Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW1650

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-03-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
11/34246
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres, van Turkse nationaliteit, heeft als 19 jarige een mvv-aanvraag ingediend voor gezinshereniging met haar ouders. Deze aanvraag is getoetst aan de voorwaarden van verruimde gezinshereniging en afgewezen. Het is niet in geschil dat referent, de vader van eiseres, voldoet aan het inkomensvereiste. Referent is van Turkse nationaliteit, verblijft hier rechtmatig te lande en verricht sinds 6 september 2010 legale arbeid in loondienst. Daarmee voldoet referent sinds 6 september 2011 aan het eerste gedachte streepje van artikel 6 van het Besluit 1/80. Ingevolge artikel 13 van het Besluit 1/80 mogen geen nieuwe beperkingen ingevoerd worden met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden. Het Hof heeft het begrip ‘gezinslid’ onder het Turkije Associatierecht naar analogie van artikel 10 van de Verordening EEG nr 1612/68 uitgelegd (Engin Ayaz v. Land Baden Württemberg, JV 2004/445, r.o. 45). In dit artikel is de leeftijdgrens voor kinderen op 21 jaar bepaald, overgenomen uit Verordening EEG 1612/68 in de Richtlijn 2004/38, artikel 2 aanhef en lid 1 sub c, omdat 21 jaar op het moment van vaststelling van de Verordening de gangbare leeftijd was waarop kinderen meerderjarig werden. De verlaging van de meerderjarigheidsgrens in 1988 is een verscherping van het nationale recht nu dit betekent dat een verzoek om gezinshereniging met kinderen tussen de 18 en 21 jaar aan strengere voorwaarden wordt getoetst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/263

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 11/34246, V-nummer: [nummer],

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geding tussen

[naam], eiseres,

gemachtigde: mr. V. Küçükerbil, advocaat te 's-Gravenhage,

en

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr. H.J.M. Magram-Tetteroo, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 22 april 2011 afwijzend beslist op de aanvraag van eiseres tot verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv).

Tegen dit besluit heeft eiseres bij faxbericht van 20 mei 2011.

Bij besluit van 26 september 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij faxbericht van 24 oktober 2011 beroep ingesteld.

De zaak is op 14 februari 2012 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Referenten zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eiseres.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Het wettelijk kader

Ingevolge artikel 7 van het Souverein Besluit van 12 december 1813 (Staatscourant 1814, 3) is verweerder bevoegd tot het verlenen van een visum, waaronder begrepen een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv).

Ingevolge artikel 72, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt een beschikking omtrent de afgifte van een visum, waaronder begrepen een mvv, voor de toepassing van hoofdstuk 7 "Rechtsmiddelen" van de Vreemdelingenwet 2000 gelijkgesteld met een beschikking omtrent een verblijfsvergunning regulier gegeven krachtens deze wet.

Ingevolge artikel 14, aanhef en onder a, van de Vw 2000 is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Ingevolge artikel 3.24 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, onder een beperking verband houdend met gezinshereniging worden verleend aan een ander familielid dan de echtgenoot of echtgenote, de al dan niet geregistreerde partner, of het minderjarige kind, indien:

a. de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister feitelijk behoort en reeds in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de persoon bij wie deze vreemdeling wil verblijven, en

b. de achterlating van de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister een onevenredige hardheid zou betekenen.

Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000 is van het vereiste van een geldige machtiging tot verblijf, op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Vw 2000, vrijgesteld de vreemdeling die in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie of van wie uitzetting in strijd zou zijn met de op 12 september 1963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb. 1964, 217), het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij die overeenkomst (Trb. 1971, 70) of dat Besluit nr. 1/80.

Volgens artikel 6 artikel van het van het Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19

september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie (hierna: Besluit 1/80) kan een Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een lidstaat behoort na een jaar legale arbeid rechten ontlenen aan het Turkije Associatierecht.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van het Besluit 1/80 passen de lidstaten van de Gemeenschap op de Turkse werknemers die tot hun legale arbeidsmarkt behoren een stelsel toe dat wordt gekenmerkt door het ontbreken van elke discriminatie uit hoofde van de nationaliteit ten opzichte van communautaire werknemers, voor wat betreft de lonen en verdere arbeidsvoorwaarden.

