Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW1018

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
415887 - KG ZA 12-320
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2013:BZ6001, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De voorzieningenrechter neemt bij de beoordeling van de vorderingen als uitgangspunt dat het gevorderde een beperking vormt op het grondrecht van vrijheid van meningsuiting dat aan de Consumentenbond op grond van artikel 10 lid 1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (hierna: EVRM) toekomt. Dit recht kan volgens het tweede lid van dat verdragsartikel slechts worden beperkt indien deze beperking bij de wet is voorzien en deze in een democratische samenleving noodzakelijk is, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de Consumentenbond beoogt een neutrale instelling te zijn, op wiens oordeel consumenten kunnen vertrouwen. Publicaties van de Consumentenbond hebben een groot gezag en aan dergelijke publicaties komt veel invloed toe. Gegeven de invloed die aan zijn oordelen wordt gehecht, dient de informatieverstrekking en advisering deskundig, objectief en duidelijk te zijn. Gezien de reputatie van de Consumentenbond en de impact van door hem ingenomen standpunten, dient de wijze waarop de Consumentenbond met die standpunten naar buiten treedt te voldoen aan hoge eisen van zorgvuldigheid, duidelijkheid en neutraliteit. Aan dit uitgangspunt verbindt de voorzieningenrechter de gevolgtrekking dat het publiek eerder zal aannemen dat in de berichten van de Consumentenbond gedane feitelijke beweringen juist en gebezigde kwalificaties en geuite beschuldigingen gegrond zullen zijn dan wanneer het gaat om beweringen, kwalificaties en beschuldigingen in de media in het algemeen. Het staat de Consumentenbond vrij om elk gewenst product van een producent te onderzoeken en om daarover te publiceren, mits hij zich aan de hoge eisen van zorgvuldigheid, duidelijkheid en neutraliteit houdt. Wel heeft te gelden dat aan deze eisen extra betekenis toekomt indien het onderzoek van de Consumentenbond zich slechts op één product van één vermogensbeheerder richt en is gebaseerd op een klacht van een enkele klant van die vermogensbeheerder.

Kern van het geschil is het antwoord op de vraag of de Consumentenbond en de twee deskundigen die in het artikel aan het woord komen van een juist uitgangspunt zijn uitgegaan. Gelet op de overwegingen onder 4.5 is de voorzieningenrechter van oordeel dat het ter beschikking gestelde vermogen van de cliënt aan Matrix niet bedoeld was voor diens pensioenvoorziening. Nu het artikel als uitgangspunt neemt dat Matrix met pensioengeld is gaan beleggen in futures en deskundigen vanuit dat uitgangspunt daaraan conclusies hebben verbonden, berusten delen van de tekst op onjuiste en onvolledige informatie. De titel van het artikel en de tekst zelf wekken ten onrechte de indruk dat het door de cliënt bij Matrix in beheer gegeven vermogen bedoeld was als pensioenvoorziening. De conclusies van de in het artikel geciteerde deskundigen die mede oordelen over het optreden van Matrix gaan van ditzelfde onjuiste uitgangspunt uit. Het publiceren van het artikel met de huidige inhoud zou dan ook een onrechtmatige daad jegens Matrix opleveren. Juist de suggestie immers dat met pensioengeld is belegd op een wijze die in strijd is met het karakter van dat geld, zal een grote impact op de mogelijke klanten van Matrix hebben. Het belang van de Consumentenbond om consumenten te waarschuwen voor agressieve beleggers is een hoogwaardig belang, maar dat mag niet ten koste gaan van het belang van Matrix tot bescherming van de eer en goede naam van de onderneming indien de waarschuwing, zoals thans, gebaseerd wordt op een onjuist uitgangspunt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 415887 / KG ZA 12-320

Vonnis in kort geding van 28 maart 2012

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Matrix Asset Management B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. M. Hartman te Leiden,

tegen:

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

de Consumentenbond,

gevestigd en kantoorhoudende te 's-Gravenhage,

gedaagde,

advocaat mr. B. Krijnen te 's-Gravenhage.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als 'Matrix' en 'Consumentenbond'.

1. Het procesverloop

Matrix heeft de Consumentenbond op 26 maart 2012 doen dagvaarden om op 27 maart 2011 [de Consumentenbond heeft begrepen 2012 en is vervolgens vrijwillig verschenen; voorzieningenrechter] te verschijnen ter zitting van de voorzieningenrechter van deze rechtbank. De zaak is op 27 maart 2012 behandeld en er is op 28 maart 2012 door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 27 maart 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1. Matrix exploiteert sinds 1999 een onderneming die zich bezighoudt met het vermogensbeheer voor zowel particuliere als professionele beleggers.

