Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW1056

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
18-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/3394 ABP
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing van verzoek om toekenning militair invaliditeitspensioen door beroepsmilitair met verslavingsproblematiek ten gevolge van PTSS en/of pre-existente persoonlijkheidsproblematiek en ADHD. Verweerder wijt de verslavingsproblematiek aan de pre-existente problematiek, waarvoor geen dienstverband is aangenomen. Eiser ontkent dat bij hem in zijn jeugd persoonlijkheidsproblemen en ADHD zijn gediagnosticeerd. In diverse medische stukken in het dossier wordt daar wel van uitgegaan. Op geleide daarvan is de door verweerder geraadpleegde externe psychiater uitgegaan van het bestaan van pre-existente psychische problemen en heeft hij nagelaten de huisarts van eiser om informatie te vragen. Deze laatste heeft de gemachtigde van eiser wel informatie verstrekt, waaruit niet blijkt van de gestelde diagnoses in de jeugd van eiser. Beroep gegrond vanwege onvoldoende zorgvuldige voorbereiding besluitvorming en onvoldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2012/143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/3394 ABP

uitspraak van de meervoudige kamer van 28 maart 2012 in de zaak tussen

[eiser], wonende te [plaats],

(gemachtigde: mr. Z.J. Rittersma),

en

de minister van Defensie (Stichting Pensioenfonds ABP), verweerder

(gemachtigde: H.A.L. Knoben).

Procesverloop

Op 12 oktober 2009 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend om toekenning van een militair invaliditeitspensioen (hierna: MIP).

Bij besluit van 30 maart 2010 (uitgereikt op 20 april 2010) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat bij eiser niet een mate van invaliditeit met dienstverband van ten minste 10 procent was vastgesteld.

Tegen dat besluit heeft eiser bij brief van 7 mei 2010 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 29 oktober 2010 zijn de gronden van het bezwaar aangevuld. Eiser is tijdens een hoorzitting op 20 januari 2011 namens verweerdcr op zijn bezwaar gehoord.

Bij besluit van 2 maart 2011 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Tegen dat besluit heeft eiser bij brief van 6 april 2011 bij de rechtbank beroep ingesteld. Bij brief van 2 mei 2011 zijn de gronden van het beroep aangevuld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend alsmede een verweerschrift, gedateerd 30 november 2011.

Het beroep is op 16 februari 2012 op zitting behandeld.

Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als deskundige, meegebracht door eiser, is verschenen dr. H.G. Pijp, psychiater (hierna: Pijp).

Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank staat in dit beroep voor de vraag of het bestreden besluit, gelet op de daartegen ingebrachte beroepsgronden, in rechte stand kan houden. Meer in het bijzonder moet worden vastgesteld of verweerder, gelet op de voorhanden medische gegevens betreffende eiser, op goede gronden de mate van invaliditeit met dienstverband heeft vastgesteld op minder dan 10 procent.

2. Uit de rapportage van het ten aanzien van eiser ingestelde verzekeringsgeneeskundig onderzoek van 25 maart 2010 komt, samengevat, het volgende naar voren.

Eiser, geboren op [datum] 1977, is op 27 juni 1994 opgekomen voor de vervulling van zijn militaire dienstplicht. Na de vervulling daarvan is hij op basis van een BBT-aanstelling als beroepsmilitair in dienst gebleven. Op 7 februari 1998 heeft eiser voortijdig de militaire dienst verlaten in verband met drugsproblemen.

Eiser is in 1996 gedurende twee periodes uitgezonden naar het voormalige Joegoslavië (Bosnië). Tijdens zijn tweede plaatsing aldaar is eiser in zijn voertuig beschoten en heeft eiser leden van het Joegoslavië Tribunaal begeleid naar de locatie van een massagraf. Eiser zag bebloede kleren, er stak een elleboog uit de grond en er hing een lijkenlucht. Tijdens een patrouille heeft eiser in de kelder van een verwoest huis vermoorde mensen zien liggen. Tijdens de uitzending heeft eiser in angst en spanning geleefd, met weinig slaap. Eiser stelt door deze ervaringen tijdens zijn uitzending getraumatiseerd te zijn geraakt. Zo durft hij niet alleen de kelder onder zijn huis in, omdat hij dan weer de dode mensen ziet liggen. Verder was eiser bang voor donker en mensenmassa's. Hij is drugs, later alcohol gaan gebruiken om dat allemaal te doen vergeten.

