Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW1242

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
06-04-2012
Zaaknummer
09-920302-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafzaak. De verdachte heeft samen met anderen meegedaan aan een opstand die van tevoren was gepland op de groep in de jeugdgevangenis Teylingereind waar zij gedetineerd verbleven, welke opstand losbarstte in een eruptie van geweldshandelingen tegen goederen. Nadat de groepsleiding was gevlucht en de toegangsdeuren waren gebarricadeerd door de verdachten, zijn zij volledig losgeslagen tekeer gegaan en hebben zij ongeveer alles wat zich aan materiaal in de groepsruimte bevond vernield. Gelet op de ernst van het feit en de gevolgen daarvan acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf van onvoorwaardelijke jeugddetentie passend en geboden. Het opleggen van een straf met preventieve werking heeft naar het oordeel van de rechtbank geen meerwaarde, nu de verdachte vermoedelijk niet meer naar Nederland zal terugkeren. Jeugddetentie voor de duur van 4 maanden, met aftrek. Zie ook LJ-nummers: BW1054, BW1145 en BW1242 (medeverdachten).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/920302-11

Datum uitspraak 5 april 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte G],

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

feitelijk verblijvende te [adres]

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen met gesloten deuren van 29 december 2011, 20 maart 2012 en 22 maart 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. Sanders en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. R. Heemskerk, advocaat te 's-Gravenhage naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Hij op of omstreeks 03 oktober 2011 in de (recreatie)ruimte van groep [groep] van Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim, gemeente Teylingen, met een ander of anderen, onverholen en op een voor toen en aldaar aanwezige medewerkers van dit Forensisch Centrum en/of politiefunctionarissen, althans derden/publiek, waarneembare plaats, aldus openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen en/of personen, welk geweld bestond uit:

* het gooien met (een) stoel(en) en/of (een) pan(nen) en/of een televisie en/of servies (telkens) al dan niet in de richting van een of meer medewerkers van dat Forensisch Centrum en/of

* het gooien en/of laten vallen van (een) computer(s) en/of computerspel(len) en/of

* het verbreken van ramen en/of inslaan van (gewapende) ruiten en/of

* het barricaderen van (een) deur(en) en/of

* het gooien van (bijtende) vloeistof(fen) en/of

* het spuiten met (een) brandslang(en) en/of (een) brandblusser(s) en/of

* het leggen van brandbare stof(fen) op (hete) kook/ovenpla(a)t(en) en/of

* het in brand steken van beddegoed, althans brandbare stoffen en/of (rond)dragen van brandende materialen en/of

* het vernielen en/of verwijderen van (een) plafondpla(a)t(en) en/of

* het verbreken van deur(en) van (een) kast(en,

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 oktober 2011 te Sassenheim, gemeente Teylingen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten (een deel van) Forensisch Centrum Teylingereind en/of enig goed, te weten (een) ruit(en) en/of (een) deur(en) en/of (een) gordijn(en) en/of (een) plafondpla(a)t(en) en/of een brandinstallatie en/of (een) brandblusser(s) en/of elektrische (huishoudelijke) apparatuur en/of meubilair en/of linnengoed en/of keukengerei en/of andere goederen, geheel of ten dele toebehorende aan Forensisch Centrum Teylingereind, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s) heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk (telkens)

* ramen te verbreken en/of (gewapende) ruiten in te slaan en/of

* (een) deur(en) te forceren en/of

* te spuiten met water uit (een) brandslang(en) en/of

* te spuiten met (een) brandblusser(s) en/of

* (een) plafondpla(a)t(en) te vernielen en/of te verwijderen en/of

* (een) deur(en) van (een) kast(en) te forceren en/of

* te gooien met (een) stoel(en) en/of (een) tafel(s) en/of (een) pan(nen) en/of (een) televisie('s) en/of servies, althans met toen en aldaar voorhanden goederen en/of

* linnengoed, althans brandbare stof(fen) in brand te steken;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

Het standpunt van de officier van justitie komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het hem primair ten laste gelegde feit, te weten openlijke geweldpleging tegen goederen. Op 3 oktober 2011 hebben de verdachte en zijn medeverdachten in drie en een half uur tijd op de leefgroep in de justitiële jeugdinrichting waar zij verbleven de boel kort en klein geslagen, waarbij de materiële schade rond de € 65.000,- bedraagt. Zo is er onder meer met meubilair gesmeten, zijn er ramen ingeslagen, is er brand gemaakt en is er met brandslangen gespoten.

