Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW1265

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-03-2012
Datum publicatie
10-04-2012
Zaaknummer
AWB 12/4372, AWB 12/4375, AWB 12/4371, AWB 12/4374
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2013:974, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AA, meeromvattende beschikking, eerder inreisverbod gegeven met een andere termijn dan welke is gekoppeld aan het inreisverbod in de bestreden beschikking, beroep gegrond.

Separaat beroep tegen de bestreden beschikking voor zover dit het inreisverbod betreft, niet-ontvankelijk verklaard.

Separaat beroep tegen het inreisverbod:

De voorzieningenrechter stelt vast dat het inreisverbod op grond van artikel 45, achtste lid, van de Vw 2000 onderdeel uitmaakt van de meeromvattende (bestreden) beschikking. Tegen deze beschikking is beroep ingesteld onder nummer AWB 12/4371, in welk beroep ook gronden zijn aangevoerd tegen het inreisverbod. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het beroep onder nummer AWB 12/4374 niet ontvankelijk is.

Beroep tegen de meeromvattende beschikking voor zover dit het inreisverbod betreft:

De voorzieningenrechter acht van belang dat bij een eerder besluit een inreisverbod voor de duur van één jaar is opgelegd. In het bestreden besluit is daarentegen een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Dit betekent dat het tweede inreis¬verbod een ander rechtsgevolg heeft dan het eerste inreisverbod. Gelet daarop acht de voorzieningenrechter het beroep, ook voor zover zich dat richt tegen het inreisverbod, ontvankelijk.

In het bestreden besluit zijn zes omstandigheden zijn aangekruist op grond waarvan kan worden aangenomen dat het risico bestaat dat verzoeker zich aan het toezicht zal onttrekken. Vanwege die omstandigheden is aan verzoeker geen termijn voor vrijwillig vertrek verleend en is een inreisverbod opgelegd voor de duur van één jaar. In het voornemen, dat deel uitmaakt van het bestreden besluit, is daarentegen op grond van slechts drie van die omstandigheden en één andere omstandigheid overwogen dat een inreisverbod van twee jaar moet worden opgelegd.

Verweerder heeft aldus onvoldoende gemotiveerd waarom een inreisverbod met een twee keer zo lange duur wordt opgelegd, terwijl daaraan minder omstandigheden ten grond¬slag liggen dan in het eerdere terugkeerbesluit. Dit klemt te meer, nu de termijn van twee jaar volgens artikel 6.5a, eerste lid, van het Vb 2000 de maximale termijn is en verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter inzichtelijk dient te maken waarom, met afweging van de individuele omstandigheden, de maximale termijn wordt opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Zittinghoudende te Amsterdam

zaaknummers: AWB 12/4372 (voorlopige voorziening, asielprocedure)

AWB 12/4375 (voorlopige voorziening, inreisverbod)

AWB 12/4371 (bodemzaak, asielprocedure)

AWB 12/4374 (bodemzaak, inreisverbod)

V-nr: [V-nr]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaken tussen:

[verzoeker],

geboren op [1986], van Indiase nationaliteit, verzoeker,

gemachtigde: mr. M. Woudwijk, advocaat te Amsterdam,

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel,

verweerder,

gemachtigde: mr. M.D. Gunster, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2012 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingen¬wet (Vw) 2000 afgewezen.

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij beroepschrift van 8 februari 2012 beroep ingesteld bij de rechtbank. Hierbij heeft verzoeker tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 maart 2012. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. M. Spapens, kantoorgenoot zijn gemachtigde. Verweerder is vertegen¬woordigd door zijn voornoemde gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig R.B. Raj, tolk in de taal Punjabi.

De voorzieningenrechter heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde verweerder in staat te stellen nadere informatie over te leggen. Verweerder heeft aan dit verzoek voldaan bij faxbericht van 5 maart 2012. Verzoeker heeft hierop gereageerd bij faxbericht van 6 maart 2012. Beide partijen hebben in hun schrijven vermeld dat een nadere behandeling ter zitting niet noodzakelijk wordt geacht. De voorzieningenrechter heeft hierop het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker enerzijds heeft verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening (geregistreerd onder nummer AWB 12/4372) hangende het beroep (geregistreerd onder nummer AWB 12/4371) tegen de beschikking van 8 februari 2012 voor zover deze beschikking een beslissing op de asielaanvraag omvat.

