Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW1049

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-04-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
09/711101-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2013:CA2269, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot moord en verboden wapenbezit. Gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar, met aftrek. Vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij (€ 5.666,54) toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/711101-11

Datum uitspraak: 5 april 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats],

adres: [adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Midden Holland, Huis van Bewaring De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 5 januari 2012 en 22 maart 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. W. Bos en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. G.R. Stolk, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

De benadeelde partij is ter terechtzitting aanwezig geweest; zijn schriftelijke verklaring is voorgelezen.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 september 2011 te 's Gravenhage ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met

voorbedachten rade [aangever] van het leven te beroven, met dat opzet en al

dan niet na kalm beraad en rustig overleg, (op zeer korte afstand) met een

vuurwapen een kogel in het gezicht, althans op het hoofd, van die [aangever] heeft

afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 25 september 2011 te 's-Gravenhage een of meer wapens van

categorie III, te weten een omgebouwd alarmpistool (fabrikant]., merk: [merk], model: [model], kaliber: 6.35 mm), en/of

munitie van categorie III, te weten zes stuks volmantel pistoolmunitie (merk:

[merk] en/of [merk], kaliber: 6.35mm), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3. Bewijsoverwegingen

3.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte het onder 1 impliciet primair, kortgezegd: de poging moord en het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft geconcludeerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van de hem impliciet primair ten laste gelegde poging moord, allereerst omdat verdachte niet heeft gehandeld met voorbedachte raad. De raadsman heeft voorts betoogt dat evenmin voldoende bewijs voorhanden is dat verdachte opzettelijk heeft geschoten, omdat het wapen kan zijn afgegaan doordat een ander tijdens de schermutseling aan de arm van verdachte trok.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging1

De rechtbank neemt als vaststaand aan dat verdachte in de nacht van 25 september 2011 te Den Haag de aangever [aangever] (verder: [aangever]) met een vuurwapen in het gezicht heeft geschoten, waardoor deze letsel in de mond heeft opgelopen. [aangever] heeft dit verklaard en dit is door verdachte bij de politie2 en ter terechtzitting bekend.

Voorbedachte raad

Voor een bewezenverklaring van poging moord dient vast te staan of bij verdachte sprake is geweest van voorbedachte raad. Hierbij dient de rechtbank de concrete omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen. Indien dit leidt tot de vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of genomen besluit vormt dit, behoudens contra-indicaties, een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld.3

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting zijn de volgende feiten en omstandigheden gebleken.

In de nacht van 24 op 25 september 2011 waren zowel verdachte als [aangever] de disco [disco] te Den Haag aanwezig. Op enig moment heeft [aangever] een woordenwisseling gekregen met een andere bezoeker. Verdachte heeft zich met deze ruzie bemoeid4. De ruzie is gesust door de eigenaar van de disco5. [aangever] heeft kort daarna de disco verlaten samen met getuigen [getuige 1], [getuige 2] en twee meisjes. Zij zijn gelopen richting de Zwarteweg, naar de auto om naar huis te gaan.

Verdachte heeft kort na de voornoemde groep personen de disco verlaten. Verdachte heeft verschillende verklaringen afgelegd over hetgeen vanaf dat moment is gebeurd.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij blijft bij zijn tweede verklaring bij de politie over de gang van zaken6 die avond. In die verklaring7 stelt verdachte dat hij na het verlaten van de disco richting de Zwarteweg liep om naar huis te gaan en dat getuige [getuige 3] hem iets later achterna kwam. Volgens deze verklaring kwamen zij [aangever] en zijn vrienden slechts toevallig op de Zwarteweg tegen.

In zijn eerdere verklaring over de gang van zaken die avond8, afgelegd enkele dagen na het incident, heeft verdachte echter verklaard dat hij bij het verlaten van de disco hoorde dat [aangever] en zijn vrienden naar rechts waren gegaan en dat hij achter hen aan is gerend. Hij dacht daarbij: "Ok dan moet het, dan ga ik".9 Deze verklaring komt overeen met de verklaringen van aangever10 en van de getuigen [getuige 1]11 en [getuige 2]12. Deze getuigen verklaren dat zij plotseling bemerkten dat er jongens, waaronder verdachte, achter hen aan kwamen fietsen en rennen. Ook de beveiligingsmedewerker van de disco, [beveiligingsmedewerker], heeft als getuige verklaard dat hij zag dat [aangever] richting het Bleijenburg liep en dat de jongen waar [aangever] ruzie mee had gehad hem met ongeveer drie of vier jongens achterna ging.13

Nu de eerdere verklaring van verdachte, vrij kort na de gebeurtenis afgelegd, bevestiging vindt in de andere hier aangehaalde verklaringen, acht de rechtbank die verklaring op dit onderdeel van de gang van zaken van die nacht het meest betrouwbaar.