Ingevolge artikel 13 van het Besluit 1/80 mogen de lidstaten en Turkije geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.

Ingevolge artikel 2, aanhef en tweede lid, sub c, van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden wordt voor de toepassing van deze richtlijn verstaan onder "familielid": de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn.

2.2. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit strekt tot handhaving van de weigering een mvv te verstrekken aan eiseres, de meerderjarige dochter van referent. Achterlating betekent geen onevenredige hardheid. De (medische) klachten van eiseres zijn gerelateerd aan de angst dat het gezin uit elkaar valt. Dat het gezin momenteel gescheiden is, is een keuze van betrokkenen. Bij het verzoek om advies van 20 april 2010 was eiseres reeds meerderjarig en volgde een negatief advies. Dat referent zelf naar Nederland is gereisd, komt voor zijn rekening en risico. De psychische problemen als gevolgen van het vertrek waren reeds bekend. Referent ondersteunt eiseres financieel vanuit Nederland en dit kan gecontinueerd worden. Van objectieve belemmeringen het gezinsleven elders uit te oefenen is niet gebleken, nu samenleving in Turkije mogelijk is en eiseres nog in het ouderlijk huis woont. De weigering een mvv te verlenen betekent geen inmenging. Een belangenafweging leidt niet tot het oordeel dat verblijf moet worden toegestaan nu geen sprake is van een overstijgende bijzondere afhankelijkheid. Het Besluit 1/80 is niet van toepassing want het betreft een eerste toelating en eiseres heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland.

2.3. De gronden van beroep

Eiseres kan zich in het besluit niet vinden en voert, samengevat aan dat verweerder ten onrechte stelt dat het Besluit 1/80 niet van toepassing is. Uit de ontwikkelingen rondom het vereiste van het basisexamen inburgering voor Turken blijkt dat het Besluit 1/80 van toepassing is op eerste toelating. De mvv verplichting is een niet toelaatbare verscherping na het Besluit 1/80. Eiseres kan rechten ontlenen aan het Besluit 1/80, is het niet op grond van artikelen 6 en 7 dan wel op grond van artikel 13. Door de standstill bepaling moet de aanvraag beoordeeld worden op basis van het toen geldende recht. In de toen geldende Vreemdelingencirculaire was gezinshereniging mogelijk voor kinderen tot 21 jaar. Pas op 1 januari 1988 is de meerderjarigheidsgrens naar 18 jaar gebracht. Dit dient, net als de medische problematiek van eiseres, tevens in het kader van artikel 8 van het EVRM beoordeeld te worden. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (18 september 1990, Rv 1990, 24) heeft overwogen dat indien de mvv aanvraag het gehele gezin betreft en één kind geweigerd wordt op grond van meerderjarigheid, door verweerder gemotiveerd dient te worden waarom het weigeren van één kind geen onevenredige hardheid betekent. Referenten stellen dat als zij hadden geweten dat eiseres definitief geen mvv zou krijgen, het gehele gezin mogelijk in Turkije was gebleven, zeker gelet op de medische problemen van eiseres. Het gezin was in de veronderstelling dat in bezwaar de mvv verleend zou worden. Verweerder is niet op alle aangevoerde argumenten ingegaan.

2.4. Het oordeel van de rechtbank

2.4.1. Eiseres heeft als meerderjarige een mvv aanvraag ingediend voor gezinshereniging met haar ouders. Ten tijde van de aanvraag was eiseres net 19 jaar geworden. De mvv aanvraag is afgewezen nu de aanvraag door de leeftijd van eiseres is getoetst aan de voorwaarden van verruimde gezinshereniging. De aanvragen mvv voor de minderjarige kinderen van referent zijn ingewilligd. Eiseres en haar ouders hebben de Turkse nationaliteit.

