Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW1627

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-03-2012
Datum publicatie
11-04-2012
Zaaknummer
11/15576 eind
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Einduitspraak na bestuurlijke lus. De weigering van de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel om de vreemdeling vrij te stellen van het mvv-vereiste en hem een verblijfsvergunning te verlenen is niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. De vreemdeling verblijft weliswaar in totaal ongeveer zeventien jaar in Nederland en hij werkt al bijna dertien jaar bij dezelfde werkgever, maar hij heeft slechts één jaar een verblijfsvergunning gehad. In 1999 is een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid in loondienst afgewezen. Dat de vreemdeling ervoor heeft gekozen om daarna zonder verblijfsvergunning bij dezelfde werkgever te blijven werken, is zijn eigen keuze geweest. De vreemdeling heeft niet aannemelijk gemaakt dat de banden die hij met de Nederlandse samenleving heeft opgebouwd zo bijzonder zijn dat hem ondanks het grotendeels onrechtmatige karakter van zijn verblijf een verblijfsvergunning moet worden verleend.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/266
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummer: AWB 11/15576, V-nummer: [nummer],

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geding tussen

[naam eiser], eiser,

gemachtigde: mr. J. van Koesveld, advocaat te Amsterdam,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel, thans de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. B.J. Pattiata, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij besluit van 1 november 2010 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'arbeid in loondienst bij [naam] B.V.'.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 15 november 2010 bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij besluit van 3 mei 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 4 mei 2011 beroep ingesteld.

De zaak is op 12 oktober 2011 behandeld ter zitting van een enkelvoudige kamer. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Ter zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Bij beslissing van 23 december 2011 heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan, het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Bij brief van 18 januari 2012 heeft verweerder de motivering van het bestreden besluit aangevuld.

Bij faxbericht van 16 februari 2012 heeft eiser gereageerd op de brief van 18 januari 2012.

Bij faxbericht van 27 februari 2012 (eiser) en 8 maart 2012 (verweerder) hebben partijen kenbaar gemaakt dat zij geen behoefte hebben aan een nadere zitting. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek opnieuw gesloten.

2. Overwegingen

2.1. het wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 14, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het betreft de vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

2.1.2. Ingevolge artikel 3.71, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000) wordt de aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000, afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige mvv.

Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 is van het vereiste van een geldige mvv, op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Vw 2000, vrijgesteld de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) zou zijn.

Ingevolge artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 kan Onze Minister het eerste lid buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (hierna ook aangeduid als de hardheidsclausule).

2.1.3. Ingevolge artikel 8, eerste lid, van het EVRM, voor zover hier van belang, heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel is geen inmenging van enig openbaar gezag toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2.2. het bestreden besluit en het verweer

2.2.1. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn besluit van 1 november 2010 gehandhaafd. In het bestreden besluit en het daarin gedeeltelijk ingelaste besluit van 1 november 2010 heeft verweerder, samengevat, het volgende overwogen.

Het arbeidsverleden van eiser vormt geen grond voor het oordeel dat handhaving van het mvv-vereiste leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. Eiser is van 1 november 1998 tot 1 november 1999 in het bezit geweest van een verblijfsvergunning. Behalve in dat jaar was het eiser niet toegestaan om in Nederland arbeid te verrichten. Het verrichten van arbeid in Nederland is ook anderszins geen bijzondere en individuele omstandigheid die moet leiden tot vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000. Hoe hard dit ook zal klinken voor eiser, de gevolgen van zijn keuze om illegaal in Nederland te verblijven komen voor zijn eigen rekening en risico.

Verweerder ziet geen reden om met gebruikmaking van zijn discretionaire bevoegdheid een verblijfsvergunning aan eiser te verlenen.

2.2.2. In zijn brief van 18 januari 2012 heeft verweerder, samengevat, het volgende naar voren gebracht.

In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat in het bestreden besluit niet is beoordeeld of eiser met toepassing van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. Artikel 8 van het EVRM beschermt het recht van eiser om relaties met andere mensen aan te gaan en te ontwikkelen. Het totaal aan sociale banden van ingeburgerde migranten met de samenleving waarin zij leven vormt onderdeel van het begrip privéleven. Voor een geslaagd beroep op artikel 8 van het EVRM moet echter wel sprake zijn van een substantieel gewicht van de aangegane sociale banden. Er moet sprake zijn van een zeer langdurig verblijf (ongeveer dertig jaar), eventueel in combinatie met onzekerheid over de verblijfsstatus.

