengeworpen dat hij geen reispapieren heeft overgelegd en dat hij wisselend heeft verklaard over zijn naam en geboortedatum. Hieraan is in het besluit van 10 juni 2009 de conclusie verbonden dat het asielrelaas van verzoeker ongeloofwaardig is en dat hij zijn herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. In het besluit van 10 juni 2009 is overwogen dat de uitslag van de taalanalyse niet tot een andere conclusie leidt. Het besluit van 10 juni 2009 is in beroep en in hoger beroep in stand gebleven. Het is duidelijk dat verzoeker het daar niet mee eens is, maar de vorige asielprocedure wordt niet overgedaan. Alleen als er na de afwijzing van de vorige asielaanvraag van verzoeker iets veranderd is, kan de rechter opnieuw naar de zaak kijken.

Verzoeker heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die kunnen afdoen aan de afwijzing van zijn eerste asielaanvraag. Verzoeker heeft zijn herkomst nog steeds niet aannemelijk gemaakt. De wijziging van het beleid bij het beoordelen van asielverzoeken van Somaliërs kan hem dan ook niet baten. Er is geen sprake van een voor verzoeker relevante wijziging van het recht. Er zijn ook geen bijzondere omstandigheden die maken dat de voorzieningenrechter de afwijzing van de tweede asielaanvraag van verzoeker ondanks het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden kan toetsen. De afwijzing van de tweede asielaanvraag van verzoeker blijft dan ook in stand.

2.3. De voorzieningenrechter volgt verzoeker niet in zijn standpunt dat tegen het inreisverbod bezwaar en geen beroep openstaat. Door het indienen van zijn tweede asielaanvraag heeft verzoeker opnieuw rechtmatig verblijf in Nederland gekregen. In het bestreden besluit heeft verweerder terecht opgemerkt dat de afwijzing van deze aanvraag tot gevolg heeft dat verzoeker niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en dat hij Nederland moet verlaten. Dit betekent dat het bestreden besluit tevens geldt als terugkeerbesluit. Dit terugkeerbesluit is niet onverplicht en ten overvloede genomen, want direct voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit verbleef verzoeker nog rechtmatig in Nederland en hoefde hij Nederland niet te verlaten. Tegen een terugkeerbesluit staat beroep en geen bezwaar open. In een situatie als hier aan de orde is het inreisverbod een onderdeel van het terugkeerbesluit. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat in het geval van verzoeker tegen het inreisverbod beroep en geen bezwaar openstaat.

Uit het voorafgaande volgt tevens dat de voorzieningenrechter geen grond ziet voor het oordeel dat verweerder het inreisverbod in een apart besluit had moeten opnemen. Als hierover anders moet worden geoordeeld, is sprake van een schending van een vormvoorschrift die met toepassing van artikel 6:22 van de Awb kan worden gepasseerd. De voorzieningenrechter ziet niet in hoe verzoeker in zijn belangen is geschaad doordat het inreisverbod is opgenomen in hetzelfde besluit als de afwijzing van de tweede asielaanvraag in plaats van in een apart besluit.

Verweerder is bevoegd in een situatie als hier aan de orde een inreisverbod voor de duur van twee jaar op te leggen. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat het opleggen van een inreisverbod van deze duur in zijn geval onevenredig is.

De verwijzing naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie waaruit verzoeker afleidt dat de lidstaten illegaal verblijf niet mogen bestraffen met gevangenisstraf kan hem niet baten. In deze procedure is niet aan de orde of het verblijf van verzoeker in Nederland strafbaar is en, zo ja, of dit verblijf met gevangenisstraf mag worden bestraft. Als verzoeker strafrechtelijk wordt vervolgd wegens overtreding van het inreisverbod, kan hij in die strafzaak aanvoeren dat hem geen gevangenisstraf mag worden opgelegd. Het opleggen van een inreisverbod heeft niet automatisch tot gevolg dat verzoeker zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf. De door verzoeker genoemde rechtspraak heeft dan ook niet tot gevolg dat verweerder verzoeker geen inreisverbod mag opleggen.

2.4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan verder onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak, zodat hij onmiddellijk uitspraak zal doen op het beroep van verzoeker. Het beroep is ongegrond. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep (procedurenummer AWB 12/9116) ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening (procedurenummer AWB 12/9119) af.

Waarvan proces-verbaal,

De griffier, De voorzieningenrechter,