De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte doelbewust [aangever] en zijn vrienden achterna is gegaan.

Op de camerabeelden van het camerabewakingssysteem van regiopolitie Haaglanden, welke ter terechtzitting zijn getoond, is te zien dat verdachte zich bij het groepje van aangever voegt en dat er vervolgens geduw en getrek ontstaat tussen verdachte en [aangever]. Getuige [getuige 1] gaat tussen hen instaan en houdt ze kennelijk uit elkaar.14 [aangever] staat tussen geparkeerde auto's en een gracht. Verdachte staat 'vrij' met zijn rug naar de openbare weg. Op enig moment is te zien dat hij een voorwerp in zijn linkerhand heeft, zijn arm is naar beneden gericht. Daarna is te zien dat getuige [getuige 1] opzij beweegt en dat verdachte langs deze getuige zijn linkerarm en hand met daarin een voorwerp, kennelijk het vuurwapen, met een zwaai boven zijn hoofd naar het gezicht van [aangever] brengt, waarna [aangever] bukt en zijn handen naar zijn gezicht brengt waaruit kan worden afgeleid dat hij op dat moment in het gezicht is geschoten.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zijn vuurwapen de gehele avond, ook al in disco [disco], in doorgeladen staat in zijn broekzak heeft gezeten. Deze verklaring verschilt van zijn tweede verklaring waarin hij heeft15 heeft gezegd het wapen te hebben doorgeladen op het moment dat hij buiten dicht bij [aangever] in de buurt was gekomen. Ook in zijn eerdere verklaring van 29 september 2011 16 heeft verdachte verklaard dat het vuurwapen in disco [disco] nog niet was doorgeladen, maar dat hij dit deed toen hij vlak bij [aangever] en zijn vrienden was. In deze verklaring heeft verdachte tevens gezegd17: "Ik ga niet drie keer waarschuwen dan moet hij het zelf weten. Ik heb mijn wapen gepakt en heb hem geschoten." Op de camerabeelden is niet te zien dat verdachte het wapen nog heeft doorgeladen, nadat hij buiten bij [aangever] was aangekomen en er geduw en getrek was ontstaan, vlak voordat hij schoot.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij de gehele avond met een doorgeladen wapen op zak zou hebben gelopen, gelet op het grote risico op letsel bij zichzelf en anderen in de druk bezochte disco dat verdachte daarmee zou hebben genomen, echter volstrekt onaannemelijk.

De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte, aansluitend bij zijn verklaringen van 29 september 2011 en 21 december 2011, het wapen heeft doorgeladen op enig moment op zijn route van disco [disco] naar [aangever] en dat het wapen al was doorgeladen op het moment dat het geduw en getrek tussen hem en [aangever] aanving.

Het doorladen van het wapen acht de rechtbank een daad waaruit, in ieder geval op dat moment de voorwaardelijke, intentie volgt om dit wapen ook daadwerkelijk te gebruiken. De rechtbank concludeert verder dat verdachte - in de tijdspanne tussen het doorladen en het schieten - voldoende tijd heeft gehad om zich rekenschap te geven van de gevolgen van deze daad, en dat hij niettemin op [aangever] heeft geschoten.

Kort samengevat leidt de rechtbank uit de concrete feiten en omstandigheden af dat verdachte met doorgeladen wapen op [aangever] is afgelopen, kort met hem in discussie is geweest, en toen bewust op hem heeft geschoten. Hij had hierbij ruim de tijd om zijn handelen te overwegen, hetgeen hij niet heeft gedaan. Mitsdien heeft verdachte gehandeld met voorbedachte raad zoals voor een poging moord is vereist.

Opzet

Op voornoemde camerabeelden is te zien dat verdachte bovenlang het wapen op zeer korte afstand van het hoofd van [aangever] brengt en dat direct daarna het groepje uiteengaat, waarbij [aangever] naar zijn gezicht grijpt. Het verweer van de raadsman dat het wapen is afgegaan, omdat een ander aan de arm van verdachte trok tijdens het getrek en geduw, wordt door de rechtbank verworpen omdat een dergelijke lezing van de gebeurtenissen niet uit de camerabeelden blijkt en ook verdachte zelf dit niet heeft verklaard.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte de impliciet primair ten laste gelegde poging tot moord heeft begaan.

