Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW1211

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
06-04-2012
Zaaknummer
09/920308-11; 09/920270-11 (t.b.g.); 09/930258-11 (t.b.g.)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Jeugdstrafzaak. De verdachte heeft samen met anderen meegedaan aan een van tevoren geplande opstand op de groep in de jeugdgevangenis Teylingereind waar zij gedetineerd verbleven, welke opstand losbarstte in een eruptie van geweldshandelingen tegen goederen. De verdachte heeft voorts zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging, waarbij het door de verdachte gebruikte geweld zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft. De verdachte is samen met zijn medeverdachten richting het slachtoffer gelopen, waarna de verdachte met gebalde vuist en met grote kracht het slachtoffer heeft geslagen. Het gebruikte geweld is excessief geweest en het slachtoffer ondervindt nog steeds geestelijke en lichamelijke beperkingen van het gebeurde. Alles overwegende is de rechtbank allereerst van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf gelijk aan de duur van het voorarrest van de verdachte een passende reactie vormt. De rechtbank is voorts, gelet op de adviezen van de gedragsdeskundigen en de Raad voor de Kinderbescherming van oordeel dat, gezien de ernst van met name het delict dat zwaar lichamelijk letsel tot gevolg had en het grote gevaar voor recidive, de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist en dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte. De rechtbank zal de maatregel voorwaardelijk opleggen, teneinde de verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden en zijn behandeling te waarborgen, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door Bureau Jeugdzorg, ook als dit gedurende de eerste zes maanden begeleiding door ITB Harde Kern inhoudt alsook het volgen van een (dag)behandeling bij het Palmhuis. Zie ook LJ-nummers: BW1054, BW1145 en BW1242 (medeverdachten).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummer 09/920308-11; 09/920270-11 (t.b.g.); 09/930258-11 (t.b.g.)

Datum uitspraak: 5 april 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte F],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

adres: [adres].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 29 december 2011 en 22 maart 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. Sanders en van hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte mr. W.G. Nieman, advocaat te Leiden, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 03 oktober 2011 in de (recreatie)ruimte van groep [groep] van Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim, gemeente Teylingen, met een ander of anderen, onverholen en op een

voor toen en aldaar aanwezige medewerkers van dit Forensisch Centrum en/of politiefunctionarissen,

althans derden/publiek, waarneembare plaats, aldus openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd

tegen goederen en/of personen, welk geweld bestond uit:

- het gooien met (een) stoel(en) en/of (een) pan(nen) en/of een televisie en/of servies (telkens) al dan

niet in de richting van een of meer medewerkers van dat Forensisch Centrum en/of

- het gooien en/of laten vallen van (een) computer(s) en/of computerspel(len) en/of

- het verbreken van ramen en/of inslaan van (gewapende) ruiten en/of

- het barricaderen van (een) deur(en) en/of

- het gooien van (bijtende) vloeistof(fen) en/of

- het spuiten met (een) brandslang(en) en/of (een) brandblusser(s) en/of

- het leggen van brandbare stof(fen) op (hete) kook/ovenpla(a)t(en) en/of

- het in brand steken van beddegoed, althans brandbare stoffen en/of (rond)dragen van brandende

materialen en/of

- het vernielen en/of verwijderen van (een) plafondpla(a)t(en) en/of

- het verbreken van deur(en) van (een) kast(en,

tengevolge waarvan hij opzettelijk (een of meer) ruit(en) heeft vernield;

art 141 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 oktober 2011 te Sassenheim, gemeente Teylingen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten (een deel van) Forensisch Centrum Teylingereind en/of enig goed, te weten (een) ruit(en) en/of (een)

deur(en) en/of (een) gordijn(en) en/of (een) plafondpla(a)t(en) en/of een brandinstallatie en/of (een) brandblusser(s) en/of elektrische (huishoudelijke) apparatuur en/of meubilair en/of linnengoed en/of keukengerei en/of andere goederen, geheel of ten dele toebehorende aan Forensisch Centrum

Teylingereind, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en/of zijn mededader(s)

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk (telkens)

- ramen te verbreken en/of (gewapende) ruiten in te slaan en/of

- (een) deur(en) te forceren en/of

- te spuiten met water uit (een) brandslang(en) en/of

- te spuiten met (een) brandblusser(s) en/of- (een) plafondpla(a)t(en) te vernielen en/of te verwijderen

en/of

- (een) deur(en) van (een) kast(en) te forceren en/of

- te gooien met (een) stoel(en) en/of (een) tafel(s) en/of (een) pan(nen) en/of (een) televisie('s) en/of

servies, althans met toen en aldaar voorhanden goederen en/of

- linnengoed, althans brandbare stof(fen) in brand te steken;

art 350 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3.

hij op of omstreeks 03 oktober 2011 te Sassenheim, gemeente Teylingen, een medewerker van het Forenschisch Centrum Teylingereind, aangeduid als "[PIW-er]" en/of andere medewerker(s) van dit centrum, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend een dienblad en/of (een) voorwerp(en) richting die [PIW-er] gegooid en/of (een) voorwerp(en) richting die medewerkers gegooid;

art 285 lid 1 Wetboek van Strafrecht

4.

ter berechting gevoegd de zaak (het feit/de feiten) geregistreerd onder parketnummer 09/920270-11

hij op of omstreeks 03 september 2011 te 's-Gravenhage met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Jan Wapstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever U], welk geweld bestond uit het (al dan niet met een grote groep personen)