Gelet op de verklaringen in het dossier is de officier van justitie de mening toegedaan dat het gaat om een ver van tevoren geplande opstand.

Hoewel het incident heeft plaatsgevonden in een besloten en derhalve niet voor een ieder toegankelijke ruimte , was het gepleegde geweld wel waarneembaar voor de werknemers van Teylingereind en de overige gedetineerden. Deze personen zijn volgens de officier van justitie aan te merken als 'publiek', waardoor het incident is aan te merken als openlijk geweld zoals bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft in dit verband gewezen op een uitspraak van het Hof Leeuwarden (LJN BU 6455) en een uitspraak van de militaire kamer Arnhem (LJN BG 3848).

Ten aanzien van de rol van de verdachte heeft de officier van justitie gesteld dat uit het dossier niet is gebleken dat de verdachte zich heeft gedistantieerd van het gepleegde geweld en heeft daarbij gewezen op diverse zich in het dossier bevindende verklaringen.

De officier van justitie heeft dan ook gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem primair en subsidiair ten laste gelegde.

Daartoe is aangevoerd dat uit de verklaringen niet van enige betrokkenheid van de verdachte is gebleken bij de hem verweten handelingen.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af. 1

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde feit

Zoals hierboven aangegeven heeft de officier van justitie geconcludeerd dat het primair ten laste gelegde, de openlijke geweldpleging, bewezen kan worden verklaard.

De advocaat van verdachte heeft hiervan vrijspraak bepleit. De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.

De openbare orde is het door artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht beschermde belang. Eén van de bestanddelen van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht is dat het geweld "openlijk" moet hebben plaatsgevonden. Volgens vaste jurisprudentie is daarvan sprake indien het geweld zich door onverholen, niet-heimelijk bedreven feiten heeft geopenbaard, zodat daardoor de openbare orde is aangerand.

Om te beginnen stelt de rechtbank vast dat Forensisch Centrum Teylingereind naar zijn aard een niet voor het publiek toegankelijke plaats is. Ook geweld dat op een niet openbare plaats is gepleegd kan evenwel onder de reikwijdte van voornoemd artikel vallen, indien het geweld voor het publiek of iemand uit het publiek waarneembaar is geweest.

De rechtbank stelt verder vast dat uit het proces-verbaal blijkt dat uitsluitend medewerkers van Teylingereind, ter plaatse gekomen politiefunctionarissen en gedetineerden getuige zijn geweest van het gepleegde geweld. De eerste vraag die in dit verband dient te worden beantwoord is of deze personen onder de definitie van publiek vallen, zoals door de officier van justitie is betoogd.

De rechtbank is van oordeel dat het antwoord op deze vraag ontkennend moet luiden, nu hiermee volgens de rechtbank (een) willekeurige derde(n) word(t)(en) bedoeld, niet zijnde personen die uit hoofde van hun functie danwel behorend tot de vaste populatie gedetineerden het geweld daadwerkelijk hebben waargenomen.

Vervolgens dient de vraag te worden gesteld of het geweld waarneembaar is geweest voor het publiek. Dit gaat over de mogelijkheid dat (een) willekeurige derde(n) het geweld zou(den) kunnen hebben waargenomen. Ook deze vraag dient naar het oordeel van de rechtbank ontkennend te worden beantwoord gezien de ligging van de locatie waar het geweld plaatsvond.

De reikwijdte van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht zou naar het oordeel van de rechtbank te ver worden opgerekt, indien daar ook onder zou vallen geweld dat is gepleegd op een zo evident niet openbare plaats als de onderhavige en welk geweld bovendien alleen zichtbaar is geweest en kon zijn voor de uit hoofde van hun functie aanwezige personen en de populatie aan gedetineerden.

