Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW1118

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/4472 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bodemprocedure

militair ambtenarenrecht

Handhaving zuiver schadebesluit. Weigering aansprakelijkheid voor de gevolgen van het bij eiser vastgestelde maligne mesothelioom, omdat een causaal verband tussen de bij eiser ontstane gezondheidsschade en de werkzaamheden tijdens de militaire dienstplicht niet kan worden aangenomen. Blootstelling aan asbest tijdens militaire dienstplicht tijdens aanwezigheid bij onderhouds- en reparatiewerkzaamheden aan zijn vrachtwagen is niet aannemelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/4472 MAW

uitspraak van de meervoudige kamer van 4 april 2012 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [plaats],

(gemachtigde: mr. R.F. Ruers),

de minister van Defensie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.J. Wiltenburg)

Procesverloop

Bij brief van 16 mei 2011 heeft eiser beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 7 april 2011, waarbij verweerder zijn standpunt heeft gehandhaafd dat hij niet aansprakelijk is voor de gevolgen van het bij eiser vastgestelde maligne mesothelioom.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en bij brief van 10 augustus 2011 een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 18 januari 2012.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verweerder heeft de erkenning van aansprakelijkheid voor het ontstaan van mesothelioom en voor vergoeding van de daardoor ontstane schade geweigerd, omdat een causaal verband tussen de bij eiser ontstane gezondheidsschade en de werkzaamheden tijdens de militaire dienstplicht niet kan worden aangenomen.

2. Het bestreden besluit van 7 april 2011 betreft de handhaving van een zuiver schadebesluit betreffende de schade die door de ambtenaar beweerdelijk is geleden in de uitoefening van zijn dienstbetrekking. Ingevolge vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep, (CRvB 22 juni 2000, LJN: AB0072, TAR 2000, 112 en JB 2000/232), heeft de ambtenaar, voor zover zulks niet reeds voortvloeit uit de op hem van toepassing zijnde rechtspositionele voorschriften, recht op vergoeding van de schade die hij lijdt in de uitoefening van zijn werkzaamheden, tenzij het betrokken bestuursorgaan aantoont dat het zijn verplichtingen is nagekomen de werkzaamheden van de ambtenaar op zodanige wijze in te richten, alsmede voor het verrichten van die werkzaamheden zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de ambtenaar in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, of aantoont dat de schade in belangrijke mate een gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de ambtenaar.

In de bewoordingen "in de uitoefening van zijn werkzaamheden" is tot uitdrukking gebracht dat er tussen de uitoefening van de werkzaamheden en de schade oorzakelijk verband moet bestaan. Volgens vaste rechtspraak (zie CRvB 12 maart 1998, LJN: ZB8687, TAR 1998,78) acht de Raad zulk een verband eerst aanwezig indien er een voldoende mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de werkzaamheden en/of de werkomstandigheden van de betrokken ambtenaar de bij die ambtenaar aan het licht getreden ziekte daadwerkelijk hebben veroorzaakt.

3. Voor een geding als hier aan de orde betekent dit dat de betrokken (gewezen) ambtenaar die om schadevergoeding heeft verzocht voldoende feiten moet stellen - en deze zoveel mogelijk moet onderbouwen - waaruit kan worden afgeleid dat hij tijdens zijn werkzaamheden daadwerkelijk aan asbest is blootgesteld. Daarbij geldt dat de aanvrager het bestuursorgaan in ieder geval voldoende concrete aanknopingspunten moet bieden om op zinvolle wijze een onderzoek naar de beweerde blootstelling te kunnen instellen.

4. Eiser heeft van 17 juni 1963 tot 19 november 1964 zijn militaire dienstplicht vervuld. Eiser stelt dat hij tijdens zijn werkzaamheden regelmatig heeft blootgestaan aan asbest. Eiser was werkzaam als stafmedewerker. Zijn dagelijkse werkzaamheden bestonden uit het verrichten van werkzaamheden voor de hogere leden van de staf. Eiser had de beschikking over een DAF YA 328 waarmede hij personen en goederen vervoerde. Eenmaal per maand kwam eiser in de garage van de [A] kazerne te [B] om onderhouds- en reparatiewerkzaamheden te laten verrichten aan zijn vrachtwagen. In eisers directe nabijheid waren monteurs bezig met, onder meer, het vervangen van asbesthoudende remvoeringen. Door het schoonblazen en op maat maken van de asbesthoudende remvoeringen kwam asbeststof vrij. Eiser was per keer twee tot drie uur in de garage aanwezig. Gelet hierop stelt eiser dat hij gedurende zijn militaire dienstplicht maandelijks op indirecte wijze aan asbest is blootgesteld. Eiser heeft in beroep ter onderbouwing van zijn standpunt een foto overgelegd waarop hij, samen met een collega, bij de vrachtwagen te zien is.