2.2. De Consumentenbond behartigt de belangen van consumenten en houdt zich onder meer bezig met de voorlichting omtrent productkeuze en diensten door middel van onderzoek, informatieverstrekking en advisering.

2.3. Op 25 januari 2010 heeft Matrix met een nieuwe cliënt (hierna: de cliënt) een vermogensbeheerovereenkomst gesloten. Daarin is overeengekomen dat Matrix een deel van het vermogen van de cliënt, € 240.000,-- van een ontvangen ontslagvergoeding van € 318.000,--, zal gaan beleggen.

2.4. In bijlage I behorende bij voornoemde vermogensbeheerovereenkomst heeft de cliënt onder meer verklaard voor zijn levensonderhoud niet afhankelijk te zijn van de inkomsten uit het belegbare vermogen.

2.5. Op 3 februari 2010 heeft de cliënt een 'Verklaring posities in derivaten en/of effectenkrediet faciliteiten' van BinckBank te Amsterdam ondertekend. Daarin verklaart de cliënt dat het vermogen dat wordt aangehouden op een rekeningnummer bij BinckBank niet bestemd is voor de verwezenlijking van het uitvoeren van stamrechtregelingen en pensioenregelingen.

2.6. Op 4 november 2011 heeft de cliënt Matrix telefonisch bericht dat hij het beheer per direct wil staken omdat er een ondergrens is bereikt.

2.7. De cliënt heeft bij brief van 11 januari 2012 een klacht bij Matrix ingediend en haar aansprakelijk gesteld voor de geleden schade.

2.8. De Consumentenbond heeft omstreeks 24 februari 2012 aan Matrix aangekondigd dat zij een artikel 'Pensioengeld in futures' (hierna: het artikel) gaat publiceren in 'De Geldgids' april/mei 2012 van de Consumentenbond. Het artikel gaat over de kwestie met de cliënt en is door de Consumentenbond bij de aankondiging bijgevoegd.

2.9. Bij brief van 8 maart 2012 heeft Matrix gereageerd op het artikel en onder meer meegedeeld dat het artikel van een onjuist uitgangspunt uitgaat. Voorts heeft zij verscheidene op- en aanmerkingen op het artikel gegeven.

2.10. De Consumentenbond heeft naar aanleiding van voormelde brief van Matrix het artikel enigszins aangepast.

2.11. Matrix heeft, ondanks enkele aanpassingen, nog steeds bezwaar tegen publicatie van het artikel vanwege onder meer, voor zover van belang, de volgende passages:

"Pensioengeld in futures

(...)

[A] (...):'Dat [het innemen van shortposities; voorzieningenrechter] is speculeren en niet echt een beleggingsbeleid dat past bij het beheren van een pensioenportefeuille. (...)

[B] (...):'De klant neemt in het licht van zijn zeer defensieve wensen (inkomensopbouw) en vrijwel volledige afwezige kennis en ervaring een veel te groot risico.

(...)

[B]: 'De beheerder had zich moeten realiseren dat het product volstrekt niet aansluit bij de behoefte van de klant. Mijn conclusie: deze klant had niet in aanmerking mogen komen voor dit product.

(...)."

3. Het geschil

3.1. Matrix vordert - zakelijk weergegeven - de Consumentenbond:

primair:

I. te verbieden het artikel in de Geldgids of een ander tijdschrift of op een website of ander medium te publiceren dan wel de inhoud van het artikel op andere wijze openbaar te maken;

subsidiair (indien publicatie niet voorkomen kan worden):

II. te bevelen een rectificatie te plaatsen in de eerstvolgende Geldgids en Consumentengids, zonder toevoeging van tekst of commentaar;

III. te bevelen een rectificatie te plaatsen op alle aan de Consumentenbond verbonden websites, zonder toevoeging van tekst of commentaar;

IV. te veroordelen tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding van € 500.000,--, nader op te maken bij staat;

primair en subsidiair:

V. te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten;

de vorderingen onder I tot en met III op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.2. Daartoe voert Matrix het volgende aan.

De Consumentenbond dreigt onrechtmatig jegens Matrix te gaan handelen indien zij het artikel publiceert in de Geldgids. Het onderzoek dat de Consumentenbond heeft verricht is te beperkt en ondeugdelijk en daarmee onzorgvuldig. Uit het artikel blijkt niet wat hij heeft getoetst en bovendien is aan de opmerkingen van Matrix te weinig gewicht toegekend. De weergave van de feiten is onvolledig, onjuist en wekt bij de consument de verkeerde indruk. Het belang van Matrix weegt zwaarder dan het belang van de Consumentenbond bij publicatie van het artikel. Het is immers aannemelijk dat Matrix schade zal lijden door een eventuele publicatie. Het artikel is gebaseerd op slechts één klacht van één cliënt en wekt ten onrechte de suggestie dat van ernstige misstanden sprake is bij Matrix.