Het feit dat politie en brandweer zijn gealarmeerd en maatregelen zijn getroffen die op zichzelf de openbare orde hebben geraakt maakt dit niet anders, aangezien dit niet in direct verband staat met het gepleegde geweld.

De rechtbank acht derhalve het bestanddeel "openlijk" niet bewezen en zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit

Op 3 oktober 2011 zijn de jongens van de groep "[groep]" van het Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim in opstand gekomen tegen de aanwezige groepsleiding. 2

Op die datum vond er rond 20.30 uur een gesprek plaats tussen de groepsleiders ([groepsleider X], [groepsleider Y] en [groepsleider Z]) en de groep, bestaande uit [medeverdachte B], [medeverdachte C], [medeverdachte D], [medeverdachte A], [medeverdachte E], [medeverdachte F], [verdachte], [medeverdachte H] en [medeverdachte I]. De groepsleiders deelden mee dat de groep "[groep]" gefaseerd zou worden opgeheven. Na dit gesprek gingen alle jongens naar de Playstation ruimte. De jongens spraken heel zacht en waren druk met elkaar in gesprek. De groepsleiders vertrouwden het niet en wilden naar de jongens toe lopen. Op dat moment stond de hele groep op en rende op het kantoor af. Er werd met meubilair gegooid in de richting van het kantoor. De groepsleiders die in het kantoor zaten, hebben de deur op slot gedaan. Er werd met goederen tegen de kantoorramen die van veiligheidsglas waren gegooid. Er werd door een groep met meubilair en wokpannen tegen de ramen geslagen. De rest van de groep begon de twee toegangen te barricaderen. De groep slaagde erin om een gat in een raam van de kantoorruimte te slaan en door het ontstane gat de deur van het kantoor van binnenuit te openen. De groepsleiders sloegen vervolgens alarm en verlieten het kantoor.

Vanaf de luchtplaats was onder meer het volgende te zien. De jongens spoten met brandslangen op elektrische apparaten. Een brandblusser werd leeggespoten. Er werd beddengoed op de elektrische kookplaten gelegd. Er werd rondgelopen met in brand gestoken linnengoed. Er werd met tafels en stoelen gegooid. Het plafond werd gesloopt en elektrische draden werden uit het plafond getrokken. Er werd geprobeerd om ramen te verbreken door met stoelen, tafelpoten en dergelijke tegen de ramen te slaan. Een kastje in het kantoor werd opengebroken.

Computerapparatuur en een televisie werden kapot gegooid. Uiteindelijk verlieten alle jongens na langdurig onderhandelen de groep, de laatste om 00.30 uur. 3 4

De totale materiële schade bedraagt € 61.262,31. 5 6

Namens de verdachte heeft de raadsman opgemerkt dat de verdachte niet heeft deelgenomen aan de vernielingen en derhalve geen medepleger is van het ten laste gelegde feit.

De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie is voor medeplegen vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, hetgeen inhoudt dat de daders willens en wetens samenwerken tot het verrichten van de strafbare gedraging. Het is daarvoor niet vereist dat alle medeplegers de uitvoeringshandeling(en) mede verrichten. De rechtbank neemt de volgende bewijsmiddelen in ogenschouw.

Medeverdachten [medeverdachte I] en [medeverdachte D] verklaren dat er voor die avond op 3 oktober 2011 al een plan bestond voor een opstand. 7 8

De verdachte heeft zelf ook verklaard dat hij wist dat er 'herrie zou worden geschopt en alles kapot gemaakt zou worden'. 9

Getuige [groepsleider Z] verklaart dat alle jongens naar de Playstationruimte gingen en dat daar met dichte deur veel en op zachte toon werd gesproken. Op enig moment kwam de groep in één keer naar buiten en splitste zich georganiseerd in drieën: twee groepen barricadeerden de toegangsdeuren en één groep ging naar de keuken en pakte pannen. De getuige heeft alle jongens één voor één dingen kapot zien maken. 10