Anderzijds heeft verzoeker verzocht tot het treffen van een voorlopige voorziening (geregistreerd onder nummer AWB 12/4375) hangende het separate beroep (geregistreerd onder nummer AWB 12/4374) tegen de beschikking van 8 februari 2012 voor zover deze beschikking een inreisverbod omvat.

1.2 Aan de orde is de vraag of er aanleiding bestaat de gevraagde voorziening te treffen. Een dergelijke voorziening kan op grond van artikel 8:81 van de Awb worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.3 Op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft de voor¬zieningenrechter na behandeling ter zitting van het verzoek om een voorlopige voorziening de bevoegdheid om, indien hij van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak. Partijen zijn op deze bevoegdheid gewezen.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep geregistreerd onder de nummers AWB 12/4374 en AWB 12/4375:

2.1 De voorzieningenrechter stelt vast dat het inreisverbod op grond van artikel 45, achtste lid, van de Vw 2000 onderdeel uitmaakt van de meeromvattende beschikking van 8 februari 2012. Tegen deze beschikking is beroep ingesteld onder nummer AWB 12/4371, in welk beroep ook gronden zijn aangevoerd tegen het inreisverbod. Dit betekent naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat het beroep onder nummer AWB 12/4374 niet ontvankelijk is.

2.2 Uit het voorgaande volgt dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bij¬dragen aan beoordeling van de hoofdzaak. De voorzieningenrechter beslist dan ook met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op dat beroep. Het beroep is niet ontvankelijk. Dat brengt mee dat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afwijst.

2.3 Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening en het beroep geregistreerd onder de nummers AWB 12/4371 en AWB 12/4372:

3.1 De voorzieningenrechter acht een spoedeisend belang aan de zijde van verzoeker aanwezig omdat verzoekers asielaanvraag in de algemene asielprocedure is afgewezen en verzoeker na bekendmaking van het bestreden besluit van 8 februari 2012 niet langer recht¬matig in Nederland verblijft.

3.2 Vervolgens dient de voorzieningenrechter de vraag te beantwoorden of het onder¬liggende beroep een redelijke kans van slagen heeft.

4.1 Verzoeker voert ten eerste aan dat verweerders onzorgvuldig heeft gehandeld door onvoldoende rekening te houden met het advies van MediFirst van 31 januari 2012. In dit advies staat dat verzoeker merkbaar zeer weinig scholing heeft gehad en wordt geadviseerd om hiermee rekening te houden door de vragen eenvoudig te stellen en regelmatig na te vragen of verzoeker de vragen begrijpt.

4.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het advies van MediFirst niet volgt dat verzoeker niet consistent of coherent zou kunnen verklaren. Volgens verweerder is tijdens de gehoren voldoende rekening gehouden met verzoekers beperkte scholing.

4.3 De voorzieningenrechter leest in de rapporten van het eerste en het nader gehoor dat beide keren aan verzoeker kenbaar is gemaakt dat hij kon vragen om een pauze als hij daar behoefte aan had. In beide gehoren is een pauze ingelast. Voorafgaand aan en na afloop van de gehoren is aan verzoeker gevraagd of hij de tolk goed kon verstaan en of hij de vragen goed had begrepen. Verzoeker heeft hierop steeds bevestigend geantwoord. Verzoeker heeft aan het einde van beide gehoren op de vraag of hij op- of aanmerkingen had over het verloop van het gehoor geantwoord dat het prima was.

4.4 In het tweede gehoor is verzoeker bovendien gevraagd of er medische redenen waren waarom het gehoor niet zou kunnen plaatsvinden. Verzoeker heeft hierop ontkennend geant¬woord. Tijdens dat gehoor zijn enkele vragen herhaald. In het rapport van dit gehoor staat dat de tolk heeft aangegeven dat verzoeker soms warrig sprak. Verzoeker heeft verklaard dat dit kwam omdat hij vast zat. Op de vraag of dit verzoeker belemmerde in het vertellen van zijn relaas heeft hij geantwoord dat hij door kon gaan met het gehoor.