- op die [U] afrennen, althans richting die [U] lopen en/of

- roepen "we pakken hem" en/of joelen

- insluiten van die [U]/in de buurt van die [U] gaan staan en/of

- met gebalde vuist en met (grote) kracht (al dan niet met een hard voorwerp erin/eromheen) slaan

van die [U],

waarbij hij, verdachte, die [U] aldus heeft geslagen, en welk door hem gepleegd geweld zwaar

lichamelijk letsel (hersenletsel/hersenkneuzing, een bloeding in het hersenweefsel en een geheugenstoornis), althans enig lichamelijk letsel voor die [U] ten gevolge heeft gehad;

subsidiair, indien het bovenstaande niet tot een veroordeling zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 september 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten

[aangever U]), met gebalde vuist met (grote) kracht (met een hard voorwerp erin/eromheen) heeft geslagen, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (hersenletsel/hersenkneuzing, een bloeding in de hersenen en/of een geheugenstoornis), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

5.

ter berechting gevoegd de zaak (het feit/de feiten) geregistreerd onder parketnummer 09/930258-11

hij op of omstreeks 20 september 2011 te Sassenheim, gemeente Teylingen, toen de aldaar dienstdoende beveiligingsfunctionaris [V], belast met de tenuitvoerlegging van een bevel tot bewaring gegeven door de rechter-commissaris te 's-Gravenhage op 9 september 2011, verdachte vast had teneinde hem over te brengen naar zijn verblijfplaats binnen Forensisch Centrum Teylingereind, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde ambtenaar, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, door

- opzettelijk gewelddadig te trekken in een richting tegengesteld aan die waarin zij de verdachte

trachtten te geleiden en/of

- (een van) bovengenoemde ambtenaren te slaan en/of slaande bewegingen te maken in de richting

van genoemde ambtena(a)r(en).

art 180 Wetboek van Strafrecht

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

Het standpunt van de officier van justitie komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 1 primair ten laste gelegde feit, te weten openlijke geweldpleging tegen goederen. Op 3 oktober 2011 hebben de verdachte en zijn medeverdachten in drie en een half uur tijd op de leefgroep in de justitiële jeugdinrichting waar zij verbleven de boel kort en klein geslagen, waarbij de materiële schade rond de € 65.000,- bedraagt. Zo is er onder meer met meubilair gesmeten, zijn er ramen ingeslagen, is er brand gemaakt en is er met brandslangen gespoten.

De officier van justitie is de mening toegedaan dat het gaat om een ver van tevoren geplande opstand, gelet op de verklaringen in het dossier.

Hoewel het incident heeft plaatsgevonden in een besloten en derhalve niet voor een ieder toegankelijke ruimte, was het gepleegde geweld wel waarneembaar voor de werknemers van Teylingereind en de overige gedetineerden.

Deze personen zijn volgens de officier van justitie aan te merken als 'publiek', waardoor het incident is aan te merken als openlijk geweld zoals bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft in dit verband gewezen op een uitspraak van het Hof Leeuwarden (LJN BU 6455) en een uitspraak van de militaire kamer Arnhem (LJN BG 3848).

Ten aanzien van de rol van de verdachte heeft de officier van justitie gesteld dat uit het dossier niet is gebleken dat de verdachte zich heeft gedistantieerd van het gepleegde geweld en heeft daarbij gewezen op diverse zich in het dossier bevindende verklaringen.

De verdenking komt er voorts op neer dat de verdachte zich op 3 oktober 2011 te Sassenheim, gemeente Teylingen, schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van een of meerdere medewerkers van deze inrichting.

Tevens heeft de verdachte zich volgens de officier van justitie op 3 september 2011 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan openlijke geweldpleging, terwijl het door de verdachte gepleegde geweld zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft. Ten slotte heeft de verdachte zich volgens de officier van justitie op 20 september 2011 schuldig gemaakt aan wederspannigheid toen hij naar Forensische Centrum Teylingereind werd overgebracht.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van feit 3 en dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte feit 1 primair, feit 4 primair en feit 5 heeft begaan.

3.2 Het standpunt van de verdediging

Het standpunt van de verdediging komt er ten aanzien van feit 1 op neer dat niet wordt betwist dat de verdachte een aantal geweldshandelingen heeft gepleegd, maar dat de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank refereert of dit een voldoende significante en wezenlijke bijdrage van de verdachte aan het gepleegde geweld is geweest.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 3 primair niet-ontvankelijk verklaring van het OM bepleit, nu de bedreiging van de PIW'er als onderdeel van openlijke geweldpleging moet worden gezien en subsidiair heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit.

Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsvrouw betoogd dat de verdachte heeft bekend aangever te hebben geslagen, doch niet met een voorwerp in zijn hand. Tevens is gesteld dat de verdediging zich refereert aan het oordeel van de rechtbank ter zake van het letsel van aangever.

Ten slotte heeft de raadsvrouw ten aanzien van feit 5 eveneens aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd, maar daarbij opgemerkt dat er mogelijk sprake is geweest van disproportioneel geweld van de zijde van de beveiliging.

3.3 De beoordeling van de tenlastelegging

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank het volgende af.