2.4.2. Het is niet in geschil dat referent voldoet aan de voorwaarden gesteld aan het inkomen voor gezinshereniging. Referent verricht arbeid in loondienst op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en ontvangt hiervoor een bruto maandloon van €2070,45. Referent is van Turkse nationaliteit, verblijft hier rechtmatig te lande en verricht legale arbeid. Referent verricht met ingang van 6 september 2010 arbeid in loondienst en daarmee sinds 6 september 2011 een jaar als bedoeld in het eerste gedachte streepje van artikel 6 van het Besluit 1/80. Referent is daarmee aan te merken als werknemer in de zin van het Besluit 1/80 en kan rechten ontlenen aan dit besluit.

2.4.3. Uit vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) ten aanzien van het Besluit 1/80 (zie onder meer het arrest van 20 september 1990, C-192/89, Sevince, RV 1990, 91 en van 16 december 1992, C-237/91, Kus, RV 1992, 95), blijkt dat artikel 6 van het Besluit 1/80 gemeenschapsrecht is en rechtstreekse werking heeft. Personen met de Turkse nationaliteit ontlenen gelijke rechten en dienen gelijk behandeld te worden als ware zij gemeenschapsonderdaan.

2.4.4. Ingevolge artikel 13 van het Besluit 1/80 mogen de lidstaten en Turkije geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn. De verscherpte mvv-plicht uit 1998 kan dan ook niet worden tegengeworpen aan Turkse onderdanen. De ruime formulering van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder e, van het Vb 2000 geeft hieraan toepassing door een vrijstelling van het mvv-vereiste te bieden voor Turkse onderdanen die rechten aan het Besluit 1/80 ontlenen.

2.4.5. Zoals het Hof in haar uitspraak van 29 april 2010 bevestigt (C-92/07, Commissie v Nederland, JV 2010/237, r.o. 67, 68), heeft de associatieovereenkomst tot doel de situatie van Turkse staatsburgers dichter bij de situatie van burgers van de Unie te brengen door geleidelijk het vrije verkeer van werknemers tot stand te brengen en door de beperkingen van de vrijheid van vestiging en van het vrij verrichten van diensten op te heffen. In dit verband bevorderen het in artikel 9 van de associatieovereenkomst neergelegde algemene verbod van discriminatie op grond van nationaliteit en de toepassing van dit verbod op het bijzondere gebied van werknemers overeenkomstig artikel 10 van het Besluit 1/80, de geleidelijke integratie van Turkse migrerende werknemers en van Turkse staatsburgers die zich verplaatsen om zich te vestigen of diensten aan te bieden in een lidstaat.

2.4.6. Het Hof heeft voor het begrip 'gezinslid' onder het Turkije Associatierecht naar analogie van artikel 10 van de Verordening EEG nr 1612/68 uitgelegd (in de zaak Engin Ayaz v. Land Baden Württemberg, JV 2004/445, r.o. 45). In dit artikel is de leeftijdgrens voor kinderen op 21 jaar bepaald. De leeftijdsgrens van 21 jaar is overgenomen uit Verordening EEG 1612/68 in de Richtlijn 2004/38, artikel 2 aanhef en lid 1 sub c, omdat 21 jaar op het moment van vaststelling van de Verordening de gangbare leeftijd was waarop kinderen meerderjarig werden. De verlaging van de meerderjarigheidsgrens in 1988 is een verscherping van het nationale recht nu dit betekent dat een verzoek om gezinshereniging met kinderen tussen de 18 en 21 jaar aan strengere voorwaarden wordt getoetst.

2.4.7. Eiseres was ten tijde van de aanvraag mvv jonger dan 21 jaar en voldeed derhalve aan de voorwaarden van de verzochte mvv, nu zij op het moment van vertrek van referent tot zijn gezin behoorde. Verweerder heeft ten onrechte getoetst aan de criteria voor verruimde gezinshereniging. Daarbij hecht de rechtbank waarde aan het feit dat voordat de beschikking op bezwaar genomen is referent reeds een jaar legale arbeid verricht, voldoet aan het middelenvereiste en uitdrukkelijk een beroep is gedaan op het Besluit 1/80.

2.4.8. Het beroep is dan ook gegrond.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder binnen zes weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit neemt;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,00 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op:

€ 874,00 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan eiseres.

Aldus gegeven door mr. A.P. Hameete, rechter, en door deze en mr. S. Wierink, griffier, ondertekend.