Eiser is Nederland op 9 december 1992 ingereisd. In december 1994 is hij uit Nederland verwijderd. Voorafgaand aan deze uitzetting heeft eiser geen verblijfsvergunning aangevraagd. Op 29 mei 1997 heeft eiser zich opnieuw in Nederland gevestigd en op 16 april 1998 heeft hij een verblijfsvergunning voor verblijf bij partner aangevraagd. Deze vergunning is verleend, geldig van 1 november 1998 tot 1 november 1999. Bij besluit van 14 oktober 1999 is de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken, is zijn aanvraag tot wijziging van de beperking van deze verblijfsvergunning afgewezen en is hem aangezegd Nederland te verlaten. Op 22 december 1999 is het bezwaar van eiser tegen het besluit van 14 oktober 1999 niet-ontvankelijk verklaard en is hem aangezegd Nederland onmiddellijk te verlaten. Op 8 maart 2001 is het beroep van eiser tegen het besluit van 22 december 1999 ongegrond verklaard. Op 24 mei 2007 heeft eiser de onderhavige aanvraag ingediend. Eiser heeft van december 1992 tot december 1994 en van december 1999 tot mei 2007 in Nederland verbleven zonder in het bezit te zijn van een verblijfsvergunning of een daartoe strekkende aanvraag ingediend te hebben.

De relatie tussen eiser en zijn werkgever is een professionele relatie. Eiser heeft geen melding gemaakt van sociale banden die hij in Nederland is aangegaan. Niet is gebleken van andere voorbeelden van eisers inburgering in de Nederlandse samenleving. Niet kan worden gesproken van dermate intensieve sociale banden en een zodanig diepe worteling in de Nederlandse samenleving dat handhaving van het mvv-vereiste een schending oplevert van het recht van eiser op respect voor zijn privéleven.

Verweerder ziet geen reden om eiser op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 vrij te stellen van het mvv-vereiste.

2.3. de gronden van beroep

Eiser heeft, samengevat, het volgende aangevoerd.

Verweerder voert geen beleid bij de toepassing van artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000. Uit het bestreden besluit valt niet af te leiden wanneer een beroep op de hardheidsclausule slaagt. Het blijkt in de praktijk onmogelijk te zijn om op deze grond vrijgesteld te worden van het mvv-vereiste, wat niet de bedoeling is van de hardheidsclausule. Het is volstrekt onduidelijk welke factoren een rol kunnen spelen. Het standpunt van verweerder dat de situatie van eiser niet bijzonder genoeg is, is niet aanvaardbaar als verweerder niet duidelijk maakt wanneer de grens dan wel wordt bereikt. Hetzelfde geldt voor het uitdrukkelijke beroep van eiser op verweerder om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid. Ook hier is niet duidelijk welke criteria een rol spelen bij de beoordeling. Van een individuele beoordeling door verweerder persoonlijk is geen sprake geweest.

Eiser is opgelicht door een landgenoot die zich heeft gepresenteerd als deskundig gemachtigde, wat een bijzondere omstandigheid oplevert. Ten onrechte is verweerder hier niet op ingegaan in het bestreden besluit.