Ten aanzien van parketnummer 09/920308-11

Feit 1 primair:

Zoals hierboven aangegeven heeft de officier van justitie heeft geconcludeerd dat het onder 1 primair ten laste gelegde, de openlijke geweldpleging, bewezen kan worden verklaard.

De advocaat van verdachte heeft niet betwist dat de verdachte aan de gepleegde geweldshandelingen heeft deelgenomen, maar zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank of het aandeel van de verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage aan het gepleegde geweld is geweest.

De rechtbank overweegt daaromtrent het volgende.

De openbare orde is het door artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht beschermde belang. Eén van de bestanddelen van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht is dat het geweld "openlijk" moet hebben plaatsgevonden. Volgens vaste jurisprudentie is daarvan sprake indien het geweld zich door onverholen, niet-heimelijk bedreven feiten heeft geopenbaard, zodat daardoor de openbare orde is aangerand.

Om te beginnen stelt de rechtbank vast dat Forensisch Centrum Teylingereind naar zijn aard een niet voor het publiek toegankelijke plaats is. Ook geweld dat op een niet openbare plaats is gepleegd kan evenwel onder de reikwijdte van voornoemd artikel vallen, indien het geweld voor het publiek of iemand uit het publiek waarneembaar is geweest.

De rechtbank stelt verder vast dat uit het proces-verbaal blijkt dat uitsluitend medewerkers van Teylingereind, ter plaatse gekomen politiefunctionarissen en gedetineerden getuige zijn geweest van het gepleegde geweld. De eerste vraag die in dit verband dient te worden beantwoord is of deze personen onder de definitie van publiek vallen, zoals door de officier van justitie is betoogd.

De rechtbank is van oordeel dat het antwoord op deze vraag ontkennend moet luiden, nu hiermee volgens de rechtbank (een) willekeurige derde(n) word(t)(en) bedoeld, niet zijnde personen die uit hoofde van hun functie dan wel behorend tot de vaste populatie gedetineerden het geweld daadwerkelijk hebben waargenomen.

Vervolgens dient de vraag te worden gesteld of het geweld waarneembaar is geweest voor het publiek. Dit gaat over de mogelijkheid dat (een) willekeurige derde(n) het geweld zou(den) kunnen hebben waargenomen. Ook deze vraag dient naar het oordeel van de rechtbank ontkennend te worden beantwoord gezien de ligging van de locatie waar het geweld plaatsvond.

De reikwijdte van artikel 141 van het Wetboek van Strafrecht zou naar het oordeel van de rechtbank te ver worden opgerekt, indien daar ook onder zou vallen geweld dat is gepleegd op een zo evident niet openbare plaats als de onderhavige en welk geweld bovendien alleen zichtbaar is geweest en kon zijn voor de uit hoofde van hun functie aanwezige personen en de populatie aan gedetineerden.

Het feit dat politie en brandweer zijn gealarmeerd en er maatregelen zijn getroffen die op zichzelf de openbare orde hebben geraakt maakt dit niet anders, aangezien dit niet in direct verband staat met het gepleegde geweld.

De rechtbank acht derhalve het bestanddeel "openlijk" niet bewezen en zal de verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Feit 1 subsidiair 1

Op 3 oktober 2011 zijn de jongens van de groep "[groep]" van het Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim in opstand gekomen tegen de aanwezige groepsleiding.2

Op die datum vond er rond 20.30 uur een gesprek plaats tussen de groepsleiders ([groepsleider X], [groepsleider Y] en [groepsleider Z]) en de groep, bestaande uit [verdachte], [medeverdachte B], [medeverdachte C], [medeverdachte D], [medeverdachte A], [medeverdachte E] , [medeverdachte G], [medeverdachte H] en [medeverdachte I]. De groepsleiders deelden mee dat de groep "[groep]" gefaseerd zou worden opgeheven. Na dit gesprek gingen alle jongens naar de Playstation ruimte. De jongens spraken heel zacht en waren druk met elkaar in gesprek. De groepsleiders vertrouwden het niet en wilden naar de jongens toe lopen. Op dat moment stond de hele groep op en rende op het kantoor af. Er werd met meubilair gegooid in de richting van het kantoor.

De groepsleiders die in het kantoor zaten, hebben de deur op slot gedaan. Er werd met goederen tegen de kantoorramen die van veiligheidsglas waren gegooid. Er werd door een groep met meubilair en wokpannen tegen de ramen geslagen.

De rest van de groep begon de twee toegangen te barricaderen. De groep slaagde erin om een gat in een raam van de kantoorruimte te slaan en door het ontstane gat de deur van het kantoor van binnenuit te openen. De groepsleiders sloegen vervolgens alarm en verlieten het kantoor.

Vanaf de luchtplaats was onder meer het volgende te zien. De jongens spoten met brandslangen op elektrische apparaten. Een brandblusser werd leeggespoten. Er werd beddengoed op de elektrische kookplaten gelegd. Er werd rondgelopen met in brand gestoken linnengoed. Er werd met tafels en stoelen gegooid. Het plafond werd gesloopt en elektrische draden werden uit het plafond getrokken. Er werd geprobeerd om ramen te verbreken door met stoelen, tafelpoten en dergelijke tegen de ramen te slaan. Een kastje in het kantoor werd opengebroken. Computerapparatuur en een televisie werden kapot gegooid. Uiteindelijk verlieten alle jongens na langdurig onderhandelen de groep, de laatste om 00.30 uur. 3 4

De totale materiële schade bedraagt € 61.262,31. 5 6

De raadsvrouw heeft niet betwist dat de verdachte een aantal geweldshandelingen heeft gepleegd, maar refereert zich aan het oordeel van de rechtbank of het aandeel van de verdachte een voldoende significante en wezenlijke bijdrage van de verdachte aan het gepleegde geweld is geweest.

