Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW1309

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-03-2012
Datum publicatie
10-04-2012
Zaaknummer
AWB 12/4740, AWB 12/4741, AWB 12/4743, AWB 12/4738
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AA; Sri Lanka; fysieke toestand tijdens reizen indiceert dwang; pok; LTTE banden niet aannemelijk; risicofactoren EHRM; ongegrond; gegrond mbt vertrektermijn en inreisverbod.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummers: AWB 12/4740 (voorlopige voorziening)

AWB 12/4741 (bodem)

AWB 12/4743 (voorlopige voorziening)

AWB 12/4738 (bodem)

V-nr: [V-nr]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker],

geboren op [1990], van Sri Lankaanse nationaliteit, verzoeker,

gemachtigde: mr. K. Ross, advocaat te Amsterdam

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. de Jong, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 10 februari 2012 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker van 4 februari 2012 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 afgewezen. Tegen dit besluit heeft verzoeker bij beroepschrift van 10 februari 2012 beroep ingesteld bij de rechtbank.

Bij brief van 10 februari 2012 heeft verzoeker verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Verzoeker heeft bij afzonderlijk beroepschrift van 10 februari 2012 beroep ingediend tegen het inreisverbod dat is opgelegd in de bestreden beschikking. Tevens heeft verzoeker bij brief van 10 februari 2012 verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2012. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig S. Pathmanathan, als tolk in de taal Tamil.

Overwegingen

1. Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. Op grond van artikel 8:86 van de Awb heeft de voorzieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Partijen zijn op deze bevoegdheid gewezen.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep geregistreerd onder de nummers AWB 12/4740 en AWB 12/4741:

3. In geding is allereerst of verweerder de aanvraag van verzoeker had moeten afdoen in de verlengde procedure. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker op 2 februari 2012 door Mediservice is onderzocht en dat op zijn rug wonden zijn behandeld. In het verslag van Mediservice staat het volgende vermeld: “diverse oude verwondingen van stokslagen? Hele rug. Plusminus 15 afdrukken. Sommige al geheeld, anderen nog open. Enkele ontstoken. M.n. op rechterschouderblad en halverwege de rug, linkerzijde. Pusdruppels zichtbaar”. Op 3 februari 2012 zijn de wonden bekeken door Medifirst. Medifirst verklaart in haar rapport dat bij het gehoor rekening moet worden gehouden met beperkingen maar dat verzoeker wel kan worden gehoord. Daarbij raadt Medifirst aan dat verzoeker niet te lang achtereen wordt gehoord en dat er in overleg met hem voldoende rustmomenten worden aangeboden. Er moet rekening mee worden gehouden dat verzoeker emotioneel kan raken wanneer hij over de recentelijk plaatsgevonden gebeurtenis praat. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen grond voor het oordeel dat verzoeker op voorhand al in een zodanige conditie was dat hij niet kon worden gehoord en zijn zaak moest worden afgedaan in de verlengde asielprocedure.

4.1 Vervolgens is in geding of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat van het asielrelaas van verzoeker een positieve overtuigingskracht dient uit te gaan omdat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd.

4.2 De voorzieningenrechter stelt vast, zoals ook ter zitting door verweerder is bevestigd, dat het ontbreken van documenten ter staving van verzoekers identiteit en nationaliteit niet meer wordt tegengeworpen. Het gaat uitsluitend om documenten ter staving van de reis. Verzoeker betoogt dat hij zijn reisdocumenten onder dwang aan de reisagent heeft afgegeven. Gelet op zijn fysieke conditie heeft hij zich niet kunnen verzetten. Verweerder heeft gesteld dat, nu de documenten bij de tweede overstap door de reisagent zijn ingenomen, aannemelijk is dat verzoeker op dat moment al in Europa was. Verzoeker had gelet daarop hulp kunnen inroepen.

4.3 Volgens paragraaf C4/3.6 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 is het ontbreken van documenten niet aan de asielzoeker toe te rekenen, wanneer hij aannemelijk maakt dat de papieren onder dwang aan de reisagent zijn afgegeven en hij ook op alle andere elementen van de beoordeling van de asielaanvraag volledig meewerkt en geloofwaardig is.