In beroep heeft eiser voorts aangevoerd dat verweerder ten onrechte de zogenaamde omkeringsregel niet heeft toegepast. Dit betekent dat het oorzakelijk verband tussen de werkzaamheden die eiser tijdens zijn militaire diensttijd heeft verricht en de bij hem geconstateerde asbestziekte mesothelioom moet worden aangenomen. Dit is volgens eiser slechts anders indien verweerder het tegenbewijs levert in de zin dat verweerder aantoont dat hij destijds alle passende veiligheidsmaatregelen met het oog op het gevaar van asbest heeft genomen. Eiser stelt vast dat verweerder dit bewijs niet heeft geleverd.

Eiser heeft voorts nog gesteld dat verweerder ten tijde van zijn dienstplicht op de hoogte had dienen te zijn van de gevaren van asbest en dat dit niet pas geldt vanaf 1969.

5. Verweerder heeft primair het standpunt ingenomen dat niet aannemelijk is geworden dat eiser bij zijn werkzaamheden voor verweerder aan asbestvezels is blootgesteld. Verweerder erkent dat eiser in de periode van juni 1963 tot november 1964 als dienstplichtige bij verweerder in dienst is geweest. Uit de staat van dienst volgt echter niet dat eiser tijdens zijn functie is blootgesteld geweest aan asbestvezels. Naar verweerders mening volgt uit de door eiser overgelegde foto niet dat eiser de bestuurder is geweest van het daarop afgebeelde voertuig. De stellingen van eiser worden volgens verweerder niet onderbouwd door getuigenverklaringen en/of ander bewijsmateriaal. Verweerder verwijst in dit verband naar het aanvullende bezwaarschrift van eiser, waarin eiser erkent dat hij de blootstelling aan asbest dient te bewijzen. Eiser heeft volgens verweerder niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan.

6. De rechtbank dient in de eerste plaats de vraag te beantwoorden of eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat van daadwerkelijke blootstelling aan asbest sprake is geweest. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat deze vraag ontkennend dient te worden beantwoord. Uit de staat van dienst van eiser blijkt niet dat hij in het kader van de uitoefening van zijn functie in de garage aanwezig diende te zijn. Eiser stelt dat hij feitelijk werkzaam was als messbediende en dat hij in dat kader de vrachtwagen gebruikte en voor het onderhoud daarvan verantwoordelijk was. De rechtbank stelt vast dat deze stelling van eiser uitsluitend berust op zijn eigen verklaring. Eiser is er niet in geslaagd op andere wijze, bijvoorbeeld door getuigenverklaringen en/of ander bewijsmateriaal, te onderbouwen dat zijn stellingen juist zijn. De door eiser overgelegde foto zegt naar het oordeel van de rechtbank niets over de vraag of eiser ook de berijder was van deze auto en al helemaal niet of eiser bij de door hem gestelde bezoeken aan de garage van de [A]kazerne te [B] aan asbest is blootgesteld.

7. De rechtbank overweegt in dit verband voorts nog het volgende. Ter zitting is aan de orde gesteld dat het de rechtbank ambtshalve bekend is dat het volstrekt onaannemelijk is dat in de garage van de [A]kazerne onderhoud plaatsvond dat bestond uit het schoonmaken en op maat maken van asbesthoudende remvoeringen. De betreffende garage behoorde tot het zogenaamde tweede echelon, dat is het niveau van het betreffende onderdeel (in casu [C] in [B]). Volgens de Technische Handleidingen was dit niveau alleen bevoegd remtrommels en remschoenen als set te vervangen, dus niet remtrommels en apart remschoenen. Op het tweede echelon was ook geen gereedschap aanwezig om ook maar iets te doen aan remschoenen. Er was hooguit luchtdruk aanwezig om een remtrommel schoon te blazen. Op het derde echelon (herstelcompagnie) waren machines om remschoenen te slijpen en af te stellen en de daarbij behorende gereedschappen en beschermingsmiddelen aanwezig (de Technische Handleidingen van de YA 328 te raadplegen bij het Museum Regiment Technische Troepen te Soesterberg).

Het is wel aannemelijk dat in de garage de wielen en de remmen werden schoongespoten. Eiser heeft immers ter zitting verklaard dat door het rijden door zand, m.n. greppels, de auto vervuilde en de zaak vastliep, hetgeen schoonspuiten noodzakelijk maakte. Daarbij kwam echter, anders dan eiser meent, geen asbest vrij.

8. Wat betreft het beroep van eiser op de zogenaamde omkeringsregel overweegt de rechtbank dat zij hetgeen verweerder daaromtrent in het bestreden besluit en in zijn verweerschrift heeft opgenomen juist acht. Verweerder heeft derhalve terecht het standpunt ingenomen dat, nu van blootstelling aan asbest geen sprake is geweest, toepassing van de omkeringsregel niet aan de orde kan zijn.

9. Verweerder heeft derhalve op goede gronden aansprakelijkheid voor de bij eiser gediagnosticeerde maligne mesothelioom afgewezen

Nu het vereiste causaal verband tussen de schade en de uitoefening van de werkzaamheden ontbreekt, behoeft hetgeen overigens door eiser in beroep is aangevoerd geen bespreking meer.

Het beroep is gezien bovenstaande overwegingen ongegrond.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D.J. van Reenen-Stroebel, mr. J.W.H.B. Sentrop en M.P. Celie, militair lid, in aanwezigheid van A.J. Faasse - van Rossum, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.