De verdachte heeft ter terechtzitting zelf verklaard dat hij geprobeerd heeft met de brandblusser een raam kapot te krijgen, dat hij met water uit de brandslang heeft gespoten om de brand te blussen. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij tafels en stoelen heeft verschoven om in het kantoortje te komen en aldaar zijn moeder te bellen.7

Volgens vaste jurisprudentie is voor medeplegen vereist dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking, hetgeen inhoudt dat de daders willens en wetens samenwerken tot het verrichten van de strafbare gedraging. Het is daarvoor niet vereist dat alle medeplegers de uitvoeringshandeling(en) mede verrichten. De rechtbank neemt de volgende bewijsmiddelen in ogenschouw.

Medeverdachten [medeverdachte I] en [medeverdachte D] verklaren dat er voor die avond op 3 oktober 2011 al een plan bestond voor een opstand.8 9

Medeverdachte [medeverdachte G] heeft ook verklaard dat hij wist dat er 'herrie zou worden geschopt en alles kapot gemaakt zou worden'.10

Getuige [groepsleider Z] verklaart dat alle jongens naar de Playstationruimte gingen en dat daar met dichte deur veel en op zachte toon werd gesproken. Op enig moment kwam de groep in één keer naar buiten en splitste zich georganiseerd in drieën: twee groepen barricadeerden de toegangsdeuren en één groep ging naar de keuken en pakte pannen. De getuige heeft alle jongens één voor één dingen kapot zien maken.11

Ook getuige [groepsleider Y] en medeverdachte [medeverdachte I] verklaren dat iedereen mee deed met de vernielingen.12 13

De rechtbank stelt vast dat er sprake was van een vooropgezet plan, waarvan de verdachte in elk geval vlak voor de opstand op de hoogte was. De verdachte heeft vervolgens meegedaan met de vernielingen en zich daarvan niet gedistantieerd. Alles in onderlinge samenhang beziend komt de rechtbank tot het oordeel dat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking en acht zij het medeplegen van vernielingen op de groep "[groep]" in Teylingereind bewezen.

Bewijsoverweging ten aanzien van de voortgezette handeling

De rechtbank is voorts van oordeel dat het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde feitencomplex moet worden opgevat als medeplegen van vernieling en/of beschadiging en/of onbruikbaar maken van enige gebouw alsook van enig goed. Nu deze beide bewezen verklaarde feiten op dusdanige wijze met elkaar in verband staan dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling, zal de rechtbank de feiten dan ook als zodanig kwalificeren en slechts de zwaarste strafbepaling toepassen.

Bijzondere bewijsmotivering ex artikel 360 van het Wetboek van Strafvordering

De rechtbank heeft ten aanzien van feit 1 subsidiair als bewijsmiddel onder meer de verklaringen van de getuigen [groepsleider Z] en [groepsleider Y] gebezigd. Deze getuigen zijn eveneens door de rechter-commissaris gehoord. Het gaat hier om getuigen die kennelijk zijn gehoord op de voet van artikel 190, derde lid, Wetboek van Strafvordering. De rechtbank overweegt dat er gegrond vermoeden bestaat dat de getuigen die werkzaam zijn als medewerker in een justitiële jeugdinrichting, overlast zullen ondervinden of in de uitoefening van hun beroep zullen worden belemmerd indien hun volledige personalia worden vermeld.

Nu de raadsman van de verdachte tijdens de verhoren bij de rechter-commissaris de gelegenheid heeft gehad om de getuigen alle vragen te stellen die hij noodzakelijk achtte, heeft de toekenning van beperkte anonimiteit naar het oordeel van de rechtbank geen afbreuk gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging.

Feit 3

Met de officier van justitie en de raadsvrouw, subsidiair bepleit, is de rechtbank van oordeel dat op basis van de voorhanden zijnde verklaringen onvoldoende wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte de PIW'er [PIW-er] en/of een andere PIW'er heeft bedreigd door een dienblad of een ander voorwerp naar hen te gooien. De rechtbank zal de verdachte dan ook van dit feit vrijspreken.

Ten aanzien van parketnummer 09/920270-11 (t.b.g.)14:

Feit 4 primair

Op 3 september 2011 te 13.30 uur ziet [aangever U], verder te noemen aangever, op de Jan Wapstraat te 's-Gravenhage een jongen lopen waarvan hij in zijn straat veel overlast ondervindt. Hij spreekt de jongen aan. Deze fluit op zijn vingers en een groep van ongeveer 7 jongens komt de kant van aangever op lopen. Het broertje van de jongen die fluit zit ook bij deze groep.15 De groep staat heel dichtbij en vlak voor aangever en vanuit de groep wordt geroepen "we pakken hem".16 Aangever wordt geslagen door een jongen. Deze jongen komt aanrennen, springt een beetje op en geeft met zijn volle gewicht een vuistslag tegen de zijkant van het gezicht van aangever. Aangever valt als een blok op de grond en blijft roerloos liggen.17 18

Op 9 september 2011 heeft dr. H.G.T. Nijs, forensisch arts KNMG, aangever onderzocht en, mede op basis van medische gegevens afkomstig uit het MC Haaglanden betreffende de periode 3 tot 17 september 2011, vastgesteld dat er ondermeer sprake is van kneuzingen met oppervlakkige huidbeschadigingen aan het voorhoofd rechts en het rechterjukbeen- en oog. Er zijn onderhuidse bloeduitstortingen bij het rechter- en linkeroog, de linkerkaaklijn en -hals en de rechterbovenarm gezien. Ook is er een bloeduitstorting in het oogwit rechts vastgesteld.

