Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW0931

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-03-2012
Datum publicatie
04-04-2012
Zaaknummer
11/16801
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing asielaanvraag. Artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 terecht tegengeworpen. Er dient positieve overtuigingskracht van het relaas van eisers uit te gaan. De rechtbank volgt eisers in hun standpunt dat verweerder in redelijkheid niet tegenstrijdig heeft kunnen achten wat eisers hebben verklaard over wie er aanwezig waren bij de aangifte van de mishandeling van eiser en de verkrachting van eiseres 2. Verweerder heeft deze door hem tegengeworpen tegenstrijdigheid in redelijkheid niet ten grondslag kunnen leggen aan zijn conclusie dat positieve overtuigingskracht ontbreekt. Dit leidt echter niet tot gegrondverklaring van het beroep gelet op wat verweerder overigens ten grondslag heeft gelegd aan zijn standpunt dat positieve overtuigingskracht ontbreekt. Verweerder heeft hiertoe redengevend kunnen achten dat het vermoeden van eisers dat de gestelde gebeurtenissen het gevolg zijn van hun Russische etniciteit en hun Russisch-orthodoxe geloofsovertuiging niet kan worden gevolgd nu de verklaringen van eisers niet overeenkomen met de algemene informatie hierover. Uit de door eisers in dit kader overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat de situatie in Oezbekistan zorgwekkend is nu er, volgens die stukken, sprake is van een staat die alles onder controle wil houden en er daarom sprake is van een forse beperking van onder andere de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van meningsuiting en de bewegingsvrijheid, maar uit deze stukken volgt niet dat er in het bijzonder sprake is van een achtergestelde positie van etnische Russen of Russisch-orthodoxe christenen. Verweerder heeft eveneens redengevend kunnen achten dat uit de door verweerder ingebrachte stukken blijkt dat de enige christelijke stroming die door de Oezbeekse autoriteiten wordt toegestaan juist de Russisch-orthodoxe stroming is. Op pagina 7 van het rapport van US State department staat immers dat er in de verslagperiode slechts één registratie is verleend en dat was nota bene voor een Russisch-orthodoxe kerk. De stelling van eisers, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2009, LJN: BI2317, dat deze informatie niet afdoende is en verweerder zich hier dan ook niet enkel op mag baseren, volgt de rechtbank niet, omdat een wezenlijk verschil is met de zaak van eisers dat in die zaak het feitelijke asielrelaas van de betreffende vreemdeling geloofwaardig was bevonden. Daarnaast heeft verweerder redengevend kunnen achten dat eisers onderling tegenstrijdig hebben verklaard over hun slaapplaatsen tijdens de gestelde brand in hun woning. Hiermee heeft verweerder voldoende steekhoudende argumenten aangedragen voor de conclusie dat het relaas van eisers positieve overtuigingskracht ontbeert en ongeloofwaardig is. De overige argumenten van verweerder en hetgeen eisers hiertegen hebben aangevoerd behoeven dan ook geen bespreking meer. In het asielrelaas van eisers heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien de aanvraag toe te wijzen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij niet toekomt aan de vraag of in Oezbekistan in het algemeen bescherming wordt geboden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Nevenzittingsplaats Dordrecht

Sector Bestuursrecht

Vreemdelingenkamer

procedurenummers: AWB 11/16801, 11/21486, 11/21487, V-nummers: [nummer1], [nummer], [nummer2], [nummer3]

uitspraak van de enkelvoudige kamer

in het geding tussen

[naam1] eiseres 1, [naam], eiser, [naam2], eiseres 2, samen eisers, mede namens [naam3] (de minderjarige zoon van eiseres 1)

gemachtigde: mr. W.A. Venema, advocaat te Rijsbergen,

en

de Minister voor Immigratie en Asiel, verweerder,

gemachtigde: mr. A. Hakvoort, ambtenaar bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst.

1. Ontstaan en loop van het geding

Verweerder heeft bij besluit van 18 april 2011 afwijzend beslist op de aanvraag van eisers tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij faxbericht van 16 mei 2011 beroep ingesteld.

De zaak is op 2 november 2011 ter zitting van een enkelvoudige kamer behandeld.

Eisers zijn ter zitting verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Het wettelijk kader

2.1.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) is Onze Minister bevoegd de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen.

