Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW1107

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-04-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/1194
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet werk en bijstand / gezinsbijstand / schending inlichtingenplicht

Dat voor de vaststelling van inkomsten in beginsel de bij de fiscus opgegeven inkomsten maatgevend zijn, zoals eiser op zichzelf met juistheid heeft betoogd, neemt immers niet weg dat ook andere vermogens- en inkomensbestanddelen als middelen kunnen worden aangemerkt (vergelijk in dit verband CRvB 15 augustus 2008, LJN AY6412, waarin ook opnamen aan de orde waren ter beantwoording van de vraag of de inkomsten van betrokkene al dan niet boven het normbedrag lagen; in die procedure gaf de betrokkene daarin overigens onvoldoende inzicht). Dat doet zich hier voor. Nu eiser feitelijk over de privé-opnamen heeft beschikt, moeten deze als middelen worden aangemerkt. Dat geldt temeer nu ter zitting naar voren is gekomen dat eiser de opnamen in 2007 en 2009 voor een deel heeft aangewend voor de betaling van de hypotheeklasten van zijn woning en voor het overige voor andere kosten van levensonderhoud.

De conclusie is dat eiser niet heeft aangetoond dat in 2007 en 2009 aanspraak op gezinsbijstand zou hebben bestaan. Er is dus onvoldoende grond voor het oordeel dat de hoogte van het van eiser gevorderde bedrag niet in stand kan blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/1194

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 april 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats],

(gemachtigde: mr. E. van den Bogaard),

en

het dagelijks bestuur van Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.F.M. Molema).

Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2010 (het primaire besluit) heeft verweerder van eiser betaling van een bedrag van € 20.220,09 gevorderd.

Bij besluit van 21 december 2010 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 21 maart 2012 ter zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door de gemachtigde voornoemd en J. Baarsma.

Overwegingen

1. Eiser is gehuwd geweest met [A], welk huwelijk in 2002 is beëindigd. [A] heeft vanaf 24 september 2007 bijstand uit hoofde van de Wet werk en bijstand (Wwb) ontvangen naar de norm voor een alleenstaande.

2. Bij besluit van 3 juli 2009 heeft verweerder de bijstandsuitkering die [A] ontving met ingang van 24 september 2007 ingetrokken en een bedrag van € 20.220,09 bruto van haar teruggevorderd. Aan dat besluit lag ten grondslag dat [A] gedurende de periode van 24 september 2007 tot 1 mei 2009 haar inlichtingenplicht heeft geschonden door niet aan verweerder te melden dat zij een gezamenlijke huishouding voert met eiser. Het beroep dat is ingesteld tegen het in bezwaar genomen besluit, waarbij het besluit van 3 juli 2009 is gehandhaafd, is bij uitspraak van deze rechtbank van 10 november 2010 ongegrond verklaard.

3. Verweerder heeft bij het primaire besluit hetzelfde bedrag van € 20.220,09 van eiser teruggevorderd op de grond dat hij op ingevolge artikel 59 van de Wwb hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugbetaling van de kosten van bijstand.

4. In bezwaar heeft eiser onder meer aangevoerd dat in de periode hier in geding recht op (aanvullende) gezinsbijstand zou hebben bestaan omdat zijn inkomen onder de norm voor gezinsbijstand lag. Eiser, die een eigen onderneming heeft, is weliswaar in de gelegenheid gesteld de jaarstukken over de jaren 2007 tot en met 2009 over te leggen, maar in het bestreden besluit zijn deze financiële stukken niet meegenomen omdat de beoordeling daarvan buiten de reikwijdte van het geding zou vallen. In het besluit is de hoogte van het terugvorderingsbedrag dus gehandhaafd. Verder is in het bestreden besluit afwijzend beslist op de verzoeken tot toekenning van schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente en immateriële schadevergoeding wegens de gestelde overschrijding van de redelijke termijn.

5. Eiser is het niet met dit besluit eens. In beroep gaat het in de kern om de vraag of verweerder een onderzoek naar de inkomsten van eiser in de jaren 2007 en 2009 - in het jaar 2008 heeft eiser naar eigen zeggen inkomsten genoten die boven de norm liggen - achterwege had mogen laten.

6. De rechtbank stelt duidelijkheidshalve het volgende voorop. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting laten weten dat de opmerking in het beroepschrift over de onduidelijkheid ten aanzien van de datum van verzending van het bestreden besluit niet als beroepsgrond moet worden aangemerkt. Deze opmerking behoeft dus geen inhoudelijke bespreking.

7. Verder is de beroepsgrond met betrekking tot de wettelijke rente ingetrokken. Ook dit punt kan daarom onbesproken blijven.

8. Daarentegen heeft de gemachtigde van eiser ter zitting het standpunt ingenomen dat het, ofschoon het beroepschrift geen beroepsgrond bevat over de door verweerder aangenomen gezamenlijke huishouding, de bedoeling was deze kwestie, die wel in bezwaar onderwerp van geschil is geweest, ook in beroep aan de orde te stellen.

9. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Nog daargelaten dat het hier om een vaststelling door verweerder gaat, waartegen eiser een afzonderlijke beroepsgrond had moeten richten, heeft verweerder uit het beroepschrift - net als de rechtbank zelf - opgemaakt dat het beroep zich niet tegen de vastgestelde gezamenlijke huishouding richt. In het verweerschrift is dit expliciet opgemerkt en de gemachtigde van verweerder heeft ter zitting kenbaar gemaakt zich daarom ook niet op die kwestie te hebben voorbereid. Bij deze stand van zaken is het in strijd met het beginsel van een goede procesorde, meer specifiek het beginsel van hoor en wederhoor, om bij de beoordeling van het beroep de kwestie van de gezamenlijke huishouding alsnog te betrekken. Dat deze kwestie wel in bezwaar aan de orde is geweest en in beroep bij de behandeling van het jegens [A] genomen terugvorderingsbesluit, rechtvaardigt niet een ander oordeel.