Ook getuige [groepsleider Y] en medeverdachte [medeverdachte I] verklaren dat iedereen mee deed met de vernielingen. 11 12

De rechtbank stelt vast dat er sprake was van een vooropgezet plan. Namens de verdachte is betwist dat hij daarvan op de hoogte was, maar hij heeft wel meegedaan bij de uitvoering van het plan en zich daarvan niet gedistantieerd. Alles in onderlinge samenhang beziend komt de rechtbank tot het oordeel dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking en acht derhalve bewezen het medeplegen van vernielingen op de groep "[groep]" in Teylingereind

Bewijsoverweging ten aanzien van de voortgezette handeling

De rechtbank is voorts van oordeel dat het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feitencomplex moet worden opgevat als medeplegen van vernieling en/of beschadiging en/of onbruikbaar maken van enige gebouw alsook van enig goed.

Nu deze beide bewezen verklaarde feiten op dusdanige wijze met elkaar in verband staan dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling, zal de rechtbank de feiten dan ook als zodanig kwalificeren en slechts de zwaarste strafbepaling toepassen.

Bijzondere bewijsmotivering ex artikel 360 van het Wetboek van Strafvordering:

De rechtbank heeft ten aanzien van feit 1 subsidiair als bewijsmiddel onder meer de verklaringen van de getuigen [groepsleider Z] en [groepsleider Y] gebezigd. Deze getuigen zijn eveneens door de rechter-commissaris gehoord. Het gaat hier om getuigen die kennelijk zijn gehoord op de voet van artikel 190, derde lid, Wetboek van Strafvordering. De rechtbank overweegt dat er gegrond vermoeden bestaat dat de getuigen die werkzaam zijn als medewerker in een justitiële jeugdinrichting, overlast zullen ondervinden of in de uitoefening van hun beroep zullen worden belemmerd indien hun volledige personalia worden vermeld. Nu de raadsman van de verdachte tijdens de verhoren bij de rechter-commissaris de gelegenheid heeft gehad om de getuigen alle vragen te stellen die hij noodzakelijk achtte, heeft de toekenning van beperkte anonimiteit naar het oordeel van de rechtbank geen afbreuk gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

Ten aanzien van subsidiair:

hij op 03 oktober 2011 te Sassenheim, gemeente Teylingen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten (een deel van) Forensisch Centrum Teylingereind, en enige goederen, te weten ruiten en deuren en gordijnen en plafondplaten en een brandmeldinstallatie en een brandblusser en elektrische (huishoudelijke) apparatuur en meubilair en linnengoed en keukengerei en andere goederen, toebehorende aan Forensisch Centrum Teylingereind, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk (telkens)

* ramen te verbreken en (gewapende) ruiten in te slaan en

* te spuiten met water uit een brandslang en

* te spuiten met een brandblusser en

* plafondplaten te vernielen en/of te verwijderen en

* deuren van kasten te forceren en

* te gooien met stoelen en tafels en pannen en een televisie en servies en

* linnengoed in brand te steken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De straf

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 4 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - bij bewezenverklaring van het feit - verzocht aan de verdachte een straf op te leggen gelijk aan het voorarrest, aangezien hij in Frankrijk woont en niet is gebleken dat de verdachte voornemens is om weer naar Nederland terug te komen. Een voorwaardelijke straf of een straf met preventieve werking behoeft naar de mening van de raadsman dan ook niet te worden opgelegd.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de oplegging van na te melden straf in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