Na terugkeer in de burgermaatschappij is eiser als vrachtwagenchauffeur gaan werken. Hij heeft periodes van fors drugs- en later alcoholmisbruik gekend. Op 16 februari 2008 heeft eiser zich bij zijn werkgever ziek gemeld met psychische klachten. Op 5 november 2008 is eisers echtgenote bij een frontale botsing in haar auto om het leven gekomen. Voor eiser was dit een harde slag. Uit het huwelijk is in 2004 een dochter, [A], geboren met een erfelijke stofwisselingsziekte waardoor zij een ernstige ontwikkelingachterstand had. Haar aandoening was niet te genezen. Inmiddels is [A] op 11 juni 2010 overleden ten gevolge van haar ziekte. Eiser heeft hulp gezocht voor zijn drugsverslaving. Uit ingestelde onderzoeken zou zijn gebleken dat hij ADHD heeft. Zijn alcoholprobleem kan ook worden gezien als het couperen van onrust in verband met de ADHD.

Ten aanzien van eiser is een psychische aandoening van traumatische aard (PTSS, thans in gedeeltelijke remissie) vastgesteld, waarvoor verergerend dienstverband is aangenomen. De mate van invaliditeit op de peildata 4 september 2009 en 4 september 2008 is voorlopig vastgesteld op minder dan 10 procent, aangezien er geen eindtoestand was bereikt. Verder is eiser lijdende aan enkele andere psychische aandoeningen waarvoor geen dienstverband is aangenomen.

Het primaire besluit is op deze bevindingen gebaseerd.

3. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn mate van invaliditeit met dienstverband moet worden vastgesteld op meer dan 10%.

Daartoe is, samengevat, aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft aangenomen dat eiser al in zijn jeugd gedragsproblemen heeft gehad die zouden zijn terug te voeren op een gestelde diagnose ADHD. Eiser is in zijn jeugd nimmer met jeugdhulpinstanties of met de politie in aanraking gekomen. Bij de militaire dienstkeuring op 27 april 1994 is de stabiliteit van eiser met een 1 (de hoogst mogelijke score) gewaardeerd. Voor de uitzending van eiser naar Bosnië was geen sprake van invaliditeit zonder dienstverband; in het militair dossier bevinden zich geen stukken die daarop wijzen. Verder betoogt eiser dat sprake is van speculatieve toerekening van invaliditeit aan zijn vermeende ADHD; hij wijst op een tegenstrijdigheid in de rapportage, waarin enerzijds wordt beschreven dat hij een normale jeugd zonder gedragsproblemen, politiecontacten o.i.d. heeft gehad, maar anderzijds wordt vastgesteld dat sprake zou zijn geweest van uitgebreide pre-existente psychische problematiek. Ook heeft eiser betoogd dat het middelengebruik ten onrechte overwegend wordt toegeschreven aan een (pre-existente) ADHD en niet aan de PTSS. Het ligt op grond van de medische literatuur meer voor de hand om te veronderstellen dat het middelengebruik een gevolg is van de stressvolle evenementen in Bosnië en acuut is geworden door de life events die eiser daarna hebben getroffen. Ten slotte stelt eiser zich op het standpunt dat zijn beperkingen in het dagelijks leven onjuist zijn beoordeeld. De verzekeringsgeneeskundige M. Levy (hierna: Levy) heeft ten onrechte de Functionele Mogelijkheden Lijst (hierna: FML) gehanteerd, die echter ook naar zijn eigen zeggen niet bruikbaar is. Op verscheidene onderdelen van de FML zijn de scores onjuist, waardoor een te lage vaststelling van de mate van invaliditeit met dienstverband heeft plaatsgevonden.

In beroep heeft eiser, samengevat, aangevoerd dat het bestreden besluit onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd, dat zijn bezwaar onzorgvuldig is behandeld doordat onvoldoende rekening is gehouden met de kritiek van de door eiser geraadpleegde psychiater Pijp (diens rapport van 26 oktober 2010) op de conclusies van het keuringsrapport en doordat aan de door verweerder ingeschakelde psychiater Van Laarhoven een niet-objectieve vraagstelling is voorgelegd.

Voorts heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de uitvoeringspraktijk van het PTSS WIA-IP protocol (hierna: PTSS-protocol) en heeft hij betoogd dat de toepassing door verweerder van het "verergerend dienstverband" zich niet verdraagt met de jurisprudentie ter zake van de Centrale Raad van Beroep (hierna: CRvB).