Ingevolge artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover hier van belang, kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling:

a. die verdragsvluchteling is;

b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan:

1° doodstraf of executie;

2° folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen; of

3° ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict;

c. van wie naar het oordeel van Onze Minister op grond van klemmende redenen van humanitaire aard die verband houden met de redenen van zijn vertrek uit het land van herkomst, in redelijkheid niet kan worden verlangd dat hij terugkeert naar het land van herkomst.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zich zelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

2.1.2. Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

2.2. Het bestreden besluit en het verweer

2.2.1. Verweerder heeft bij besluit van 18 april 2011 afwijzend beslist op de aanvraag van eisers tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hiertoe is samengevat, het volgende overwogen. Allereerst is vastgesteld dat eisers toerekenbaar geen documenten hebben overgelegd. Ten aanzien van de verklaringen van eisers dat alle documenten zijn vernietigd bij de brand in de nacht van 18 op 19 juni 2010, wordt overwogen dat nu de brand niet geloofwaardig wordt geacht, evenmin geloofwaardig wordt geacht dat de documenten bij de brand zijn vernietigd. Er is hier geen sprake van een cirkelredenering, immers onder het kopje 'geloofwaardigheid van de verklaringen' is enkel terugverwezen naar hetgeen onder 'artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000' is overwogen aangaande de verbrande documenten. Het ontbreken van al deze documenten wordt dan ook aan hen toegerekend. Ook hebben eisers hun reisverhaal niet onderbouwd met enig indicatief bewijs noch zijn zij in staat om gedetailleerde, coherente en verifieerbare verklaringen omtrent de reisroute te geven. Nu er sprake is van omstandigheden in de zin van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000, moet er van het asielrelaas van eisers een positieve overtuigingskracht uitgaan. Het toetsingskader van de positieve overtuigingskracht is, gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling), niet in strijd met artikel 3 van het EVRM, dan wel het Vluchtelingenverdrag. Gelet op de inhoud van de rapporten van het United States Department of State van 11 maart 2010 en 17 november 2011 inzake Oezbekistan, wordt het asielrelaas van eisers niet gevolgd. Verweerder verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2009, LJN: BI2317.

De verklaringen van eisers dat hun problemen hun oorsprong vinden in hun Russische afkomst en hun Russisch-orthodoxe geloof strookt immers in zijn geheel niet met deze rapporten. Daarnaast hebben eisers (onderling) een aantal tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Allereerst heeft eiseres 1 tegenstrijdig verklaard over haar aanwezigheid bij de aangifte bij de politie nadat eiser en eiseres 2 mishandeld zouden zijn. Eveneens is haar verklaring tegenstrijdig met de verklaringen van eiser en eiseres 2. De stelling van eiseres 1 dat zij de politieagent die haar heeft mishandeld al eerder heeft gezien kan verweerder dan ook niet volgen. Dit doet ernstig afbreuk aan de gestelde mishandeling. Gelet hierop wordt ook geen waarde gehecht aan de overige verklaringen omtrent de mishandeling. Daarnaast hebben eisers onderling tegenstrijdig verklaard over hun slaapplaats ten tijde van de gestelde brand in hun woning in de nacht van 18 op 19 juni 2010. Derhalve wordt ook geen geloof gehecht aan de overige verklaringen omtrent de brand. De enkele niet nader onderbouwde stelling dat er geen tegenstrijdigheden zijn en dat de correcties en aanvullingen niet zijn betrokken bij de beoordeling of niet goed gelezen zijn, leidt niet tot een ander oordeel. Van het relaas van eisers gaat dan ook geen positieve overtuigingskracht uit.

Gelet op het voorgaande komen eisers niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op één van de gronden genoemd in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000.

2.2.2. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder zich wederom op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van een ontoelaatbare cirkelredenering en verwezen naar een uitspraak van de Afdeling van 6 augustus 2004, JV 2004/447. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat met de correcties en aanvullingen op de gehoren, de tegenstrijdigheden niet zijn weggenomen.

Uit de door eisers overgelegde stukken ten aanzien van de positie van Russisch-orthodoxe christenen blijkt verder geenszins van specifieke negatieve aandacht voor Russisch-orthodoxe christenen. Er blijkt uit deze rapporten vooral dat in Oezbekistan de vrijheid van godsdienst in het algemeen wordt beperkt door de autoriteiten.

Eisers hebben evenmin aannemelijk gemaakt dat zij illegaal zijn uitgereisd en verweerder ziet niet in wat eisers willen met het rapport inzake de gezondheidssituatie van de minderjarige zoon van eiseres 1.