Geconcludeerd is dat de kneuzing aan het voorhoofd rechts/boven zeer wel bij 'coup letsel' past en de hersenkneuzing linksachter/onder aan de buitenzijde van de grote hersenen bij 'contrecoup letsel'. Het geheel aan uitwendig zichtbaar letsel en hersenletsel imponeert als te verspreid, ernstig en als ongebruikelijk met betrekking tot de plaats van de hersenkneuzing als passend bij alleen een ongecompliceerde val op het voorhoofd uit staande positie.19

Op 17 september 2011, als aangever nog steeds in het ziekenhuis ligt, verklaart aangever dat hij gericht was op de jongen die de anderen heeft geroepen door het fluiten en die voor hem stond en dat hij toen ineens vanaf de zijkant knock out werd geslagen.20

De verdachte verklaart bij de politie dat hij aangever met zijn linkervuist heeft geslagen en dat hij hem aan de linkerkant ten hoogte van zijn kaak heeft geraakt.21

Ter terechtzitting herhaalt de verdachte dat hij met zijn linker vuist de aangever aan de zijkant heeft geraakt en dat hij op dat moment recht voor aangever stond, naast zijn broertje.22 De rechtbank constateert dat het onmogelijk is met de linkervuist tegen de linkerkant van iemands gezicht te slaan wanneer deze recht voor je staat. Het kan niet anders dan dat de verdachte aangever (schuin) van achteren of opzij heeft benaderd en geslagen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat feit 4 primair bewezen kan worden verklaard.

Het bij het slachtoffer geconstateerde lichamelijke letsel is dermate fors dat thans nog onduidelijk is of volkomen genezing aan de orde zal zijn, terwijl aangever, blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring, nog steeds arbeidsongeschikt is. Alleen al gelet hierop is de rechtbank dan ook van oordeel dat het letsel van aangever als zwaar lichamelijk letsel conform het bepaalde in artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht kan worden aangemerkt.

Ten aanzien van parketnummer 09/930258-11 (t.b.g.):

Feit 5

De rechtbank is van oordeel dat feit 5 niet bewezen kan worden verklaard, aangezien Forensisch Centrum Teylingereind te Sassenheim een particuliere jeugdinrichting is die tot de Sentrop groep behoort. Het is derhalve niet te zeggen of een aldaar dienstdoende beveiligingsfunctionaris een ambtenaar is in de zin van artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht, temeer nu in het dossier geen proces-verbaal aanwezig is waarin wordt gerelateerd dat een in Forensisch Centrum Teylingereind dienstdoende beveiligingsfunctionaris als ambtenaar in de zin van voornoemd artikel moet worden aangemerkt.

3.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

1 subsidiair:

hij op 03 oktober 2011 te Sassenheim, gemeente Teylingen, tezamen en in vereniging met anderen,

opzettelijk en wederrechtelijk een gebouw, te weten een deel van Forensisch Centrum Teylingereind, en goederen, te weten ruiten en deuren en gordijnen en plafondplaten en een brandmeldinstallatie en een brandblusser en/of elektrische (huishoudelijke) apparatuur en meubilair en linnengoed en keukengerei en andere goederen, toebehorende aan Forensisch Centrum Teylingereind, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door toen en daar opzettelijk en wederrechtelijk (telkens)

- ramen te verbreken en gewapende ruiten in te slaan en

- te spuiten met water uit een brandslang en

- te spuiten met een brandblusser en

- plafondplaten te vernielen en/of te verwijderen en

- deuren van kasten te forceren en

- te gooien met stoelen en tafels en pannen en een televisie en servies en

- linnengoed in brand te steken;

4 primair:

hij op 03 september 2011 te 's-Gravenhage met anderen, op de openbare weg, de Jan Wapstraat,

openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [U], welk geweld bestond uit het

met een groep personen

- richting die [U] lopen en

- roepen "we pakken hem" en

- in de buurt van die [U] gaan staan en

- met gebalde vuist en met grote kracht slaan van die [U],

waarbij hij, verdachte, die [U] aldus heeft geslagen, en welk door hem gepleegd geweld zwaar

lichamelijk letsel (hersenletsel/hersenkneuzing, een bloeding in het hersenweefsel) voor die [U] ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De straf/maatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding onder 3 ten laste gelegde wordt vrijgesproken en dat de verdachte ter zake van het hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 primair, 4 primair en 5 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 139 dagen alsmede dat aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voorwaardelijk wordt opgelegd, met een proeftijd van twee jaar, met de bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering, ook als dit inhoudt deelnemen aan ITB Harde Kern en het volgen van een (dag)behandeling bij het Palmhuis.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat aan de verdachte de gedragsbeïnvloedende maatregel zou moeten worden opgelegd in plaats van de voorwaardelijke maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met daarnaast het opleggen van de onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest.