4. Verweerder heeft zich, onder verwijzing naar het keuringsrapport van 25 maart 2010 en het commentaar van de verzekeringsarts van 26 november 2010, op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit op goede gronden steunt. De door eiser in bezwaar naar voren gebrachte grieven zijn, voor zover die medisch voldoende zijn onderbouwd, door de verzekeringsarts beoordeeld. De overwegingen van de psychiater Pijp zijn echter wetenschappelijk van aard en niet op de situatie van eiser toegesneden, zodat het ook niet goed mogelijk is daartegen gericht medisch verweer te voeren. Tijdens de hoorzitting is in dit verband besproken dat de gemachtigde van eiser zich nog zou beraden over het vragen van een nadere contra-expertise dan wel het doen verrichten van een nieuwe waardering van de beperkingen van eiser. Verweerder wijst er op dat in het PTSS-uitvoeringsprotocol de posities van de verzekeringsarts en de expertisearts, uitgaande van de huidige professionele richtlijnen, meer zijn afgebakend. Vastgelegd is onder meer dat de verzekeringsarts eindverantwoordelijk blijft voor de advisering over een aanvraag of een bezwaar (Tweede Kamer, 2008-2009, 30 139, nr. 56, blz. 16 - Veteranenzorg).

5. Ingevolge artikel 2, vijfde lid, van de Kaderwet militaire pensioenen worden aanvullende aanspraken op militair pensioen bij arbeidsongeschiktheid, invaliditeit of overlijden van de beroepsmilitair (...) vastgesteld bij algemene maatregel van bestuur.

Ingevolge het zesde lid van dat artikel worden de noodzakelijke regels ter uitvoering van de in het vijfde lid bedoelde algemene maatregel van bestuur vastgesteld door de minister van defensie.

Ingevolge artikel 2, derde lid, van het Besluit aanvullende arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsvoorzieningen militairen (verder: Besluit) wordt voor de toepassing van dit besluit onder invaliditeit met dienstverband verstaan: een invaliditeit van tenminste 10% ten gevolge van:

a. verwonding, ziekten of gebreken, welke zijn veroorzaakt door de uitoefening van de militaire dienst in geval van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden;

b. ziekten of gebreken, welke het gevolg zijn van verrichtingen of vermoeienissen aan de uitoefening van de militaire dienst in geval van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden verbonden, dan wel welke tot uiting zijn gekomen onder overwegende invloed van die verrichtingen of vermoeienissen; of

c. ziekten of gebreken, welke zijn ontstaan, tot uiting zijn gekomen of verergerd mede door inwerking van bijzondere, zeer nadelige invloeden, waaraan de beroepsmilitair in verband met de uitoefening van de militaire dienst in geval van buitengewone of daarmee vergelijkbare omstandigheden is blootgesteld geweest.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van het Besluit heeft de beroepsmilitair bij wie een bepaalde mate van invaliditeit met dienstverband is vastgesteld uit hoofde van zijn ontslag uit de militaire betrekking waarin die invaliditeit is ontstaan recht op een invaliditeitspensioen.

Ingevolge artikel 13 van het Besluit procedure geneeskundig onderzoek blijvende dienstongeschiktheid en pensioenkeuring militairen wordt bij de vaststelling van de mate van invaliditeit met dienstverband als bedoeld in de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen uitgegaan van de War Pensions Committee-schaal (verder: WPC-schaal), zoals in de bijlage opgenomen.

Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan de minister van Defensie in bepaalde gevallen afwijken van de in het eerste lid genoemde schaal dan wel aanwijzingen geven ter nadere invulling van de toepassing ervan.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder b, van de per 1 juli 2008 in werking getreden ministeriële regeling verzekeringsgeneeskundige protocollen (verder: Regeling) worden bij de vaststelling van de mate van invaliditeit met dienstverband als bedoeld in de bij of krachtens de Kaderwet militaire pensioenen vastgestelde bepalingen ter nadere invulling van de WPC-schaal de volgende protocollen gehanteerd:

a. (...);

b. het protocol voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid, dienstverband en invaliditeit bij militairen met een posttraumatische stress stoornis (PTSS Protocol), gevoegd als bijlage 2;

c. (...).