4.4 Verzoeker heeft verklaard dat het paspoort en de tickets door de reisagent in de wachtruimte na de boarding-controle uit zijn handen zijn gepakt. Daarbij heeft de reisagent gedreigd dat hij de politie zou inschakelen als verzoeker moeilijk zou gaan doen.

4.5 De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder de verklaringen van verzoeker over hoe hij de documenten is kwijtgeraakt, niet betwist. Gelet op zijn verklaringen was verzoeker op het moment dat zijn documenten zijn afgepakt al geruime tijd aan het reizen. Zijn wonden waren toen nog niet verzorgd, zoals blijkt uit het verslag van Mediservice van 2 februari 2012. Gelet op deze gebeurtenissen in combinatie met de fysieke toestand van verzoeker op dat moment, zoals blijkt uit het verslag van Mediservice vermeld in overweging 3, heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter ten onrechte geconcludeerd dat geen sprake was van dwang.

4.6 Aan de orde is vervolgens of verzoeker ook op alle andere elementen van de beoordeling van de asielaanvraag volledig heeft meegewerkt en geloofwaardig is. Verzoeker heeft over de reis verklaard dat het eerste vliegtuig rood was en het derde vliegtuig blauw, dat de bemanning in het eerste vliegtuig rode, in het tweede donkerrode en in het derde vliegtuig groene kleding aan had en blank was. Voorts heeft hij verklaard wat zijn stoelnummer tijdens de laatste vlucht was. Verzoeker stelt dat hij wegens zijn verwondingen en stress weinig details in zich kon opnemen. Verweerder heeft betoogd dat verzoeker onvoldoende gedetailleerd heeft verklaard over zijn reis en dat zijn verklaring daarvoor niet afdoende is. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers betoog dat hij door zijn verwondingen en stress weinig details in zich heeft kunnen opnemen over de reis, geen afdoende verklaring is voor het verstrekken van zo weinig informatie. Daarom heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker geen gedetailleerde en verifieerbare verklaringen over zijn reisroute heeft verstrekt. Gelet op het beleid zoals genoemd in overweging dat bepaalt dat verzoeker ook op alle andere elementen van de beoordeling van de asielaanvraag, waaronder zijn reisverhaal, volledig mee dient te werken, heeft verweerder verzoeker in redelijkheid mogen tegenwerpen dat hij geen reisdocumenten heeft overgelegd. Daarom moet van zijn asielrelaas een positieve overtuigingskracht uitgaan om het geloofwaardig te achten.

5.1 In geding is of verweerder in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat van verzoekers asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat.

5.2 Verzoeker heeft het volgende relaas aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd.

Verzoeker is gefilmd toen hij tijdens de Dag van de opstand (Ponku Tamil) in 2003, 2004 en 2005 de Liberation Tigers of Tamil Eelam (LTTE) gedwongen hielp. In 2009 is hij door een soldaat naar een legerbasis gebracht waar hij seksueel is misbruikt door een hooggeplaatst persoon. De Criminal Investigation Department (CID) van de paramilitairen is actief op zoek naar hem. Zij zijn drie keer bij hem thuis geweest en hebben hem gezegd dat hij zich moest melden. Anderen zijn opgepakt en vermoord. Verzoeker is ondergedoken in een asielzoekerscentrum in Manipay tot december 2011. Daarna heeft hij met behulp van de tante van zijn schoonmoeder stiekem een huis gehuurd en daar gewoond. Op 20 januari 2012 werd hij daar ontvoerd. Toen is hij drie dagen vastgehouden en erg mishandeld. Met een hete staaf is op zijn rug geslagen als waarschuwing voor anderen. Na zijn vrijlating is hij gevlucht.

5.3 Verweerder betwist niet dat verzoeker in 2003, 2004 en 2005 heeft deelgenomen aan de Ponku Tamil en daarbij de door hem gestelde werkzaamheden heeft verricht. Evenmin betwist verweerder dat verzoeker in 2009 seksueel is misbruikt. Verweerder acht echter de door verzoeker gestelde problemen met de autoriteiten niet geloofwaardig. Op dat punt gaat er volgens verweerder van verzoekers asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uit. Verweerder heeft ter onderbouwing hiervan onder andere het volgende naar voren gebracht. Het is niet te rijmen dat verzoeker enerzijds stelt dat de autoriteiten in september 2011 drie keer bij hem thuis zijn geweest toen hij er niet was, maar anderzijds dat hij uit angst om opgepakt te worden, niet naar buiten ging. Voorts stelt verweerder dat niet valt in te zien dat verzoeker door de autoriteiten als aanhanger van de LTTE wordt aangemerkt, gelet op verzoekers leeftijd destijds en het legale karakter van de viering. Bovendien is het bevreemdend dat pas zes tot acht jaar na de viering wordt overgegaan tot vervolging en dat hij na drie dagen gevangenschap is vrijgelaten, waarna hij weer wordt gezocht.