Subsidiair heeft de raadsvrouw het opleggen van een deels onvoorwaardelijke, deels voorwaardelijke jeugddetentie bepleit, waarbij het onvoorwaardelijke deel van de jeugddetentie gelijk aan het voorarrest moet zijn, met als bijzondere voorwaarden behandeling bij het Palmhuis en ITB Harde Kern.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

De verdachte heeft samen met anderen meegedaan aan een van tevoren geplande opstand op de groep in de jeugdgevangenis Teylingereind waar zij gedetineerd verbleven, welke opstand losbarstte in een eruptie van geweldshandelingen tegen goederen. Nadat de groepsleiding was gevlucht en de toegangsdeuren waren gebarricadeerd door de verdachten, zijn zij volledig losgeslagen tekeer gegaan en hebben ongeveer alles wat zich aan materiaal in de groepsruimte bevond vernield. De verdachte en zijn mededaders hebben hierdoor niet alleen enorme schade berokkend, maar ook laten zien dat zij totaal geen respect hebben voor de gezagsdragers en hun autoriteit. Door aldus te handelen heeft de verdachte het gezag ondermijnd. De gevolgen van het handelen van de verdachten waren ook aanzienlijk; politie en brandweer zijn ingezet, aangezien aan het begin van de opstand de motieven van de verdachten onduidelijk waren. Zelfs de nabijgelegen snelweg is enige tijd afgesloten, omdat gedacht werd aan een uitbraak. Hierdoor zijn niet alleen het aanwezige personeel en de overige gedetineerden geconfronteerd met het geweld, maar heeft dit ook overlast bezorgd aan de omwonenden van de jeugdgevangenis.

De rechtbank rekent het de verdachte en zijn mededaders zwaar aan dat de opstand, wat de motieven en de achtergronden daar ook van waren, op dergelijke wijze is verlopen.

De verdachte heeft voorts zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging, waarbij het door de verdachte gebruikte geweld zwaar lichamelijk letsel tot gevolg heeft. De verdachte is samen met zijn medeverdachten richting het slachtoffer gelopen, waarna de verdachte met gebalde vuist en met grote kracht het slachtoffer heeft geslagen. Het gebruikte geweld is excessief geweest en het slachtoffer ondervindt nog steeds geestelijke en lichamelijke beperkingen van het gebeurde, zoals ook uit de medische informatie en de schriftelijke slachtofferverklaring, die ter zitting is voorgelezen, blijkt.

Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van een dergelijk geweldsdelict zich nog gedurende langere tijd angstig en onveilig voelen. Bovendien nemen als gevolg van dit soort delicten de gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij in het algemeen toe.

De rechtbank weegt bij het bepalen van de strafmaat mee dat de verdachte nog niet eerder veroordeeld is.

De rechtbank heeft acht geslagen op het pro justitia rapport d.d. 30 december 2011 betreffende het psychiatrisch onderzoek van de verdachte, opgesteld en ondertekend door J. de Jonge, kinder- en jeugdpsychiater, en op het pro justitia rapport d.d. 8 januari 2012 betreffende het psychologisch onderzoek van de verdachte, opgesteld en ondertekend door drs. E.F. de Witt, GZ-psycholoog.

Blijkens deze rapporten is er bij de verdachte sprake van gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens op grond van een ernstige gedragsstoornis. Verder wordt zijn persoonlijkheidsontwikkeling bedreigd, met als mogelijke uitkomst een antisociale persoonlijkheidsstoornis, en is er sprake van een ouder-kind relatieprobleem.

Ten aanzien van het feit ten laste gelegd met parketnummer 09/920270-11 kan de verdachte enigszins verminderd toerekeningsvatbaar worden geacht. Aangezien de verdachte de in de zaak met parketnummer 09/920308-11 ten laste gelegde feiten ontkent, kan er geen uitspraak worden gedaan over de mate van toerekeningsvatbaarheid.

Bij de verdachte is er sprake van een verhoogd risicogevaar.

Ter preventie van recidive en ter bevordering van de ontwikkeling van de verdachte is een intensieve behandeling geïndiceerd. Ambulante dagbehandeling bij het Palmhuis is aangewezen. Naast dagbehandeling is begeleiding van ITB Harde Kern geïndiceerd opdat de verdachte ook buiten de dagbehandeling voldoende grenzen en structuur geboden krijgt.

Geadviseerd wordt de dagbehandeling en begeleiding op te leggen in het verplichte kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel. Deze stok achter de deur wordt noodzakelijk geacht om de behandeling te doen slagen.

De rechtbank neemt de conclusie ten aanzien van de mate van toerekeningsvatbaarheid en de kans op recidive uit voornoemde rapporten over en maakt deze tot de hare.

De rechtbank heeft voorts kennis genomen van enkele voorlichtingsrapporten van de Raad voor de Kinderbescherming. De rechtbank heeft met name acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 6 februari 2012.

Uit dit rapport blijkt dat de Raad het zeer zorgelijk acht dat de verdachte binnen korte tijd na zijn thuiskomst uit een gesloten instelling met de politie in aanraking is gekomen. De Raad acht het recidiverisico en de schadekansen voor de maatschappij zeer hoog als de verdachte niet de juiste behandeling geboden krijgt. De Raad onderschrijft het advies van de deskundigen dat een intensieve dagbehandeling bij het Palmhuis noodzakelijk is.