6. Partijen zijn in het kader van de aanvraag van eiser om toekenning van een militair invaliditeitspensioen en meer in het bijzonder in de bezwaarprocedure verdeeld gehouden over de vraag of bij eiser voor zijn eerste oefening als dienstplichtige al sprake was van een persoonlijkheidsstoornis en van ADHD en of eisers middelenmisbruik na de militaire dienst alleen of vooral is toe te schrijven aan de ADHD, waarvoor geen dienstverband is aangenomen. Eiser stelde zich op het standpunt dat voor de aanvang van de militaire dienst geen sprake was van psychische problemen en dat bij hem nooit de diagnose ADHD is gesteld. In een aantal medische verklaringen in het dossier is wel sprake van de diagnose ADHD en van behandeling daarvoor.

6.1 Verweerders verzekeringsarts Levy heeft het verrichten van een nadere psychiatrische expertise opgedragen aan de psychiater J.H.M. van Laarhoven, verbonden aan het

St. Elisabeth Ziekenhuis te Tilburg. In de onderzoeksopdracht van 4 februari 2010 aan Van Laarhoven vermeldt Levy onder meer:

"Uit de heden beschikbare informatie blijkt verder dat bij betrokkene in de kinderjaren en jeugd sprake was van ADHD die tot gedragsproblemen leidde.

Alle feiten tezamen [genomen] ben ik niet overtuigd dat de huidige psychische problematiek van betrokkene het gevolg is van de traumatiserende ervaringen in Bosnië. Hij heeft wel nare dingen gezien maar is zelf nooit in levensgevaar geweest. Aan de andere kant, de klachten van slecht slapen, alertheid en vermijding zijn meteen na de ervaringen begonnen en spelen nog steeds.

Er lijkt bij betrokkene sprake te zijn van complexe psychische problematiek waarbij het moeilijk uit elkaar te houden is, welke ziektebeelden wel en welke niet het gevolg zijn van de militaire dienst.

Mijns inziens is er in ieder geval sprake van ADHD, mogelijk een persoonlijkheidsstoornis en alcoholafhankelijkheid die niet aan de militaire dienst gerelateerd lijken te zijn. Over PTSS zijn er twijfels of deze diagnose daadwerkelijk gesteld kan worden."

Van Laarhoven heeft eiser op 17 februari 2010 onderzocht (persoonlijke anamnese, psychiatrisch onderzoek en het invullen van enkele vragenlijsten) en heeft op 28 februari 2010 gerapporteerd. Hij komt in de DSM IV TR-classificatie tot de volgende indeling:

As I 309.81 Posttraumatische stress-stoornis

314.01 Aandachtstekortstoornis met hyperactiviteit, gecombineerde type

303.90 Alcoholafhankelijkheid, in vroege volledige remissie

305.10 Nicotine-afhankelijkheid

As II 301.9 Persoonlijkheidsstoornis niet anderszins omschreven, cluster B, met vooral borderline kenmerken

6.2 Van Laarhoven acht voor de PTSS etiologisch (oorzakelijk) verband met de militaire dienst aanwezig, voor de ADHD en de persoonlijkheidsstoornis acht hij dit verband niet aannemelijk. Verder geeft hij aan dat zowel ADHD als PTSS een verhoogde kans op middelenmisbruik geven en dat betrokkene aangeeft dat het verdoven van posttraumatische emoties een doel was bij het misbruiken van alcohol. Ten slotte wordt aangegeven dat nog geen sprake is van een eindtoestand; de behandeling van de PTSS moet nog beginnen.

Het rapport van Van Laarhoven bevat een scoring van de onderdelen I (persoonlijk functioneren) en II (sociaal functioneren) van de FML. Deze scoring laat op verscheidene onderdelen beperkingen zien.

Vervolgens is door Levy een (ongedateerde) Beoordelingslijst vastleggen psychische beperkingen opgesteld, uitgaande van de door Van Laarhoven per beperking aangegeven oorzaak. Daarin is alleen op het onderdeel Omgaan met stressvolle gebeurtenissen een score 1 toegekend, hetgeen over het totaal heeft geleid tot een invaliditeitspercentage van 5. Uit het verzekeringsgeneeskundig rapport van 25 maart 2010 (blz. 9) blijkt dat de FML-systematiek bij MIP-beoordelingen niet bruikbaar is, terwijl daar vervolgens wel conclusies aan worden verbonden. De verslavingsproblematiek (inmiddels in volledige remissie) wordt in overwegende mate toegeschreven aan "de al vanaf de kindertijd aanwezige ADHD en persoonlijkheidsproblematiek". Voor deze aandoeningen is geen dienstverband aangenomen. Alleen de door Van Laarhoven aan de PTSS gerelateerde beperkingen zijn door Levy in aanmerking genomen, nu voor de PTSS wel dienstverband is aangenomen. Aldus heeft Levy geconcludeerd tot een mate van invaliditeit van 5%.