De verdachte heeft samen met anderen meegedaan aan een opstand die van tevoren was gepland op de groep in de jeugdgevangenis Teylingereind waar zij gedetineerd verbleven, welke opstand losbarstte in een eruptie van geweldshandelingen tegen goederen. Nadat de groepsleiding was gevlucht en de toegangsdeuren waren gebarricadeerd door de verdachten, zijn zij volledig losgeslagen tekeer gegaan en hebben zij ongeveer alles wat zich aan materiaal in de groepsruimte bevond vernield. De verdachte en zijn mededaders hebben hierdoor niet alleen enorme schade berokkend, maar ook laten zien dat zij totaal geen respect hebben voor de gezagsdragers en hun autoriteit. Door aldus te handelen heeft de verdachte het gezag ondermijnd. De gevolgen van het handelen van de verdachten waren ook aanzienlijk; politie en brandweer zijn ingezet, aangezien aan het begin van de opstand de motieven van de verdachten onduidelijk waren. Zelfs de nabijgelegen snelweg is enige tijd afgesloten, omdat gedacht werd aan een uitbraak. Hierdoor zijn niet alleen het aanwezige personeel en de overige gedetineerden geconfronteerd met het geweld, maar heeft dit ook overlast bezorgd aan de omwonenden van de jeugdgevangenis.

De rechtbank rekent het de verdachte en zijn mededaders zwaar aan dat de opstand, wat de motieven en de achtergronden daar ook van waren, op dergelijke wijze is verlopen.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het uittreksel Justitiële Documentatie, kort voor de opstand is veroordeeld voor het gebruik maken van een vals identiteitsbewijs, voor welk feit hij gedetineerd is geraakt in Teylingereind.

De verdachte, die woonachtig is in Frankrijk, is destijds geschorst onder de bijzondere voorwaarde dat hij ter terechtzitting voor de behandeling van zijn zaak zou verschijnen.

De verdachte heeft er voor gekozen om - om hem moverende redenen - niet te verschijnen en de rechtbank heeft ter terechtzitting dan ook opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bevolen.

Gelet op de ernst van het feit en de gevolgen daarvan acht de rechtbank de door de officier van justitie gevorderde straf van onvoorwaardelijke jeugddetentie passend en geboden.

Het opleggen van een straf met preventieve werking heeft naar het oordeel van de rechtbank geen meerwaarde, nu de verdachte vermoedelijk niet meer naar Nederland zal terugkeren.

7. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

47, 56, 77a, 77g, 77h, 77i, 77gg en 352 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding onder primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij dagvaarding onder subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

ten aanzien van subsidiair

VOORTGEZETTE HANDELING VAN:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK EN WEDERRECHTELIJK ENIG GEBOUW DAT GEHEEL OF TEN DELE AAN EEN ANDER TOEBEHOORT, VERNIELEN EN/OF BESCHADIGEN EN/OF ONBRUIKBAAR MAKEN;

EN

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK EN WEDERRECHTELIJK ENIG GOED DAT GEHEEL OF TEN DELE AAN EEN ANDER TOEBEHOORT, VERNIELEN EN/OF BESCHADIGEN EN/OF ONBRUIKBAAR MAKEN, MEERMALEN GEPLEEGD;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 4 MAANDEN;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.C. U-A-Sai, kinderrechter, voorzitter,

mr. J.A. van Steen, kinderrechter,

en mr. H. Dragtsma, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van R. van Ast-Natadiningrat, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 april 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met de nummers 2011 150358 (p. 1-271), 2011 150358A (p. 272-308), 2011 150358B (p. 309-486) en 2011 150358C (p. 487-95)

2 Proces-verbaal aangifte [aangever], p. 38-41

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [groepsleider Z], p. 132-136

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [groepsleider Y], p. 137-141

5 Relaas proces-verbaal, p. 315

6 Schadebijlage, p. 325-326

7 Proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte I] bij de rechter-commissaris d.d. 8 maart 2012, punt 5

8 Proces-verbaal verhoor inbewaringstelling [medeverdachte D] d.d. 14 oktober 2011, punt 3

9 Proces-verbaal verhoor inbewaringstelling verdachte [verdachte] d.d. 14 oktober 2011, punt 2

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [groepsleider Z] bij de rechter-commissaris d.d. 13 februari 2012, punten 8, 9 en 12

11 Proces-verbaal van verhoor getuige [groepsleider Y] bij de rechter-commissaris d.d. 15 maart 2012, punt 6

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte I] bij de rechter-commissaris d.d. 8 maart 2012, punt 8