De eerste fase van de behandeling dient gecombineerd te worden met begeleiding door ITB Harde Kern en Elektronisch Toezicht.

Teneinde de behandeling te doen slagen is een flinke stok achter de deur in de vorm van een voorwaardelijke PIJ-maatregel noodzakelijk.

Geadviseerd wordt dan ook het voorwaardelijk opleggen van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door de jeugdreclassering waarvan de eerste zes maanden uitgevoerd door ITB Harde Kern, ook indien de verdachte zich onder behandeling van een bepaalde instantie of deskundige zal moeten stellen.

Blijkens de meest recente informatie d.d. 19 maart 2012 van de Stichting Bureau Jeugdzorg, afdeling jeugdreclassering/ITB Harde Kern, heeft de verdachte een goede start gemaakt na zijn schorsing, maar is er de laatste twee weken sprake van een terugval, met name ook omdat de school van het Palmhuis onder het niveau van de verdachte is en hij aldus niet gemotiveerd is om naar het Palmhuis te blijven gaan.

Aangeven is echter voorts dat het de voorkeur heeft het ITB Harde Kern traject voort te zetten, gecombineerd met de behandeling bij het Palmhuis en in de nabije toekomst ook met school en/of werk (stage).

Tijdens de behandeling ter terechtzitting van 22 maart 2012 heeft mevrouw Van Kolck, werkzaam bij Stichting Bureau Jeugdzorg afdeling jeugdreclassering/ITB Harde Kern, en gehoord als deskundige, meegedeeld dat de verdachte inderdaad erg onder zijn niveau aan het werk is op het Palmhuis en dat daarvoor een oplossing gezocht zal gaan worden. Tevens is aangegeven dat de verdachte nog veel te leren heeft en dat het Palmhuis bereid is zijn behandeling voort te zetten. Het zal echter voor een groot deel van de inzet en het gedrag van de verdachte zelf afhangen.

Namens de Raad voor de Kinderbescherming is door mevrouw Hogenboom, werkzaam als raadsonderzoeker en gehoord als deskundige ter zitting, benadrukt dat de Raad de verdachte nog een laatste kans wil geven om de behandeling in het ambulante kader te volgen en dat gelet hierop voor het voorwaardelijk opleggen van de maatregel plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is gekozen. Gelet op de problematiek van de verdachte zou, aldus aangegeven, een onvoorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen tot de mogelijkheden behoren. De gedragsbeïnvloedende maatregel daarentegen is, aldus meegedeeld, niet wenselijk omdat daar jeugddetentie tegenover staat en de behandeling van de verdachte prioriteit heeft.

Alles overwegende is de rechtbank allereerst van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf gelijk aan de duur van het voorarrest van de verdachte een passende reactie vormt.

De rechtbank is voorts, gelet op de adviezen van de gedragsdeskundigen en de Raad voor de Kinderbescherming van oordeel dat, gezien de ernst van met name het delict dat zwaar lichamelijk letsel tot gevolg had en het grote gevaar voor recidive, de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eist en dat de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte

De rechtbank zal de maatregel voorwaardelijk opleggen, teneinde de verdachte in de toekomst van strafbare gedragingen te weerhouden en zijn behandeling te waarborgen, met als bijzondere voorwaarde begeleiding door Bureau Jeugdzorg, ook als dit gedurende de eerste zes maanden begeleiding door ITB Harde Kern inhoudt alsook het volgen van een (dag)behandeling bij het Palmhuis.

7. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

Mr. T. van Mansum heeft zich als gemachtigde namens de benadeelde partij [U] gevoegd ten aanzien van feit 4 (parketnummer 09/920270-11 t.b.g.) ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 14.353,75.

7.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [U] ad € 14.353,75, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2. Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw, die de vordering pas vlak voor de zitting heeft ontvangen, heeft zich primair op het standpunt gesteld dat een dergelijke hoge vordering bij de civiele rechter thuis hoort en subsidiair heeft zij - echter zonder grondige onderbouwing vanwege de korte voorbereidingstijd - de volgende posten betwist: het eigen risico voor de zorgverzekering, de bril, de reiskosten voor de trein en de auto, medicijnen, huishoudelijke hulp, het ziekenhuisverblijf, de blouse, de telefoon en het horloge. Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade heeft de raadsvrouw betoogd deze te matigen, gelet op de jonge leeftijd van de verdachte en de omstandigheid dat hij ter zake van dit feit enigszins verminderd toerekeningsvatbaar is.

7.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post telefoon, de vordering van de benadeelde partij afwijzen, aangezien deze post geen schade betreft die rechtstreeks door de benadeelde partij is geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post huishoudelijke hulp, de vordering niet-ontvankelijk verklaren, aangezien de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat de gestelde kosten nader zouden moeten worden onderzocht. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de overige posten betreffende de materiële schade toewijzen, nu deze posten voldoende zijn onderbouwd door de benadeelde partij en zij namens verdachte niet of onvoldoende gemotiveerd zijn betwist. De rechtbank zal de post eigen risico zorgverzekering vaststellen op € 103,43, gelet op productie 1. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks deze schade heeft geleden als gevolg van het onder 4 primair bewezenverklaarde feit.

De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op voorschot als vergoeding ter zake van geleden immateriële schade, tot een bedrag van € 1.500,- naar billijkheid toewijsbaar nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 4 primair bewezenverklaarde feit.