6.3 Na de rapportage van Van Laarhoven en het verzekeringsgeneeskundig rapport van

25 maart 2010 heeft verweerder het primaire besluit van 30 maart 2010 genomen, waarbij de aanvraag is afgewezen, aangezien de vastgestelde psychische aandoening van traumatische aard een invaliditeit van minder dan 10 procent veroorzaakt.

6.4 Dit oordeel is in bezwaar in stand gebleven. Hoewel eisers gemachtigde in bezwaar uitvoerig en gemotiveerd tal van bezwaren naar voren heeft gebracht tegen het door van Laarhoven verrichte onderzoek, zijn weergave van het levensverhaal van eiser, het ontbreken van navraag bij de huisarts en de bevindingen en conclusies van Van Laarhoven, bezwaren die ondersteund werden door de door eiser geraadpleegde deskundige psychiater Pijp, heeft verweerder daarin geen aanleiding gezien Van Laarhoven om een reactie te vragen of enig ander nader onderzoek te doen verrichten, afgezien van een commentaar van de adviserend verzekeringsarts H.W. Kharagjitsing van 26 november 2010, dat aan eisers gemachtigde is toegezonden. Verweerder heeft zich, zoals blijkt uit het verslag van de hoorzitting van 20 januari 2011, op het standpunt gesteld dat het rapport van Van Laarhoven (een externe specialistische expertise) alleen door een eigen medische contra-expertise van eiser met succes kan worden aangetast. Een dergelijke contra-expertise ontbreekt en ook de brief van Pijp van 26 oktober 2010 kan niet als zodanig worden beschouwd, nu deze eiser niet persoonlijk heeft onderzocht.

6.5 Naar het oordeel van de rechtbank is voor verweerders standpunt geen steun te vinden in de wet. Hoewel het stellen van een diagnose met betrekking tot psychische aandoeningen aan een bevoegde psychiater is voorbehouden, is daarmee niet gegeven dat een rapport van een dergelijke medische specialist onaantastbaar is zolang geen medische contra-expertise van een andere bevoegde psychiater voorligt. Ook kritiek van juridische zijde op de vraagstelling, de volledigheid, de consistentie, de onderzoeksmethodiek en de conclusies van een specialistisch onderzoek is relevant en dient door verweerder op haar merites te worden onderzocht. Het karakter van de bezwaarprocedure als volledige bestuurlijke heroverweging van het primaire besluit op basis van alle voorliggende gegevens en stukken brengt met zich dat ook kritiek van niet medische zijde op een verrichte medische expertise voor commentaar aan de desbetreffende rapporteur moet worden voorgelegd. Verweerder heeft dit ten onrechte nagelaten. Reeds op deze grond moet het beroep gegrond worden verklaard.

6.6 Naar vaste jurisprudentie mag verweerder zich bij zijn besluitvorming op een medische rapportage verlaten, indien deze berust op een zorgvuldig medisch onderzoek, de getrokken conclusies deugdelijk gemotiveerd zijn en consistent zijn met de tijdens het onderzoek gebleken bevindingen. Nu eisers gemachtigde zowel bij brief van 29 oktober 2010 als tijdens de hoorzitting, ondersteund door de schriftelijke inbreng van een psychiater, fundamentele kritiek heeft geoefend op het onderzoek en de bevindingen van Van Laarhoven, had verweerder daaraan niet ongemotiveerd mogen voorbijgaan. Het vragen van commentaar aan (alleen) de adviserend verzekeringsgeneeskundige volstaat niet. Nu de kritiek van eiser op het rapport van Van Laarhoven niet is weerlegd, is verweerder zich in bezwaar ten onrechte blijven baseren op genoemd rapport. Ook daarin is een grond gelegen voor gegrondverklaring van het beroep.