Door zich op het standpunt te stellen dat schending van het recht op respect voor het privéleven eigenlijk pas in beeld kan komen als een vreemdeling dertig jaar of langer in het gastland heeft verbleven, legt verweerder artikel 8 van het EVRM te beperkt uit en doet hij geen recht aan de betekenis van deze verdragsbepaling. Eiser gaat er weliswaar van uit dat verweerder verder heeft gekeken dan alleen deze termijn, maar verweerder heeft de andere relevante aspecten van de zaak niet op de juiste waarde geschat, zodat van een evenwichtige en redelijke belangenafweging geen sprake is geweest. Eiser was er lange tijd van overtuigd dat hij rechtmatig in Nederland verbleef. Het verblijf van eiser in Nederland is altijd kenbaar geweest voor de Nederlandse overheid. Eiser stond ingeschreven, hij werkte officieel en hij betaalde belasting. Daardoor kon eiser de hoop krijgen dat hij in Nederland werd gedoogd. In het kader van de witte illegalen-regeling is van belang geacht dat vreemdelingen in een semi-legale positie verkeerden en bekend mochten worden verondersteld bij de Nederlandse overheid. Verweerder miskent dat hiervan ook bij eiser sprake is. Privéleven wordt net zo goed opgebouwd tijdens illegaal verblijf als tijdens rechtmatig verblijf. De bescherming van vreemdelingen in het kader van artikel 8 van het EVRM is bij uitstek bedoeld voor illegale vreemdelingen. Vreemdelingen met rechtmatig verblijf hoeven immers niet snel een beroep te doen op deze bepaling. De duur van eisers arbeidsrelatie, het feit dat eiser door middel van zijn vaste baan is opgenomen in de Nederlandse samenleving, zowel sociaal als formeel, zou van doorslaggevende betekenis moeten zijn. Eiser verblijft sinds 1992 met een korte onderbreking in Nederland. Hij heeft zich hier nuttig gemaakt als werknemer, onlangs - kort voor de zitting van de rechtbank - heeft hij gevierd dat hij twaalfenhalf jaar bij zijn werkgever in dienst is. Eiser heeft al die tijd belasting en premies betaald. Eiser heeft in Nederland contacten opgedaan, hij heeft hier woonruimte, vrienden en collega's. Eiser heeft feitelijk altijd in Nederland gewerkt en dat heeft hem gevormd. Eiser is een 'settled migrant' die recht heeft op bescherming van zijn privéleven in Nederland. Het standpunt van verweerder komt erop neer dat uiteindelijk slechts de termijn van het verblijf en eventuele onzekerheid over het verblijfsrecht bepalend zijn, wat een te beperkte uitleg is van privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM.

Eiser concludeert tot gegrondverklaring van het beroep. Hij meent dat hij door verweerders besluitvorming schade heeft geleden die voor vergoeding in aanmerking komt.

2.4. het oordeel van de rechtbank

2.4.1. Bij besluit van 14 oktober 1999 heeft de Staatssecretaris van Justitie, voor zover in dit verband van belang, de aanvraag van eiser tot wijziging van de beperking van zijn verblijfsvergunning in "voortgezet verblijf en het verrichten van arbeid al dan niet in loondienst gedurende dat verblijf" afgewezen. In dat besluit is onder meer overwogen dat met de werkzaamheden van eiser - fustmedewerker bij [naam] B.V. - geen wezenlijk Nederlands belang wordt gediend. Het besluit van 1 november 2010, waarbij eiser opnieuw een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid in loondienst bij [naam] B.V. is onthouden, is naar het oordeel van de rechtbank van gelijke strekking als het besluit van 14 oktober 1999. Gelet hierop kan de rechtbank de rechtmatigheid van de handhaving van het besluit van 1 november 2010 bij het bestreden besluit slechts toetsen indien en voor zover sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. In het betoog van eiser ligt het standpunt besloten dat de duur van zijn verblijf in Nederland een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid oplevert, in die zin dat de weigering hem verblijf in Nederland toe te staan thans een schending oplevert van het recht op respect voor zijn privéleven. Eiser wijst er in dit verband op dat hij vanaf 1 april 1999 werkzaam is voor [naam] B.V., dat in verband met deze werkzaamheden steeds belastingen en premies zijn afgedragen, dat hij in Nederland verschillende sociale contacten heeft opgebouwd en dat hij geen banden meer heeft met Ghana. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat verweerder bevoegd is een vreemdeling die een verblijfsvergunning onder een andere beperking aanvraagt ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen onder een beperking die verband houdt met artikel 8 van het van EVRM, kan naar het oordeel van de rechtbank niet op voorhand worden uitgesloten dat eiser binnen het kader van de onderhavige procedure een geslaagd beroep kan doen op artikel 8 van het EVRM. Gelet hierop is sprake van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid en kan de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit toetsen, in ieder geval voor zover verweerder daarin zijn standpunt handhaaft dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning omdat hij niet beschikt over een geldige mvv.