2.3. De gronden van beroep

Eisers kunnen zich niet verenigen met het bestreden besluit en hebben hiertoe, samengevat, het volgende aangevoerd. Eisers stellen zich op het standpunt dat er sprake is van een cirkelredenering door verweerder, omdat het toerekenbaar ontbreken van documenten zowel onder het kopje 'artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000' als onder het kopje 'geloofwaardigheid van de verklaringen' is tegengeworpen. Voorts kan aan eisers niet worden tegengeworpen dat zij geen reisdocumenten hebben overgelegd, omdat die voor de reis per bus en minibus niet gebruikt zijn. Daarnaast is het feitelijk onjuist dat eisers geen consistente, gedetailleerde en verifieerbare verklaringen hebben afgelegd. Eisers hebben uitgebreid verklaard over de reis en hun verklaringen komen ook met elkaar overeen. Verweerder heeft derhalve ten onrechte het toetsingskader van de positieve overtuigingskracht gehanteerd. Tevens heeft verweerder ten onrechte de correcties en aanvullingen niet bij de beoordeling betrokken.

Verder heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat alle verklaringen van eiseres 1 omtrent haar mishandeling door de politie niet geloofwaardig zijn. Ten aanzien van de slaapplaats van eisers tijdens de brand in de nacht van 18 op 19 juni 2010, heeft eiseres 1 haar verklaringen bij de correcties en aanvullingen aangevuld op dit punt. Dit geldt ook voor de verklaringen van eiser en eiseres 2. Van tegenstrijdigheden in de verklaringen van eisers is dan ook geen sprake.

Verweerder heeft miskend dat er in Oezbekistan wel sprake is van een beperking van de godsdienstvrijheid door regelgeving hierover en optreden van de politie. Een religieuze groep kan alleen als zodanig functioneren indien die groep geregistreerd is en de Oezbeekse autoriteiten bepalen of een groep geregistreerd mag worden of niet. Er zijn zevenendertig Russisch-orthodoxe groeperingen op een aantal van anderhalf miljoen Russen. Dit is een aanwijzing voor het feit dat de Oezbeekse autoriteiten proberen het Russisch-orthodoxe geloof aan banden te leggen. Daarnaast verwijzen eisers naar de bij de zienswijze overgelegde rapportages waarin een ander beeld naar voren komt dan verweerder schetst. Verweerder heeft deze rapportages zonder motivering verworpen. Ook verwijzen eisers naar het artikel van de Noorse organisatie Forum 18 van 9 februari 2011, waaruit blijkt dat er sprake is van een verbod op missionaire activiteiten en het stichten van orthodoxe scholen. Verder is het onmogelijk om van de overheid toestemming te krijgen voor het vormen van nieuwe parochies.

Op de beschikbare bescherming in Oezbekistan is door verweerder niet ingegaan, vanwege de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas van eisers. Maar nu dit relaas ten onrechte als ongeloofwaardig is bestempeld, heeft verweerder hier eveneens ten onrechte geen standpunt over ingenomen.

Bovendien hangt eisers een strafrechtelijke veroordeling boven het hoofd vanwege illegale uitreis. In dit kader verwijzen eisers naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Arnhem, van 18 maart 2011, Awb 11/6392 en

Awb 11/6391.

Verder hebben eisers op 23 oktober 2011 een brief van R. de Vet, klinisch psycholoog, van 21 september 2011 ingebracht, waarin de situatie van de minderjarige zoon van eiseres 1 wordt beschreven.

2.4. Het oordeel van de rechtbank

2.4.1. Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, eerste deel van de zin, van de

Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag mede betrokken de omstandigheid dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag (hierna: bescheiden).

Voor toepassing van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 is gelet op de wettekst in beginsel slechts relevant dat bescheiden ontbreken. Als uitgangspunt geldt dat irrelevant is wat de reden is dat bescheiden ontbreken. Dit is pas anders als - zo bepaalt artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, tweede deel van de zin, van de Vw 2000 - de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van bescheiden niet is toe te rekenen aan hem. Of de vreemdeling dat aannemelijk heeft gemaakt toetst de rechtbank terughoudend.

Daarbij acht de rechtbank relevant dat, gelet op artikel 4:2, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 31 van de Vw 2000, de vreemdeling een verantwoordelijkheid heeft zijn aanvraag te onderbouwen met bescheiden. De vreemdeling wordt geacht die verantwoordelijkheid te onderkennen, zowel ten tijde van zijn beslissing zijn land te ontvluchten als tijdens zijn reis. Met inachtneming daarvan acht de rechtbank van belang of de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van bescheiden niet of slechts in beperkte mate het gevolg is van zijn handelen of stilzitten.