4.5 Ter zitting heeft verzoeker – ook na doorvragen op dit onderwerp – verklaard dat hij alles, ook bij de gehoren, goed heeft begrepen.

4.6 Gelet op de hiervoor genoemde inhoud van de rapporten van de gehoren, het feit dat er geen medische reden is geconstateerd waarom verzoeker niet goed zou kunnen verklaren en gelet op verzoekers verklaringen ter zitting, is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder bij het horen onzorgvuldig heeft gehandeld.

5.1 Verweerder heeft verzoekers asielaanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, gelezen in samenhang met het tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Verweerder werpt in dat kader aan verzoeker tegen dat hij geen documenten ter staving van zijn identiteit, nationaliteit, reisroute en asielrelaas heeft overgelegd.

5.2 Het is niet in geschil dat verzoeker geen documenten ter staving van zijn identiteit en nationaliteit heeft overgelegd. Verzoeker stelt echter dat dit niet toerekenbaar is, omdat hij plausibele verklaringen heeft gegeven voor het ontbreken van deze documenten. Zo heeft verzoeker onder andere ten aanzien van zijn paspoort verklaard dat hij dit heeft weggegooid omdat hij bang was te worden terug¬gestuurd. Verzoeker wist daarnaast niet dat het paspoort zo belangrijk was.

5.3 Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Op grond van het tweede lid, aanhef en onder f, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

5.4 Indien artikel 31, tweede lid, onder f, van de Vw 2000 kan worden tegengeworpen, zal volgens paragraaf C14/2.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 van verzoekers verklaringen een positieve overtuigingskracht moeten uitgaan om de daarin gestelde feiten en omstandigheden alsnog geloofwaardig te achten.

5.5 De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat verzoeker, gelet op diens verklaringen zoals vermeld in overweging 5.2, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat in elk geval het ontbreken van zijn paspoort niet aan hem kan worden toegerekend. Alleen daarom al is het ontbreken van identiteits- en nationaliteitspapieren aan verzoeker toe te rekenen, zodat van zijn asielrelaas een positieve overtuigingskracht moet uitgaan. Hetgeen overigens in dit kader is aangevoerd, behoeft daarom geen verdere bespreking.

6.1 Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bijvoorbeeld de uitspraak van 11 december 2009 (LJN: BK8672), gaat van het asiel¬relaas een positieve overtuigingskracht uit als in het relaas geen hiaten, vaagheden en ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen.

6.2 Verzoeker heeft aan zijn asielaanvraag het relaas ten grondslag gelegd dat hij propa¬gandawerkzaamheden verrichtte voor de Congress Party. In deze hoedanigheid is verzoeker betrokken geraakt bij een vechtpartij met leden van een andere politieke partij. Bij deze vechtpartij is verzoeker slaags geraakt met een jongen genaamd [naam]. Ten gevolge van deze vechtpartij werd verzoeker door [naam] bedreigd.

6.3 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het relaas van verzoeker positieve overtuigingskracht ontbeert, omdat hij vage, summiere en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft verzoeker slechts in vage en summiere bewoordingen verklaard over de vechtpartij en over de bedreigingen die hij daarna zou hebben ontvangen. Ook heeft hij geen bescherming gezocht bij de autoriteiten, terwijl de Congress Party in India aan de macht is. Bovendien hebben zijn vrienden, die ook bij de ruzie betrokken waren geweest, wel aangifte gedaan en de ruzie daarna bijgelegd.