Ten aanzien van feit 2 bevat het dossier een proces-verbaal waaruit blijkt dat het wapen van verdachte een omgebouwd alarmpistool van de fabrikant [fabrikant]., model [model], kaliber 6.35 mm, betrof. In het patroonmagazijn bevonden zich vijf scherpe patronen en in de kamer bevond zich één scherp patroon, zijnde volmantel pistoolmunitie van het merg [merk] en [merk], kaliber 6.35 mm. Zowel het wapen als de munitie zijn van de IIIe Categorie in de zin van de Wet wapens en munitie.18 Het tenlastegelegde voorhanden hebben van een verboden vuurwapen en munitie is daarmee eveneens wettig en overtuigend bewezen.

3.5 De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op 25 september 2011 te 's Gravenhage ter uitvoering van het

door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met

voorbedachten rade [aangever] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad

en rustig overleg, op zeer korte afstand met een

vuurwapen een kogel in het gezicht van die [aangever] heeft

afgevuurd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

2.

hij op 25 september 2011 te 's-Gravenhage een wapen van

categorie III, te weten een omgebouwd alarmpistool (fabrikant: [fabrikant].,

merk: [merk], model: [model], kaliber: 6.35 mm), en

munitie van categorie III, te weten zes stuks volmantel pistoolmunitie (merk:

[merk] en/of [merk], kaliber: 6.35mm), voorhanden heeft gehad;

4. De strafbaarheid van het feit en de verdachte

4.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte heeft gehandeld vanuit noodweer en dat de rechtbank verdachte dient te ontslaan van alle rechtsvervolging.

4.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie concludeert dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman van de verdachte. Zij overweegt hiertoe als volgt.

De rechtbank gaat er, zoals hierboven uitdrukkelijk is overwogen, vanuit dat verdachte doelbewust achter [aangever] en zijn vrienden is aangegaan. Verdachte heeft daarmee zelf de confrontatie met [aangever] opgezocht. Daarbij waren verdachte en zijn vrienden fysiek in de meerderheid en konden zij, blijkens de camerabeelden, op ieder door hen gekozen moment de locatie van het delict verlaten.

Verdachte heeft verklaard dat hij had gezien dat [aangever] ook een vuurwapen bij zich had en dat hij, omdat hij bang was dat deze het wapen zou gebruiken, uit zelfverdediging heeft geschoten. De rechtbank overweegt dat geen van de getuigen een wapen bij [aangever] heeft gezien en dat ook later door de politie geen vuurwapen bij [aangever] of in diens omgeving is aangetroffen. Nu het dossier ook anderszins geen aanknopingspunten bevat die deze verklaring van verdachte zouden kunnen onderbouwen, wordt dit verweer als niet aannemelijk geworden verworpen.

De rechtbank concludeert uit het bovenstaande dat op geen enkel moment sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte door [aangever]. Integendeel, op de camerabeelden is te zien dat getuige [getuige 1], gedurende de gehele schermutseling tussen verdachte en [aangever] in heeft gestaan, terwijl verdachte degene was die op enig moment het pistool langs deze getuige heeft gebracht, en in de richting van het hoofd van [aangever] schoot.

Nu het bestaan van een noodweersituatie niet aannemelijk is geworden, wordt het beroep op noodweer verworpen.

Ook overigens zijn er geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten, zodat de bewezenverklaarde feiten strafbaar zijn. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5. De strafoplegging

5.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte ter zake van het hem onder feit 1 impliciet primair en feit 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

5.2. Het standpunt van de verdediging

Voor zover de rechtbank tot een bewezenverklaring van een poging tot moord, zou komen, heeft de verdediging verzocht aan de verdachte een aanzienlijk lagere straf op te leggen dan geëist door de officier van justitie.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot moord en verboden wapenbezit. Deze strafbare feiten behoren tot de meest ernstige misdrijven. Verdachte heeft het slachtoffer zonder noemenswaardige aanleiding in zijn gezicht geschoten; daarmee heeft hij op een schokkende en uiterst grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Door zijn handelen heeft verdachte tevens de rechtsorde ernstig aangetast en in het algemeen gevoelens van onveiligheid in de maatschappij teweeg gebracht. Strafverzwarend is voorts dat hij zijn daad op de openbare weg heeft verricht in aanwezigheid van meerdere mensen.

Dat het slachtoffer niet is overleden, is een gelukkige omstandigheid die zeker niet aan de verdachte is te danken. Het slachtoffer ondervindt blijkens de schriftelijke slachtofferverklaring nog dagelijks de gevolgen van het voorval. Hij zal een ingrijpende gebitsreparatie moeten ondergaan en het voorval heeft het slachtoffer ook psychisch ernstig aangegrepen. Hij is nog steeds erg angstig en kan zijn beroep niet meer uitoefenen wegens gebrek aan concentratie.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 30 september 2011 betreffende verdachte.