Uit de enkele stelling dat voor de reis per lijnbus en minibus geen documenten gebruikt zijn heeft verweerder niet hoeven afleiden dat eisers voormelde verantwoordelijkheid tijdig hebben onderkend en dat het ontbreken van bescheiden desondanks niet of slechts in beperkte mate het gevolg is van het handelen of stilzitten van eisers. Het toerekenbaar niet overleggen van reispapieren kan volgens de door de rechtbank gevolgde vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld haar uitspraak van 8 april 2008, LJN: BC9690, niet worden geheeld door het afleggen van gedetailleerde verklaringen over de reis. Hetgeen eisers in dat verband hebben aangevoerd behoeft dan ook geen bespreking. Nu het ontbreken van documenten ten aanzien van één van de elementen identiteit, nationaliteit of reisroute voldoende is voor het tegenwerpen van artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de

Vw 2000, kan in het midden blijven of het ontbreken van identiteits- en nationaliteitsdocumenten in dit geval eveneens kan worden toegerekend, dan wel of er ten aanzien hiervan al dan niet sprake is van een cirkelredenering.

Het betoog dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het ontbreken van bescheiden niet is toe te rekenen aan hen faalt.

2.4.2. Het ontbreken van bescheiden stelt verweerder buiten staat het asielrelaas te beoordelen met behulp van objectieve gegevens en verlangt van verweerder het asielrelaas op essentiële onderdelen te beoordelen op basis van verklaringen van de vreemdeling. In dat geval moet het asielrelaas positief overtuigen. Het vereiste van positieve overtuigingskracht drukt uit dat verweerder het ontbreken van bescheiden betrekt bij de beoordeling van de asielaanvraag, zoals voorgeschreven in artikel 31 van de Vw 2000.

2.4.3. Het asielrelaas van eisers betreft beknopt weergegeven het volgende. Eiser 1 is eind december 2009 mishandeld, eiseres 2 is eind december 2009 verkracht, de echtgenoot van eiseres 1 is eind april 2010 dood gevonden in een stuwmeer en de vader van eiseres 2 is in maart 2010 verbrand in zijn woning. Bovendien is eiseres 1 door de Oezbeekse autoriteiten mishandeld toen zij aangifte wilde doen van de dood van haar echtgenoot. Ook is er brand geweest in de woning van eisers, waarbij al hun documenten zijn verbrand. Eisers worden gediscrimineerd door de Oezbeekse bevolking. Al deze problemen vinden hun oorsprong in hun Russische etniciteit en het Russisch-orthodoxe geloof van eisers.

2.4.4. De rechtbank volgt eisers in hun standpunt dat verweerder in redelijkheid niet tegenstrijdig heeft kunnen achten wat eisers hebben verklaard over wie er aanwezig waren bij de aangifte van de mishandeling van eiser en de verkrachting van eiseres 2. Volgens pagina 11 van het rapport nader gehoor heeft eiseres 1 in gelijke zin verklaard als eiser en eiseres 2 in hun gehoren, namelijk dat beide vaders daarvan aangifte zijn gaan doen. Eerst na deze aangifte, zo volgt uit pagina 13 van het rapport nader gehoor, is eiseres 1 gaan vragen op het politiebureau waarom er niets met de zaak van eiser en eiseres 2 werd gedaan. Eén van de agenten die eiseres 1 tijdens dit bezoek heeft gezien, was later betrokken bij haar mishandeling, welke zou hebben plaatsgevonden op het politiebureau toen zij aangifte ging doen van de dood van haar echtgenoot. Verweerder heeft deze door hem tegengeworpen tegenstrijdigheid in redelijkheid niet ten grondslag kunnen leggen aan zijn conclusie dat positieve overtuigingskracht ontbreekt. Dit leidt echter niet tot gegrondverklaring van het beroep gelet op wat verweerder overigens ten grondslag heeft gelegd aan zijn standpunt dat positieve overtuigingskracht ontbreekt.