Voor zover het bestreden besluit een weigering inhoudt om eiser met gebruikmaking van de discretionaire bevoegdheid een verblijfsvergunning te verlenen, is het bestreden besluit niet van gelijke strekking als het besluit van 14 oktober 1999. Ook in zoverre kan de rechtbank de rechtmatigheid van het bestreden besluit toetsen.

2.4.2. Naar de rechtbank begrijpt, handhaaft verweerder het bestreden besluit en strekt de brief van 18 januari 2012 tot aanvulling van de motivering van dat besluit.

2.4.3. In haar tussenuitspraak van 23 december 2011 heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering, omdat verweerder daarin niet heeft beoordeeld of eiser aanspraak kan maken op vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000. De rechtbank blijft bij dit oordeel. Gelet hierop zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).

2.4.4. Vervolgens zal de rechtbank beoordelen of verweerder dit gebrek in de besluitvorming heeft hersteld met zijn brief van 18 januari 2012. Daartoe wordt het volgende overwogen.

Bepalend voor het antwoord op de vraag of eiser recht heeft op vrijstelling van het mvv-vereiste met toepassing van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 is of hij op grond van artikel 8 van het EVRM in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning. Het is aan verweerder om dit te beoordelen. De rechter dient de uitkomst van deze beoordeling enigszins terughoudend te toetsen.

In zijn brief van 18 januari 2012 heeft verweerder de verblijfsrechtelijke geschiedenis van eiser geschetst. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat eiser gedurende het grootste gedeelte van zijn verblijf in Nederland niet in het bezit is geweest van een verblijfsvergunning en ook niet in een procedure daarover verwikkeld is geweest.

Eiser heeft voorafgaand aan zijn uitzetting in december 1994 geen verblijfsvergunning aangevraagd. Uit deze uitzetting blijkt dat de Nederlandse overheid eisers verblijf in Nederland niet wenste te aanvaarden. De rechtbank volgt verweerder daarom in zijn standpunt dat eiser aan zijn verblijf in Nederland in de periode van december 1992 tot december 1994 geen rechten kan ontlenen.

In mei 1997 is eiser teruggekeerd naar Nederland, waar hij tot op heden woont en werkt. Dit betreft een periode van bijna vijftien jaar.

Eiser voert terecht aan dat zijn beroep op artikel 8 van het EVRM niet uitsluitend kan worden afgewezen met verwijzing naar de duur van zijn verblijf in Nederland. In zijn brief van 18 januari 2012 heeft verweerder echter niet alleen gekeken naar de duur van eisers verblijf in Nederland, maar ook naar de omstandigheden van dat verblijf. Verweerder heeft niet ten onrechte van groot belang geacht dat eiser slechts gedurende (iets minder dan) één jaar in Nederland heeft verbleven op basis van een geldige verblijfsvergunning. Dat eiser naar eigen zeggen lange tijd de overtuiging heeft gehad rechtmatig in Nederland te verblijven, vindt geen steun in de feiten. Verweerder wijst er terecht op dat eiser in de besluiten van 14 oktober 1999 en 22 december 1999 duidelijk is gemaakt dat hij Nederland diende te verlaten. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat het de eigen keuze van eiser is geweest om dat niet te doen en dat de gevolgen van deze keuze, die eiser heeft gemaakt toen hij drieëndertig jaar oud was, voor zijn rekening en risico dienen te komen.

Dat de Nederlandse overheid door de inschrijving van eiser en de afdracht van belastingen en premies op de hoogte was van de aanwezigheid van eiser in Nederland, betekent niet dat zijn beroep op artikel 8 van het EVRM slaagt. In het besluit van 14 oktober 1999 is eiser meegedeeld dat met de door hem verrichte arbeid bij [naam] B.V. geen wezenlijk Nederlands belang wordt gediend, dat deze arbeid geen grond vormt voor verblijfsaanvaarding en dat hij Nederland dient te verlaten. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat eiser aan het vervolgens zonder verblijfsvergunning blijven verrichten van arbeid bij dezelfde werkgever het gerechtvaardigde vertrouwen heeft kunnen ontlenen dat hem nadien desgevraagd alsnog een verblijfsvergunning zou worden verleend.