De rechtbank acht het zeer zorgwekkend dat verdachte het normaal lijkt te vinden om met een vuurwapen rond te lopen. Over de achtergronden van het gedrag van verdachte heeft de rechtbank geen informatie. De rechtbank heeft kennis genomen van een brief van drs. M.H. Keppel, GZ-psycholoog, d.d. 23 november 2011, waaruit blijkt dat verdachte niet wenste mee te werken aan een Pro Justitia rapportage, omdat in zijn jeugd al een dergelijke rapportage is opgesteld.

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank oplegging van een gevangenisstraf voor de duur, zoals door de officier van justitie is gevorderd, passend en geboden.

6. De vordering van de benadeelde partij / de schadevergoedingsmaatregel

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, groot € 5.666,54.

Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.666,54, subsidiair 63 dagen hechtenis, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever].

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging betoogt dat de vordering zoals nu ingediend niet helder is en daarom te ingewikkeld om te worden meegenomen in het strafproces.

Ten aanzien van de immateriële schade is de raadsman van mening dat een bedrag groot € 1.500,= bij wijze van voorschot redelijk is.

Ten aanzien van de immateriële schade is de raadsman van mening dat enkel de schadepost van € 81,62 dient te worden toegewezen, omdat dit bedrag daadwerkelijk door het slachtoffer is betaald.

De vordering dient, gezien de ingewikkelde materie en daardoor onevenredige belasting van het strafproces, voor het overige te worden aangebracht bij de burgerlijk rechter aldus de raadsman. De raadsman wijst er hierbij tevens op dat de kosten van het ambulancevervoer en de eerste hulp in het basispakket van de verzekering vallen.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 5.666,54.

De rechtbank acht de vordering niet zo complex dat deze een onevenredige belasting van het strafgeding vormt. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De rechtbank acht voorts voldoende onderbouwd dat de opgevoerde kosten daadwerkelijk zijn gemaakt dan wel redelijk zijn voor de nog te maken kosten.

Ter zake van de materiële schade zal de rechtbank dan ook het gevorderde bedrag, groot € 3.566,54, toewijzen.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd naar billijkheid een bedrag van € 2.100,= toewijzen.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van in totaal € 5.666,54.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5.666,54, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever].

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

7. De inbeslaggenomen goederen

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 1 en 2 genummerde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich niet uitgelaten over het beslag.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het bewezenverklaarde feit is begaan of voorbereid en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

- 24c, 36b, 36c, 36f, 45, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie;

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank,

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1. impliciet primair tenlastegelegde feit en het onder 2. tenlastegelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

poging tot moord;

ten aanzien van feit 2;

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen en munitie van categorie III;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte voorts om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [aangever] een bedrag van € 5.666,54;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 5.666,54 ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 63 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1 en 2 genummerde voorwerpen, te weten: 1) alarmpistool, merk [merk] en 2) 6 stuks munitie, merk [merk]/[merk].

Dit vonnis is gewezen door

mr. H.J.M. Smid-Verhage, voorzitter,

mrs H.N. Pabbruwe-Cohen Tervaert en T.L. Fernig-Rocour, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B. d'Arnaud Gerkens, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 april 2012.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit de pagina's van het doorgenummerde proces-verbaal met het nummer PL1512 2011202651, van de regiopolitie Haaglanden, gedateerd 29 september 2011, met bijlagen;

2 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 29 september 2011, pg. 242;

3 Hoge Raad, 28-02-2012, 10/03772 M, LJN: BR2342;

4 Proces-verbaal verhoor verdachte inbewaringstelling, d.d. 30 september 2011;

5 Proces-verbaal verhoor getuige [eigenaar disco], d.d. 26 september 2011, pg 143;

6 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 21 december 2011, pg. 441, ev.;

7 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 21 december 2011, pg. 456;

8 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 29 september 2011, pg. 242;

9 Proces-verbaal verhoor verdachte d.d. 29 september 2011, pg. 243;

10 Proces-verbaal verhoor aangever, d.d. 25 september 2011, pg. 106;

11 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1], d.d. 25 september 2011, pg. 130;

12 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 2], d.d. 25 september 2011, pg. 118;

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [beveiligingsmedewerker], d.d. 10 november 2011, pg. 330;

14 Zie ook proces-verbaal van bevindingen, d.d. 25 september 2011, pg. 186, ev.;

15 Proces-verbaal verhoor verdachte, d.d. 21 december 2011, pg 461;

16 Proces-verbaal verhoor verdachte, d.d. 29 september 2011, pg. 243;

17 Proces-verbaal verhoor verdachte, d.d. 29 september 2011, pg. 242;

18 Proces-verbaal d.d. 25 september 2011, pg. 168, 169 en 172