De omvang van de post immateriële schade is namens de verdachte betwist.

De rechtbank weegt bij de beoordeling van de immateriële schade mee dat uit de bij de vordering benadeelde partij gevoegde informatie van medisch adviseur [medisch adviseur] blijkt dat de benadeelde partij in de voorgeschiedenis bekend is met hoofdpijn en duizeligheidsklachten, waarvoor hij de medicatie niet gebruikt, terwijl ook over de ziekte van Menière wordt gesproken.

Gelet op deze informatie betreffende de medische voorgeschiedenis van de benadeelde partij zal de rechtbank de vordering ter zake van het overige deel van de gestelde immateriële schade niet-ontvankelijk verklaren, aangezien behandeling van dit deel van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, omdat de gestelde kosten nader zouden moeten worden onderzocht.

De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de vordering derhalve toewijzen tot een bedrag van € 2.537,68, zijnde € 1.037,68 materiële kosten en € 1.500,- immateriële kosten.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 4 primair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € € 2.537,68, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [U].

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

36f, 47, 56, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 352 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hem bij dagvaarding onder 1 primair, 3 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte

daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het hem bij - gewijzigde - dagvaarding onder 1 subsidiair en 4 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

1 subsidiair:

VOORTGEZETTE HANDELING VAN:

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK EN WEDERRECHTELIJK ENIG GEBOUW DAT GEHEEL OF TEN DELE AAN EEN ANDER TOEBEHOORT, VERNIELEN EN/OF BESCHADIGEN EN/OF ONBRUIKBAAR MAKEN

EN

MEDEPLEGEN VAN OPZETTELIJK EN WEDERRECHTELIJK ENIG GOED DAT GEHEEL OF TEN DELE AAN EEN ANDER TOEBEHOORT, VERNIELEN EN/OF BESCHADIGEN EN/OF ONBRUIKBAAR MAKEN,

MEERMALEN GEPLEEGD

4 primair (parketnummer 09.920270-11 t.b.g):

OPENLIJK IN VERENIGING GEWELD PLEGEN TEGEN PERSONEN, TERWIJL HET DOOR HEM GEPLEEGDE GEWELD ZWAAR LICHAMELIJK LETSEL TEN GEVOLGE HEEFT

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 139 DAGEN

bepaalt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

legt de verdachte op de maatregel van

plaatsing in een inrichting voor jeugdigen

bepaalt, dat deze maatregel niet zal worden ten uitvoer gelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit

alsmede onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

en onder de bijzondere voorwaarde:

dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften hem te geven door of namens de Stichting Bureau Jeugdzorg, zolang die instelling zulks nodig acht, ook als dit gedurende de eerste zes maanden begeleiding door ITB Harde Kern inhoudt alsook het volgen van een (dag)behandeling bij het Palmhuis;

verstrekt aan bovengenoemde instelling de opdracht om aan de veroordeelde hulp en steun te verlenen bij de naleving van de bijzondere voorwaarde krachtens het bepaalde bij artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 4 (parketnummer 09/920270-11 t.b.g.):

Wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [U], een bedrag van € 2.537,68;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

wijst de vordering voor zover het de post telefoon betreft af;

bepaalt dat de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij de vordering terzake van de post huishoudelijke hulp en het overige deel van de gestelde immateriële schade in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.537,68, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [U];

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 dagen;

bepaalt dat voldoening van de ene betalingsverplichting de andere doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.C. U-A-Sai, kinderrechter, voorzitter,

mr. J.A. van Steen, kinderrechter,

en mr. H. Dragtsma, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. de Witte, griffier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 april 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met de nummers 2011 150358 (p. 1-271), 2011 150358A (p. 272-308), 2011 150358B (p. 309-486) en 2011 150358C (p. 487-495).

2 Proces-verbaal aangifte [aangever], p. 38-41.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [groepsleider Z], p. 132-136.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [groepsleider Y], p. 137-141.

5 Relaas proces-verbaal, p. 315.

6 Schadebijlage, p. 325-326.

7 Proces-verbaal van de terechtzitting van 22 maart 2012, eigen verklaring van de verdachte.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte I] bij de rechter-commissaris d.d. 8 maart 2012, punt 5.

9 Proces-verbaal verhoor inbewaringstelling [medeverdachte D] d.d. 14 oktober 2011, punt 3.

10 Proces-verbaal verhoor inbewaringstelling verdachte [medeverdachte G] d.d. 14 oktober 2011, punt 2.

11 Proces-verbaal van verhoor getuige [groepsleider Z] bij de rechter-commissaris d.d. 13 februari 2012, punten 8, 9 en 12.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [groepsleider Y] bij de rechter-commissaris d.d. 15 maart 2012, punt 6.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [medeverdachte I] bij de rechter-commissaris d.d. 8 maart 2012, punt 8.

14 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina's betreft dit - voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met nummer PL1531 2011186348, met geleidenlijst nummers 898, 924 en 953.

15 Proces-verbaal van verhoor aangever [U], pagina 71/72.

16 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], pagina 88.

17 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], pagina 91.

18 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige], pagina 147.

19 Een geschrift, te weten een deskundigenrapport van het NFI d.d. 9 januari 2011.

20 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 september 2011, pagina 162.

21 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte], pagina 66.

22 Proces-verbaal van de terechtzitting van 22 maart 2012, eigen verklaring van de verdachte