Eiser merkt terecht op dat het onrechtmatige karakter van zijn verblijf in Nederland niet wegneemt dat hij banden met Nederland heeft opgebouwd. Verweerder stelt daar terecht tegenover dat deze banden grotendeels zijn opgebouwd gedurende niet rechtmatig verblijf. Verder stelt verweerder in zijn brief van 18 januari 2012 terecht vast dat eiser weliswaar de arbeidsrelatie met zijn werkgever heeft benadrukt, maar dat hij niet gemotiveerd heeft gewezen op andere bijzondere banden met Nederland. Eiser heeft in zijn brief van 16 februari 2012 weliswaar gesteld dat hij in Nederland vrienden, kennissen en collega's heeft, maar hij heeft deze banden met Nederland niet verder toegelicht. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de banden die hij met de Nederlandse samenleving heeft opgebouwd zo bijzonder zijn dat verweerder ondanks het grotendeels onrechtmatige karakter van eisers verblijf in Nederland gehouden is hem op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000 vrij te stellen van het mvv-vereiste.

De rechtbank komt tot de slotsom dat verweerder zich in zijn brief van 18 januari 2012 op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb 2000.

2.4.5. Mede bezien in het licht van hetgeen onder 2.4.4 is overwogen heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de weigering eiser vrij te stellen van het mvv-vereiste geen onbillijkheid van overwegende aard oplevert. In aanmerking genomen dat artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 is bedoeld voor uitzonderlijke individuele situaties, is verweerder niet gehouden kenbaar te maken wanneer een vreemdeling in aanmerking komt voor toepassing van de hardheidsclausule of om toe te lichten welke niet aan de orde zijnde bijkomende bijzondere omstandigheden in eisers geval tot een andere uitkomst hadden kunnen leiden. Dat eiser is opgelicht, hoe treurig ook, betekent niet dat hij aanspraak kan maken op vrijstelling van het mvv-vereiste. Verweerder was naar het oordeel van de rechtbank niet gehouden dit in het bestreden besluit afzonderlijk te motiveren.

2.4.6. Bij de beslissing om al dan niet gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid tot verlening van een verblijfsvergunning beschikt verweerder over een zeer grote beoordelingsruimte. De keuze van verweerder om in de situatie van eiser, die wordt gekenmerkt door langdurig maar grotendeels onrechtmatig verblijf in Nederland, geen gebruik te maken van deze bevoegdheid kan de zeer terughoudende rechterlijke toetsing doorstaan. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat er geen redenen zijn om te veronderstellen dat verweerder in persoon heeft besloten geen gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid. Eiser heeft echter niet toegelicht waarom het bestreden besluit niet door een daartoe gemandateerde ambtenaar namens verweerder mocht worden genomen. De rechtbank ziet geen reden om het bestreden besluit op deze grond onrechtmatig te achten.

2.4.7. De rechtbank komt tot de conclusie dat de afwijzing van de aanvraag van eiser op de grond dat hij niet beschikt over een geldige mvv rechtmatig is. Gelet hierop zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

2.4.8. Het verzoek om schadevergoeding is niet onderbouwd en moet reeds daarom worden afgewezen.

2.4.9. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder op grond van artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiser betaalde griffierecht aan hem te vergoeden.

De rechtbank ziet voorts aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op € 1.092,50 (1 punt voor de indiening van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het als repliek aan te merken faxbericht van 16 februari 2012, met een waarde per punt van € 437 en wegingsfactor 1). De rechtbank is niet gebleken dat eiser in beroep nog andere kosten heeft moeten maken die op grond van grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen.

2.4.10. Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af;

- bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 152 vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser in verband met de behandeling van dit beroep redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op € 1.092,50 ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, te betalen aan eiser.

Aldus gegeven door mr. B. van Velzen, rechter, en door deze en P. Deinum, griffier, ondertekend.