5.4 Verzoeker betwist dat hij wisselend heeft verklaard over het bezoek van de autoriteiten. Verzoeker ging weinig naar buiten totdat hij onderdook. Voorts stelt verzoeker dat hij wel degelijk als lid/aanhanger van de LTTE wordt beschouwd wegens zijn deelname aan de Ponku Tamil. Verweerder heeft informatie over vervolging van LTTE aanhangers niet betrokken bij de besluitvorming. Verzoeker wordt verdacht van lidmaatschap omdat hij gefilmd is terwijl hij meehielp met decoreren, in rood-geel uniform was gekleed en leuzen riep. Dat destijds de viering legaal was omdat het vredestijd was, doet er niet aan af dat dit nu anders is. Dat verzoeker lange tijd ongemoeid is gelaten komt omdat hij bescherming genoot door het dragen van een schooluniform en omdat eerst de grote LTTE strijders zijn vervolgd. Ten onrechte is er van uitgegaan dat autoriteiten logisch en helder handelen. Daarom is het niet vreemd dat men verzoeker na de vrijlating weer zocht.

5.5 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in redelijkheid niet aannemelijk kunnen achten dat verzoeker wordt gezocht omdat hij LTTE-aanhanger is. Daartoe heeft verweerder redengevend kunnen achten dat na de deelname van verzoeker aan de Ponku Tamil vele jaren zijn verstreken, dat deze dagen legaal waren, dat hij destijds nog jong was en dat zijn rol op die dagen beperkt was. Ook heeft verweerder de verklaring van verzoeker voor het tijdsverloop ontoereikend kunnen achten. Geen van de door verzoeker overgelegde stukken steunt het betoog van verzoeker dat eerst de grote LTTE strijders zijn vervolgd en dat het nu de beurt is aan degenen die een kleinere rol speelden, zoals verzoeker. Verweerder heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet met elkaar te rijmen valt dat verzoeker heeft verklaard dat hij vanwege zijn angst opgepakt te worden niet naar buiten ging en dat hij anderzijds de drie keer dat de autoriteiten bij hem langs kwamen niet thuis is aangetroffen. Ten slotte heeft verweerder in redelijkheid bevreemdend kunnen achten dat verzoeker, nadat de autoriteiten hem jaren na zijn deelname aan de Ponku Tamil hadden opgepakt, na drie dagen na betaling weer in vrijheid is gesteld. Al gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter in redelijkheid kunnen concluderen dat van verzoekers asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat. Weliswaar staat vast dat verzoeker verwondingen heeft op zijn rug, maar gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet geloofwaardig is dat deze zijn veroorzaakt op de wijze die verzoeker heeft verklaard.

6. Op grond van het voorgaande heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om verzoeker op grond van zijn gestelde problemen met de autoriteiten vanwege zijn deelname aan de Ponku Tamil een verblijfsvergunning asiel te verlenen.

7.1 Vervolgens is in geding of verzoeker bij terugkeer naar Sri Lanka risico loopt op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). In een aantal arresten (onder meer van 17 juli 2008, NA tegen Verenigd Koninkrijk, zaaknummer 25904/07 en van 31 mei 2011, EG tegen Verenigd Koninkrijk, zaaknummer 41178/08) heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geoordeeld dat de gedwongen terugkeer van Tamils naar Sri Lanka niet automatisch een schending van artikel 3 van het EVRM oplevert. Afzonderlijke individuele risicofactoren leveren ook niet een dergelijke schending op. Het is echter mogelijk dat alle relevante individuele risicofactoren tezamen, in samenhang bezien en in het licht van de algemene situatie, wel een schending van artikel 3 van het EVRM opleveren. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij een jonge mannelijke Tamil uit het noordoosten van Sri Lanka is, die illegaal het land heeft verlaten, asiel heeft gevraagd in Nederland en littekens van verwondingen op zijn rug heeft. Alleen al daarom zal hij in verband worden gebracht met de LTTE. Bij de zienswijze van 9 februari 2012 heeft verzoeker informatie overgelegd van Vluchtelingenwerk Nederland over risico’s bij illegale uitreis en terugkeer voor Tamils.