10. Dat betekent dat alleen de hoogte van het terugvorderingsbedrag in beroep bespreking behoeft. De rechtbank volgt eiser in zijn standpunt dat verweerder ten onrechte een inhoudelijke beoordeling van het betoog dat eiser en [A] in de jaren 2007 en 2009 in aanmerking hadden kunnen komen voor (aanvullende) gezinsbijstand, achterwege heeft gelaten. Bedacht moet immers worden dat eiser, nu hij geen partij is (geweest) in de procedure tussen verweerder en [A], niet de mogelijkheid heeft gehad in die procedure een eigen verweer te voeren. De procedure tussen verweerder en hem moet worden beschouwd als een afzonderlijke procedure, zodat het eiser vrij staat daarin alle verweren te voeren, ongeacht of deze ook in de andere procedure zijn gevoerd.

11. In zoverre is het beroep dus gegrond. De rechtbank zal echter de rechtsgevolgen van het besluit in stand laten. Daartoe is het volgende redengevend.

12. De door verweerder vastgestelde gezamenlijke huishouding, in samenhang gezien met de schending van de inlichtingenplicht, gaf verweerder in beginsel de bevoegdheid het over de periode van 24 september 2007 tot 1 mei 2009 van [A] teruggevorderde bedrag ook van eiser te vorderen. Het lag op de weg van eiser om aan te tonen dat aan hem en [A], indien [A] haar inlichtingenplicht wel zou zijn nagekomen, in de betrokken periode (aanvullende) bijstand naar de norm voor een gezin zou zijn verstrekt (vergelijk de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 23 januari 2007, LJN AZ7925). Hierin is hij niet geslaagd.

13. Zoals gezegd gaat het uitsluitend om de jaren 2007 en 2009. Verweerder heeft terecht erop gewezen dat uit de jaarstukken over deze jaren volgt dat eiser opnamen uit het vermogen van de onderneming heeft gedaan. In het jaar 2007 ging het om een opname van € 36.515, terwijl in 2009 een bedrag van € 40.048 is opgenomen. Weliswaar heeft eiser nog opgemerkt dat in beide jaren ook stortingen zijn verricht, als gevolg waarvan het saldo van de opnamen beperkt is gebleven tot € 23.968 (2007) en € 30.688 (2009), maar dit kan eiser niet baten. Ook indien van deze bedragen wordt uitgegaan, overstijgen deze bedragen - zo heeft verweerder ter zitting onbestreden gesteld - de jaarlijkse norm voor een gezin.

14. Anders dan eiser is de rechtbank van oordeel dat deze opnamen als middelen in de zin van artikel 31 van de Wwb moeten worden beschouwd. Dat voor de vaststelling van inkomsten in beginsel de bij de fiscus opgegeven inkomsten maatgevend zijn, zoals eiser op zichzelf met juistheid heeft betoogd, neemt immers niet weg dat ook andere vermogens- en inkomensbestanddelen als middelen kunnen worden aangemerkt (vergelijk in dit verband CRvB 15 augustus 2008, LJN AY6412, waarin ook opnamen aan de orde waren ter beantwoording van de vraag of de inkomsten van betrokkene al dan niet boven het normbedrag lagen; in die procedure gaf de betrokkene daarin overigens onvoldoende inzicht). Dat doet zich hier voor. Nu eiser feitelijk over de privé-opnamen heeft beschikt, moeten deze als middelen worden aangemerkt. Dat geldt temeer nu ter zitting naar voren is gekomen dat eiser de opnamen in 2007 en 2009 voor een deel heeft aangewend voor de betaling van de hypotheeklasten van zijn woning en voor het overige voor andere kosten van levensonderhoud.

15. De conclusie is dat eiser niet heeft aangetoond dat in 2007 en 2009 aanspraak op gezinsbijstand zou hebben bestaan. Er is dus onvoldoende grond voor het oordeel dat de hoogte van het van eiser gevorderde bedrag niet in stand kan blijven.

16. Ten slotte behoeft nog bespreking de grond die is gericht tegen de afwijzing van het verzoek om immateriële schadevergoeding. Dit verzoek is gebaseerd op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).

17. Voor de wijze van beoordeling van een verzoek als het voorliggende verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de CRvB van 26 januari 2009 (LJN BH1009). Daarin is onder meer overwogen dat de bestuursrechtelijke procedure in drie instanties, behoudens uitzonderingen, niet langer dan vier jaar mag duren: een half jaar voor het bezwaar, anderhalf jaar voor het beroep en twee jaar voor het hoger beroep. Hierbij geldt dat doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de bestuurlijke fase en de rechtbankfase als geheel, als deze niet meer dan twee jaar heeft geduurd.

18. Voor het voorliggende geval betekent dit het volgende. Vanaf de datum van het bezwaarschrift (1 juli 2010) tot de datum van deze uitspraak zijn nog geen twee jaar verstreken, waardoor reeds daarom geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als hiervoor bedoeld.

19. Gelet op de onder 11 vermelde gegrondbevinding van het beroep is er aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,--, te weten € 437,-- voor het indienen van het beroepschrift en € 437,-- voor het verschijnen ter zitting bij een zaak van gemiddeld gewicht.

Beslissing

De rechtbank:

* verklaart het beroep gegrond;

* vernietigt het bestreden besluit;

* bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

* veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 874,--, welke kosten aan eiser moeten worden vergoed;

* bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 41,--, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D. Aarts, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. van Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 april 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.