6.7 De rechtbank is voorts van oordeel dat de kritiek van eiser op het rapport van Van Laarhoven doel treft. Uit de onderzoeksopdracht van Levy aan Van Laarhoven (brief van

4 februari 2010) blijkt dat de casus van eiser door Levy als "een complexe psychische problematiek" is gekarakteriseerd en kennelijk om die reden aan Van Laarhoven is voorgelegd. In de gevalsomschrijving, voorafgaand aan de concrete vraagstelling, geeft Levy zijn opvatting over de diagnose weer. In de medische informatie, overgelegd bij de onderzoeksopdracht, is veelvuldig sprake van een eerder gestelde diagnose ADHD, een uitgangspunt dat op gespannen voet staat met een door de huisarts overgelegde brief en met de uitdrukkelijke verzekering van eiser ter zitting dat de diagnose ADHD nooit bij hem is gesteld. Ook de aanwezigheid van pre-existente psychiatrische problematiek is op zijn minst twijfelachtig in het licht van de S1-klassering bij eisers keuring als dienstplichtige op 16-jarige leeftijd en de opmerking van de keuringsarts "maakt een prima indruk ondanks 16 jr". Door de (ongemotiveerde) beslissing van Van Laarhoven de huisarts van eiser niet te benaderen met een verzoek om informatie, is de inmiddels gebleken twijfel aan de diagnose ADHD niet bij de onderzoeker bekend geworden.

6.8 Eisers huisarts, W.M. Veldhuis, heeft aan eisers gemachtigde medegedeeld dat hij niet beschikt over een patiëntenkaart van eiser van vóór 1996; wel heeft hij twee brieven uit 1990 en 1992 overgelegd. In de brief van de RIAGG [plaats] van 3 mei 1990 wordt eiser (dan 12 jaar oud) omschreven als "een faalangstige, onzekere jongen met anamnestisch tekenen van ADHD." Verder blijkt uit die brief dat een proefbehandeling met Ritalin was gedaan, waarbij een placebo-effect aanwezig was. Eiser heeft ter zitting hierover verklaard dat deze behandeling is gestopt, omdat het middel bij hem averechts uitwerkte. Volgens de brief was bij eiser als kind sprake van grote achterstand in de sensomotoriek en schrijfproblemen, faalangst en onzekerheid. Van psychische problemen is in die brief geen sprake. Al deze informatie is in het onderzoek van Van Laarhoven niet naar voren gekomen. Nu het op zijn minst twijfelachtig is of eiser in zijn jeugd ooit met ADHD of enige persoonlijkheidsstoornis is gediagnosticeerd, kan ook de (in bezwaar gehandhaafde) duiding door Levy van de bij eiser vastgestelde psychische aandoeningen met en zonder dienstverband, die vrijwel ongewijzigd is ontleend aan het rapport van Van Laarhoven, geen stand houden.

Voorts heeft de adviserend verzekeringsgeneeskundige Kharagjitsing zich in zijn advies van 26 november 2010 ten onrechte op het standpunt gesteld dat hetgeen in bezwaar door eiser is aangevoerd, niet kon afdoen aan het oordeel van Levy. Kharagjitsing schrijft een aantal in de aangehaalde brief van de RIAGG [plaats] genoemde verschijnselen en gedragingen van eiser als kind toe aan de waarschijnlijk niet gestelde diagnose ADHD en komt zo tot een onjuist advies.

Daarmee berust het bestreden besluit, ook inhoudelijk beoordeeld, niet op een deugdelijke medische onderbouwing.

Gelet op de voorgaande overwegingen moet het beroep gegrond worden verklaard. Verweerder moet op het bezwaar van eiser een nieuwe beslissing nemen op basis van een nieuw onderzoek door een onafhankelijke psychiater.

7. Verweerder wordt veroordeeld in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 1.159,09. Met toepassing van het bepaalde in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand 2 punten toegekend: 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 437,--, bij een zaak van gemiddeld gewicht (factor 1), totaal € 874,--.

Voor de kosten van de door eiser ter zitting meegebrachte deskundige Pijp wordt een vergoeding toegekend van € 81,23 (1 uur) conform het tarief ingevolge de Wet tarieven in strafzaken en het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Voor de kosten van de deskundige Pijp, die aan eiser verslag heeft uitgebracht, wordt een vergoeding toegekend van € 162,46 (2 uur) conform het tarief ingevolge de Wet tarieven in strafzaken en het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Aan reiskosten van eiser wordt een bedrag van € 41,40 als vergoeding toegekend (treinretour tweede klasse).

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar van eiser met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten ten bedrage van € 1.159,09, welk bedrag verweerder aan eiser moet vergoeden;

bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht, te weten € 41,--, vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.H.B. Sentrop, mr. A.H. Bergman en M.P. Celie, militair lid, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.