Verweerder heeft hiertoe redengevend kunnen achten dat het vermoeden van eisers dat de gestelde gebeurtenissen het gevolg zijn van hun Russische etniciteit en hun Russisch-orthodoxe geloofsovertuiging niet kan worden gevolgd nu de verklaringen van eisers niet overeenkomen met de algemene informatie hierover. De door eisers in dit kader overgelegde stukken leiden niet tot een ander oordeel. Uit deze stukken leidt de rechtbank af dat de situatie in Oezbekistan zorgwekkend is nu er, volgens die stukken, sprake is van een staat die alles onder controle wil houden en er daarom sprake is van een forse beperking van onder andere de vrijheid van godsdienst, de vrijheid van meningsuiting en de bewegingsvrijheid, maar uit deze stukken volgt niet dat er in het bijzonder sprake is van een achtergestelde positie van etnische Russen of Russisch-orthodoxe christenen. Eisers hebben onder andere een artikel overgelegd, waarbij foto's zijn afgebeeld waarop weliswaar te zien is dat een christelijke kerk wordt gesloopt, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat er sprake is van een algemene uitbanning van het Russisch-orthodoxe geloof.

Verweerder heeft eveneens redengevend kunnen achten dat uit de door verweerder ingebrachte stukken blijkt dat de enige christelijke stroming die door de Oezbeekse autoriteiten wordt toegestaan juist de Russisch-orthodoxe stroming is. Op pagina 7 van het rapport van US State department staat immers dat er in de verslagperiode slechts één registratie is verleend en dat was nota bene voor een Russisch-orthodoxe kerk. De stelling van eisers, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2009,

LJN: BI2317, dat deze informatie niet afdoende is en verweerder zich hier dan ook niet enkel op mag baseren, volgt de rechtbank niet, omdat een wezenlijk verschil is met de zaak van eisers dat in die zaak het feitelijke asielrelaas van de betreffende vreemdeling geloofwaardig was bevonden.

Daarnaast heeft verweerder redengevend kunnen achten dat eisers onderling tegenstrijdig hebben verklaard over hun slaapplaatsen tijdens de gestelde brand in hun woning in de nacht van 18 op 19 juni 2010. Eiser en eiseres 1 hebben beiden een tekening gemaakt die van elkaar verschilt. De slaapkamers van eiseres 1 en van haar minderjarige zoon zijn op de tekeningen omgedraaid. Eiseres 2 heeft in eerste instantie verklaard dat eiseres 1 in de woonkamer sliep en in de correcties en aanvullingen heeft zij verklaard dat dat de normale situatie was, maar dat op de avond van de brand de minderjarige zoon van eiseres 1 in de woonkamer sliep. Dit heeft eiseres 1 ook verklaard in de correcties en aanvullingen.

Eiseres 1 en eiser hebben echter niemand in de woonkamer getekend.

Hiermee heeft verweerder voldoende steekhoudende argumenten aangedragen voor de conclusie dat het relaas van eisers positieve overtuigingskracht ontbeert en ongeloofwaardig is. De overige argumenten van verweerder en hetgeen eisers hiertegen hebben aangevoerd behoeven dan ook geen bespreking meer. In het asielrelaas van eisers heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien de aanvraag toe te wijzen. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat hij niet toekomt aan de vraag of in Oezbekistan in het algemeen bescherming wordt geboden.

De hiertegen gerichte beroepsgronden falen.

2.4.5. De eerst in beroep naar voren gebrachte beroepsgrond dat eisers bij terugkeer het risico lopen strafrechtelijk vervolgd te worden omdat zij zonder uitreisvisum het land hebben verlaten, faalt. De uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 18 maart 2011, waar eisers zich op beroepen, is geen vergelijkbaar geval, omdat in die uitspraak geloofwaardig is bevonden dat het paspoort van de betreffende vreemdeling met visum is ingenomen en niet is betwist dat deze vreemdeling het paspoort nog altijd niet heeft teruggekregen. Er moet dan ook van uitgegaan worden dat het daarin opgenomen visum niet is verlengd. In het onderhavige geval wordt het asielrelaas van eisers niet geloofwaardig geacht en wordt het evenmin geloofwaardig geacht dat de documenten van eisers, waaronder hun paspoort, bij een brand zijn vernietigd. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij illegaal zijn uitgereisd.

2.4.6. De rechtbank heeft kennisgenomen van de op 23 oktober 2011 overgelegde brief inzake de gezondheidssituatie van minderjarige zoon van eiseres 1. Ondanks de ernst daarvan, is zijn gezondheidssituatie geen reden voor gegrondverklaring van het beroep.

2.4.7. Het beroep is derhalve ongegrond en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Gezien het vorenstaande beslist de rechtbank als volgt.

3. Beslissing

De rechtbank 's-Gravenhage,

- verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.J. Klomp, rechter, en door deze en mr. N. Jansen, griffier, ondertekend.