6.4 Ook heeft verzoeker tegenstrijdig verklaard over de redenen van zijn vertrek. In het nader gehoor heeft hij verklaard te zijn vertrokken vanwege zijn activiteiten voor de Congress Party, zijn betrokkenheid bij de vechtpartij en de bedreigingen door [naam]. In het vertrekgesprek van 27 januari 2012 heeft hij echter eerst verklaard dat hij vanuit India via Polen naar Nederland is gereisd omdat hij ruzie had met zijn neven. Daarna heeft hij verklaard dat zijn neef in Italië hem heeft laten overkomen om bij hem te werken, dat hij ruzie met hem heeft gekregen en dat hij daarna naar Nederland is gekomen.

6.5 Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat van het asielrelaas geen positieve overtuigingskracht uitgaat en dat het relaas dus niet geloofwaardig is.

6.6 De voorzieningenrechter concludeert dan ook dat verweerder in redelijkheid de aanvraag van verzoeker tot verlening van een asielvergunning heeft kunnen afwijzen.

7.1 Ten slotte voert verzoeker aan dat verweerder bij het opleggen van het inreisverbod onvoldoende heeft gemotiveerd waarom dit voor de duur van twee jaar is opgelegd.

7.2 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep, voor zover dat is gericht tegen het inreisverbod, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Aan verzoeker is immers al op 24 januari 2012 een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd. Dat betekent dat het inreisverbod in het bestreden besluit onverplicht is genomen.

7.3 De voorzieningenrechter acht van belang dat bij het besluit van 24 januari 2012 een inreisverbod voor de duur van één jaar is opgelegd. In het bestreden besluit is daarentegen een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Dit betekent dat het tweede inreis¬verbod een ander rechtsgevolg heeft dan het eerste inreisverbod van 24 januari 2012. Gelet daarop acht de voorzieningenrechter het beroep, ook voor zover zich dat richt tegen het inreisverbod, ontvankelijk.

7.4 De voorzieningenrechter constateert dat in het besluit van 24 januari 2012 zes omstandigheden zijn aangekruist op grond waarvan kan worden aangenomen dat het risico bestaat dat verzoeker zich aan het toezicht zal onttrekken. Vanwege die omstandigheden is aan verzoeker geen termijn voor vrijwillig vertrek verleend en is een inreisverbod opgelegd voor de duur van één jaar. In het voornemen van 6 februari 2012, dat deel uitmaakt van het bestreden besluit, is daarentegen op grond van slechts drie van die omstandigheden en één andere omstandigheid over¬wogen dat een inreisverbod van twee jaar moet worden opgelegd.

7.5 Verweerder heeft aldus onvoldoende gemotiveerd waarom een inreisverbod met een twee keer zo lange duur wordt opgelegd, terwijl daaraan minder omstandigheden ten grond¬slag liggen dan in het besluit van 24 januari 2012. Dit klemt te meer, nu de termijn van twee jaar volgens artikel 6.5a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 de maximale termijn is en verweerder naar het oordeel van de voorzieningenrechter inzichtelijk dient te maken waarom, met afweging van de individuele omstandigheden, de maximale termijn wordt opgelegd.

7.6 Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bestreden besluit ten aanzien van het inreisverbod onvoldoende is gemotiveerd.

8. Uit het voorgaande volgt tevens dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak en dat deze slechts in gegrondverklaring van het beroep kan eindigen. De voorzieningenrechter beslist dan ook met toepassing van artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk op dat beroep. Het beroep is gegrond. De voorzieningen¬rechter vernietigt het bestreden besluit, voor zover het ziet op het inreisverbod, wegens schending van artikel 3:46 van de Awb. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De voorzieningenrechter stelt hiervoor een termijn van zes weken. Dat brengt mee dat de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voor¬ziening wegens gebrek aan belang afwijst.

9. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proces¬kosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1311,-- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,-- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 12/4371,

- ver¬klaart het beroep gegrond voor zover dit ziet op het inreisverbod;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover het ziet op het inreisverbod;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 12/4374,

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;

in de zaken geregistreerd onder nummers AWB 12/4372 en AWB 12/4375,

- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af;

in de zaken geregistreerd onder nummers: AWB 12/4371 en AWB 12/4372,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 1311,-- (zegge: dertienhonderd en elf euro), te betalen aan verzoeker;

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.G. Sijbrands, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: AS

Coll.: KvL

D: B

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.