7.2 Verweerder stelt dat indien een vreemdeling wordt verdacht van banden met de LTTE er bij terugkeer wel een risico kan bestaan, maar dat niet aannemelijk is dat verzoeker wordt verdacht van een strafbaar feit en betrokkenheid bij de LTTE. Daarom wordt hij niet gevolgd in zijn vermoeden dat hij bij terugkeer problemen krijgt. Onder verwijzing naar het ambtsbericht van oktober 2011 stelt verweerder dat terugkerende Sri Lankanen niet in de negatieve belangstelling staan wegens een asielaanvraag.

7.3 Gelet op het niet-geloofwaardig geachte deel van het asielrelaas van verzoeker, moet ervan worden uitgegaan dat verzoeker niet vanwege dit relaas wordt verdacht van banden met de LTTE. Verzoeker beschikt over een nationale identiteitskaart, zodat – zoals blijkt uit het ambtsbericht van oktober 2011 dat is bijgevoegd bij de informatie van Vluchtelingenwerk Nederland – niet aannemelijk is dat de identiteitscontrole bij terugkeer tot problemen zal leiden. De voorzieningenrechter is gelet daarop van oordeel dat het risico dat zijn littekens bij een controle zouden kunnen worden ontdekt, klein is. Uit de jurisprudentie van het EHRM volgt voorts niet dat het aanvragen van asiel in het buitenland een risicofactor oplevert. Gelet op de hiervoor genoemde punten, in samenhang bezien, bestaat er geen reëel risico dat verzoeker bij terugkeer in Sri Lanka zal worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Verzoekers beroep op dit artikel slaagt dan ook niet.

8. In geding is voorts of verweerder terecht heeft geoordeeld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Verzoeker doet een beroep op het traumatabeleid in verband met het seksueel misbruik in 2009 en de psychische klachten die hij hieraan heeft overgehouden. De voorzieningenrechter is van oordeel gelet op het tijdsverloop sinds deze gebeurtenis en het toepasselijke beleid in paragraaf C2/4.2.2 van de Vc 2000 niet aannemelijk is deze de aanleiding is geweest voor vertrek uit Sri Lanka. Uit de verklaringen van verzoeker blijkt ook niet dat deze gebeurtenis de aanleiding voor zijn vertrek is geweest. Daarom heeft verweerder terecht geoordeeld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een vergunning op grond van het traumatabeleid.

9. De conclusie is dat verweerder terecht de aanvraag van verzoeker om hem een asielvergunning te verlenen heeft afgewezen.

10.1 Verzoeker heeft voorts het inreisverbod betwist. Naar de mening van verzoeker heeft verweerder ten onrechte geoordeeld dat er een risico bestaat dat hij zich zal onttrekken aan zijn uitzetting. In dat verband heeft verzoeker gemotiveerd de gronden bestreden die verweerder aan zijn standpunt dat er wel een dergelijk risico bestaat ten grondslag heeft gelegd.

10.2 Op grond van artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000 dient de vreemdeling, nadat tegen hem een terugkeerbesluit is uitgevaardigd dan wel, indien het een gemeenschapsonderdaan betreft, nadat het rechtmatig verblijf van de vreemdeling is geëindigd, hij Nederland uit eigen beweging binnen vier weken te verlaten.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder a, van artikel 62 kan verweerder de voor een vreemdeling geldende termijn, bedoeld in het eerste lid, verkorten, dan wel, in afwijking van het eerste lid, bepalen dat een vreemdeling Nederland onmiddellijk moet verlaten, indien een risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken;

Op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 vaardigt verweerder een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten op grond van artikel 62, tweede lid.