3.3. de Consumentenbond voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

4.1. De voorzieningenrechter neemt bij de beoordeling van de vorderingen als uitgangspunt dat het gevorderde een beperking vormt op het grondrecht van vrijheid van meningsuiting dat aan de Consumentenbond op grond van artikel 10 lid 1 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (hierna: EVRM) toekomt. Dit recht kan volgens het tweede lid van dat verdragsartikel slechts worden beperkt indien deze beperking bij de wet is voorzien en deze in een democratische samenleving noodzakelijk is, bijvoorbeeld ter bescherming van de goede naam of de rechten van anderen. Van een beperking die bij de wet is voorzien, is sprake wanneer de uitlatingen van gedaagden onrechtmatig zijn in de zin van artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek. Bij de beantwoording van de vraag of dit zich hier voordoet staan twee, ieder voor zich hoogwaardige, maatschappelijke en persoonlijke belangen tegenover elkaar: aan de ene kant het belang van Matrix dat zij niet wordt blootgesteld aan lichtvaardige en potentieel schadelijke beschuldigingen die afbreuk doen aan haar geloofwaardigheid en goede naam, en aan de andere kant het belang van de Consumentenbond dat hij zich in het openbaar kritisch, informerend, opiniërend, en/of waarschuwend moet kunnen uitlaten ter vervulling van zijn statutaire taken ten behoeve van de consument. Welke van deze belangen de doorslag behoort te geven, hangt af van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval (zie ook HR 18 januari 2008, NJ 2008, 274).

4.2. De vraag of de Consumentenbond onrechtmatig dreigt te handelen jegens Matrix dient voorts te worden beoordeeld aan de hand van de in de jurisprudentie (nader) ontwikkelde normen. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de Consumentenbond beoogt een neutrale instelling te zijn, op wiens oordeel consumenten kunnen vertrouwen. Publicaties van de Consumentenbond hebben een groot gezag en aan dergelijke publicaties komt veel invloed toe. Gegeven de invloed die aan zijn oordelen wordt gehecht, dient de informatieverstrekking en advisering deskundig, objectief en duidelijk te zijn. Gezien de reputatie van de Consumentenbond en de impact van door hem ingenomen standpunten, dient de wijze waarop de Consumentenbond met die standpunten naar buiten treedt te voldoen aan hoge eisen van zorgvuldigheid, duidelijkheid en neutraliteit. Aan dit uitgangspunt verbindt de voorzieningenrechter de gevolgtrekking dat het publiek eerder zal aannemen dat in de berichten van de Consumentenbond gedane feitelijke beweringen juist en gebezigde kwalificaties en geuite beschuldigingen gegrond zullen zijn dan wanneer het gaat om beweringen, kwalificaties en beschuldigingen in de media in het algemeen.

4.3. Matrix heeft betoogd dat het de Consumentenbond niet vrijstond om slechts één product bij één vermogensbeheerder en de klacht van slechts één klant te onderzoeken. Dit betoog treft geen doel. Het staat de Consumentenbond vrij om elk gewenst product van een producent te onderzoeken en om daarover te publiceren, mits hij zich aan de hoge eisen van zorgvuldigheid, duidelijkheid en neutraliteit houdt. Wel heeft te gelden dat aan deze eisen extra betekenis toekomt indien het onderzoek van de Consumentenbond zich slechts op één product van één vermogensbeheerder richt en is gebaseerd op een klacht van een enkele klant van die vermogensbeheerder. Er vindt dan immers geen vergelijking plaats tussen verschillende producten die (ook) aan elkaar getoetst kunnen worden of een onderzoek op basis van meerdere klachten die alle in meer of mindere mate juist kunnen zijn, maar slechts een heel beperkt onderzoek op basis waarvan conclusies worden getrokken die voor het bedrijf dat onderwerp van onderzoek is verstrekkende gevolgen kunnen hebben.

4.4. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het onderzoek van de Consumentenbond in abstracto zorgvuldig, duidelijk en neutraal is geweest, in die zin dat alle betrokken partijen zijn gehoord en de Consumentenbond onafhankelijke deskundigen heeft gevraagd hun visie over de casus te geven.

