Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW0995

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
05-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/21197
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voor de gevraagde vergunning in aanmerking komt, nu hij niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf hier te lande heeft gehad. Eiser heeft zich beroepen op de uitspraak van de AbRS van 22 februari 1979 waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat het begrip ‘hoofdverblijf’ in artikel 13, derde lid, van de Vreemdelingenwet 1965 een strikt feitelijke betekenis heeft, en daaronder niet kan worden verstaan legaal hoofdverblijf. Daarbij heeft de Afdeling de parlementaire geschiedenis van de Vreemdelingenwet 1965 in aanmerking genomen. Voorts heeft de Afdeling in die zaak van belang geacht dat de betreffende vreemdeling slechts gedurende een deel van haar verblijf in Nederland in het bezit was van een verblijfsvergunning. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de door eiser ter zitting aangehaalde uitspraak van de AbRS van 22 februari 1979 niet valt in te zien waarom het niet in strijd is met de standstillbepaling van artikel 13 van het Besluit 1/80 om eiser tegen te werpen dat hij in de periode van 8 maart 2007 tot 31 oktober 2007 een verblijfsgat heeft.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenwet 2000 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/232
Ars Aequi RV20120038 met annotatie van C.A. Groenendijk
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/21197

uitspraak van de enkelvoudige kamer ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de zaak tussen

[eiser], V-nummer [nummer]

(gemachtigde: mr. D. Schaap),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voorheen de minister voor Immigratie en Asiel, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Soylemez).

Procesverloop

Eiser heeft gesteld te zijn geboren op [datum] 1980 en de Turkse nationaliteit te hebben. Hij verblijft als vreemdeling in Nederland.

Bij besluit van 23 juni 2006 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'verblijf als au pair', geldig van 20 maart 2006 tot

8 maart 2007. Bij besluit van 13 februari 2009 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning onder de beperking verblijf bij partner, geldig van 31 oktober 2007 tot 31 oktober 2009. Deze vergunning is laatstelijk verlengd tot 5 december 2011.

Bij brief van 14 januari 2011 heeft eiser een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Deze aanvraag is tevens ambtshalve aangemerkt als een aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning 'verblijf bij partner'. Op deze aanvragen is door verweerder op 22 maart 2011 afwijzend beslist. Eiser heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend. Op 27 mei 2011, verzonden 30 mei 2011, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij brief van 27 juni 2011 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 11 januari 2012. Zowel eiser als verweerder hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1 Eiser stelt dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte zijn standpunt dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd heeft gehandhaafd. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat verweerder in het bestreden besluit heeft miskend dat de twee van de aan eiser gestelde voorwaarden voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd in strijd zijn met artikel 13 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije (Besluit 1/80). In dat artikel is immers bepaald dat na 1980 geen nieuwe beperkingen ingevoerd mogen worden met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden. De voorwaarden die een aanscherping inhouden zijn de voorwaarde dat het verblijf rechtmatig geweest moet zijn gedurende vijf jaren en dat dit op basis van een niet-tijdelijk verblijfsdoel geweest moet zijn. Eiser heeft met zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd een beperktere toegang tot de arbeidsmarkt dan als hij een vergunning voor onbepaalde tijd zou hebben. Ter zitting heeft eiser een beroep gedaan op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 22 februari 1979 (RV 1979,62), en 3 juni 1985 (RV 1985,26).

2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet voor de gevraagde vergunning in aanmerking komt, nu hij niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf hier te lande heeft gehad. Verweerder heeft in het verweerschrift van 23 december 2011 de voorwaarde dat het inburgeringsexamen moet zijn behaald laten vallen. Ter zitting heeft verweerder ook de voorwaarde laten vallen dat het rechtmatige verblijf gedurende vijf jaren moet zijn gebaseerd op een verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard.

3 Ingevolge artikel 21, eerste lid, onder a, van de Vw 2000 kan de aanvraag tot het verlenen of wijzigen van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20 worden afgewezen indien de vreemdeling niet gedurende vijf jaren ononderbroken en direct voorafgaande aan de aanvraag rechtmatig verblijf heeft gehad als bedoeld in artikel 8.

Het beleid met betrekking tot verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd is neergelegd in paragraaf B1/6 en B1/7, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).

4.1 De rechtbank overweegt het volgende.

Niet in geschil is dat eiser een verblijfsgat heeft en dat het Besluit 1/80 van toepassing is op de aanvraag van eiser. De rechtbank dient te beoordelen of voornoemde door verweerder gestelde eis in strijd is met artikel 13 van het Besluit 1/80.

4.2 In de voornoemde uitspraak van de AbRS van 22 februari 1979, heeft de Afdeling geoordeeld dat het begrip 'hoofdverblijf' in artikel 13, derde lid, van de Vreemdelingenwet 1965 een strikt feitelijke betekenis heeft, en daaronder niet kan worden verstaan legaal hoofdverblijf. Daarbij heeft de Afdeling de parlementaire geschiedenis van de Vreemdelingenwet 1965 in aanmerking genomen. Voorts heeft de Afdeling in die zaak van belang geacht dat de betreffende vreemdeling slechts gedurende een deel van haar verblijf in Nederland in het bezit was van een verblijfsvergunning.

4.3 De rechtbank is van oordeel dat gelet op de door eiser ter zitting aangehaalde uitspraak van de AbRS van 22 februari 1979 niet valt in te zien waarom het niet in strijd is met de standstillbepaling van artikel 13 van het Besluit 1/80 om eiser tegen te werpen dat hij in de periode van 8 maart 2007 tot 31 oktober 2007 een verblijfsgat heeft.

5 Gelet op het vorenstaande kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek als bedoeld in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit wordt vernietigd. Hetgeen eiser verder heeft aangevoerd behoeft gezien het voorgaande geen bespreking.

6 De rechtbank ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage

1 verklaart het beroep gegrond;

2 vernietigt het bestreden besluit van 27 mei 2011;

3 bepaalt dat verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak aan partijen een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van 20 april 2011;

4 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 874,-;

5 gelast verweerder eiser het door hem betaalde griffierecht van € 152,- te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. Steinhauser, rechter, in aanwezigheid van

mr. A. Badermann, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2012.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Bij het beroepschrift dient een kopie van deze uitspraak te worden overgelegd. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak van de rechtbank te bevatten en moet worden geadresseerd aan de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC Den Haag. (nadere informatie www.raadvanstate.nl)