Op grond van het tweede lid van dit artikel kan verweerder een inreisverbod uitvaardigen tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is en die Nederland niet onmiddellijk moet verlaten

10.3 De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker gemotiveerd betwist dat er een risico op onderduiken bestaat en dat hem daarom geen inreisverbod had mogen worden opgelegd. Gelet op het wettelijk kader, zoals vermeld onder overweging 10.2, vult de voorzieningenrechter met toepassing van artikel 8:69 tweede lid, van de Awb de rechtsgronden aan in die zin dat verzoeker hiermee betoogt dat verweerder ten onrechte met toepassing van artikel 62, tweede lid, onder a, van de Vw de termijn voor terugkeer heeft bekort en dat verweerder daarom ook niet verplicht was om op grond van artikel 66a, eerste lid, van de Vw 2000 een inreisverbod op te leggen.

10.4 Verweerder heeft de volgende gronden ten grondslag gelegd aan zijn standpunt dat aan verzoeker geen vertrektermijn dient te worden gegund:

- verzoeker werkt niet dan wel onvoldoende mee aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

- verzoeker heeft zich zonder noodzaak ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten;

- verzoeker heeft geen vaste woon- of verblijfplaats;

- verzoeker beschikt over onvoldoende middelen van bestaan.

10.5 De voorzieningenrechter is, onder verwijzing naar de overwegingen 4.2 en 4.5, van oordeel dat verweerder niet aan verzoeker kan tegenwerpen dat hij onvoldoende meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit en dat hij zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten. Met verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat in het geval van een vreemdeling die asiel aanvraagt niet zonder nadere motivering kan worden tegengeworpen dat deze niet beschikt over een vaste woon- of verblijfplaats en over voldoende middelen van bestaan. Ter zitting heeft verweerder erkend dat dit niet de dragende gronden zijn. Verweerder heeft op deze punten ook geen nadere motivering verschaft, op grond waarvan kan worden geoordeeld dat het risico bestaat dat verzoeker zal onderduiken. Gelet hierop kan het standpunt van verweerder dat aan verzoeker geen vertrektermijn dient te worden gegund, niet worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Daaruit volgt dat ook het standpunt dat aan verzoeker een inreisverbod dient te worden opgelegd, niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering.

11. Uit het voorgaande volgt dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling. De voorzieningenrechter beslist dan ook met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op dat beroep. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond voor zover het ziet op het niet verlenen van een vertrektermijn en het opleggen van een inreisverbod en vernietigt in zoverre het bestreden besluit wegens schending van artikel 3:46 van de Awb. Verweerder dient binnen vier weken een nieuw besluit te nemen. Dat brengt mee dat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening wegens gebrek aan belang afwijst. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb om een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat verzoeker niet mag worden uitgezet tot twee weken nadat verweerder een nieuw besluit heeft genomen.

12. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1311,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,--.

13. Omdat aan eiser een toevoeging is verleend op grond van de Wet op de rechtsbijstand moet verweerder op grond van artikel 8:75, tweede lid, van de Awb het bedrag van de proceskosten betalen aan de griffier.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep geregistreerd onder de nummers AWB 12/4743 en AWB 12/4738:

14. Verzoeker heeft afzonderlijk beroep ingesteld tegen het inreisverbod en tevens een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Nu de voorzieningenrechter in de zaken geregistreerd onder AWB 12/4741 en AWB 12/4740 al heeft beslist op het beroep tegen het inreisverbod en niet twee keer tegen hetzelfde besluit beroep kan worden ingesteld, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

15. Uit het voorgaande volgt dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling. De voorzieningenrechter beslist dan ook met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op dat beroep. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat brengt mee dat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening wegens gebrek aan belang afwijst.

16. Voor een veroordeling van een van de partijen in de proceskosten van de andere partij bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 12/4741,

- ver¬klaart het beroep gegrond voor zover het is gericht tegen het niet verlenen van een vertrektermijn en het opleggen van een inreisverbod;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover het ziet op het niet verlenen van een vertrektermijn en het opleggen van een inreisverbod;

- draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

- verbiedt verweerder om verzoeker uit Nederland te (doen) verwijderen tot twee weken nadat verweerder een nieuw besluit heeft genomen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1311,-- (zegge: dertienhonderdelf euro), te betalen aan de griffier;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 12/4738,

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

in de zaken geregistreerd onder nummers: AWB 12/4740 en AWB 12/4743,

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.E. van Diepen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: LvD

Coll.: YHK

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.