4.5. Kern van het geschil is het antwoord op de vraag of de Consumentenbond en de twee deskundigen die in het artikel aan het woord komen van een juist uitgangspunt zijn uitgegaan. De Consumentenbond stelt zich op het standpunt dat het vermogen van de cliënt diens pensioenvoorziening betrof, terwijl Matrix dat uitdrukkelijk bestrijdt. Vaststaat dat de cliënt een bedrag van € 318.000,-- als ontslagvergoeding heeft ontvangen van zijn voormalige werkgever. Deze vergoeding heeft hij deels, ten bedrage van € 240.000,-- in beheer gegeven aan Matrix. Het overige deel van de vergoeding, zijnde een bedrag van € 78.000,--, diende, zo heeft Matrix onweersproken gesteld, als aanvulling op het pensioen van de cliënt. Dat bedrag is bij een andere vermogensbeheerder in beheer gegeven. Dat het vermogen dat aan Matrix in beheer was gegeven niet diende ter aanvulling op het pensioen van de cliënt blijkt ook uit de ondertekende bijlage I bij de vermogensbeheerovereenkomst, hiervoor gemeld onder 2.4. Daarin wordt uitdrukkelijk aan de cliënt gevraagd of hij het te beleggen vermogen nodig heeft voor zijn levensonderhoud, hetgeen hij ontkennend beantwoordt. Daarnaast heeft de cliënt in de derivatenverklaring, genoemd onder 2.5, jegens BinckBank verklaard dat het aan Matrix in beheer gegeven vermogen niet bestemd is voor de verwezenlijking van het uitvoeren van stamrechtregelingen en pensioenregelingen. Het enkele feit dat het vermogen van de cliënt vanuit een stamrecht B.V. aan Matrix ter beschikking is gesteld, brengt nog niet als vanzelfsprekend mee dat het vermogen bedoeld was als pensioenvoorziening.

4.6. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het ter beschikking gestelde vermogen van de cliënt aan Matrix niet bedoeld was voor diens pensioenvoorziening. Nu het artikel als uitgangspunt neemt dat Matrix met pensioengeld is gaan beleggen in futures en deskundigen vanuit dat uitgangspunt daaraan conclusies hebben verbonden, berusten delen van de tekst op onjuiste en onvolledige informatie. De titel van het artikel en de tekst zelf wekken ten onrechte de indruk dat het door de cliënt bij Matrix in beheer gegeven vermogen bedoeld was als pensioenvoorziening. De conclusies van de in het artikel geciteerde deskundigen die mede oordelen over het optreden van Matrix gaan van ditzelfde onjuiste uitgangspunt uit. Het publiceren van het artikel met de huidige inhoud zou dan ook een onrechtmatige daad jegens Matrix opleveren. Juist de suggestie immers dat met pensioengeld is belegd op een wijze die in strijd is met het karakter van dat geld, zal een grote impact op de mogelijke klanten van Matrix hebben. Het belang van de Consumentenbond om consumenten te waarschuwen voor agressieve beleggers is een hoogwaardig belang, maar dat mag niet ten koste gaan van het belang van Matrix tot bescherming van de eer en goede naam van de onderneming indien de waarschuwing, zoals thans, gebaseerd wordt op een onjuist uitgangspunt.

4.7. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de Consumentenbond in dit geval onvoldoende zorgvuldig, duidelijk en neutraal het artikel heeft opgesteld waardoor hij thans onrechtmatig dreigt te handelen jegens Matrix indien voornoemd artikel op enigerlei wijze wordt gepubliceerd. De overige door Matrix aangevoerde bezwaren behoeven dan ook geen bespreking meer. De primaire vordering Matrix is, op de hierna te vermelden wijze, toewijsbaar.

4.8. Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gemaximeerd. Voorts zal er worden bepaald dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

4.9. Matrix heeft onvoldoende gesteld en onderbouwd dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten daadwerkelijk zijn gemaakt dan wel moeten worden aangemerkt als buitengerechtelijke kosten. De kosten waarvan Matrix vergoeding vordert, moeten derhalve worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten. De voorzieningenrechter zal dit onderdeel van de vordering daarom afwijzen.

4.10. De Consumentenbond zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- verbiedt de Consumentenbond om het artikel 'Pensioengeld in futures' met de huidige inhoud te publiceren dan wel de inhoud daarvan op andere wijze openbaar te maken;

- bepaalt dat de Consumentenbond een dwangsom verbeurt van € 50.000,-- indien zij niet aan dit verbod voldoet;

- bepaalt dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan;

- veroordeelt de Consumentenbond in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van Matrix begroot op € 1.467,17, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 575,-- aan griffierecht en € 76,17 aan dagvaardingskosten;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2012.

nve