Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW0688

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
03-04-2012
Zaaknummer
390941 / HA ZA 11-1024
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet pensioenverevening; FPU-uitkeringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2012/156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 390941 / HA ZA 11-1024

Vonnis van 28 maart 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

advocaat mr. R.W. van den Hoek te Leiden,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat mr. J.M. Stevers te Leiden.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 21 maart 2011 met 7 producties,

- het herstelexploot van 13 april 2011,

- de conclusie van antwoord met 1 productie,

- het tussenvonnis van 3 augustus 2011, waarbij een comparitie van partijen is bevolen,

- het proces-verbaal van comparitie van 15 november 2011 met de daarin vermelde stukken.

1.2.Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.[eiseres] en [gedaagde] zijn van echt gescheiden. De echtscheidingsbeschikking van 13 oktober 2000, gewezen door deze rechtbank, is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand te Leiden op 18 december 2000.

2.2.Partijen hebben bij notariële akte van verdeling en levering van 2 april 2003 de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap verdeeld. Blijkens deze akte zijn partijen inzake de pensioenrechten het volgende overeengekomen:

"dat de pensioenrechten zullen worden verdeeld volgens de in artikel 3 lid 1 van de wet Pensioenverevening bij echtscheiding opgenomen standaardregeling, en dat de deelgenoten binnen twee maanden na ondertekening van onderhavige akte van verdeling en levering aan de pensioenuitvoerders mededeling doen van de scheidingsdatum, te weten achttien december tweeduizend, alsmede van de toepasselijkheid van de wet Verevening Pensioenrechten, (...)"

2.3.Bij brief van 17 juli 2003 heeft het ABP, de pensioenuitvoerder van [gedaagde], aan [eiseres] bericht niet aan haar verzoek tot verdeling van het pensioen via het ABP te kunnen voldoen, omdat zij dit verzoek te laat, namelijk niet binnen de wettelijke termijn van twee jaar na de scheidingsdatum, heeft ingediend.

2.4.Bij brief van 31 juli 2003 heeft het ABP, onder gelijktijdige verzending van een afschrift van deze brief aan [eiseres], aan [gedaagde] het volgende bericht:

"(...) Haar [[eiseres], rb] verzoek om ook uw aanspraken te verdelen moesten wij afwijzen omdat de wettelijke termijn hiervoor verstreken. Het pensioenfonds mag alleen uitvoering geven aan een verzoek van de ex-partner indien de wettelijke termijn nog niet verstreken is. Nu u geen verzoek tot verdeling heeft ingediend zal u zelf bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, of zoveel eerder bij gebruikmaking van de FPU, tot verrekening met uw ex-partner moeten overgaan. Het niet laten registreren van een verevening bij het pensioenfonds ontslaat u niet van uw verplichting ten opzichte van uw ex-partner. Mocht u alsnog wensen deze verrekening via het pensioenfonds te willen regelen dient u dit via bijgesloten aanvraagformulier aan ons kenbaar te maken."

2.5.[gedaagde] heeft vanaf 1 april 2007 tot 1 april 2009 een FPU-uitkering ontvangen en ontvangt vanaf 1 april 2009 ouderdomspensioen van het ABP.

2.6.Onder 2.2. van genoemde akte is voorts opgenomen dat naar aanleiding van het vonnis in kortgeding van 19 maart 2003 van deze rechtbank een bedrag van € 4.982,14 door [gedaagde] is gestort op een depotrekening bij de notaris en dat dit bedrag aan [eiseres] zal worden uitgekeerd na een schriftelijke en eensluidende opdracht van partijen.

2.7.In rov. 3.2 van het kortgedingvonnis is het volgende overwogen:

"(...) Anderzijds is duidelijk geworden dat thans over de definitieve verdeling van de roerende zaken tussen partijen verschil van mening bestaat. Partijen zijn het er met name niet over eens of alle zaken die volgens de hiervoor onder 1.4 genoemde lijst aan de man toekomen in zijn bezit zijn. De man stelt zich op het standpunt tot op heden niet alle op de lijst vermelde goederen te hebben ontvangen. De man acht zich derhalve niet gehouden tot betaling aan de vrouw van het bedrag van € 64.982,14 uit hoofde van overbedeling. De juistheid van een en ander kan in het kader van dit kort geding niet worden vastgesteld. Dit staat evenwel niet in de weg aan de toedeling en overdracht van de woning aan de man. In afwachting van de oplossing door partijen van het geschilpunt over de ontvangst door de man van de op de lijst vermelde goederen en van hetgeen partijen ter zitting hebben aangevoerd over de waarde daarvan, wordt het redelijk geacht om een gedeelte groot € 4.982,14 van het totale bedrag van € 64.982,14 dat de man aan de vrouw moet voldoen in depot bij de notaris te laten. Het resterende bedrag ad € 60.000,- dient de man aan de vrouw te voldoen."

2.8.[eiseres] heeft via haar raadsman bij brieven van 7 december 2010 aanspraak gemaakt op de helft van het door [gedaagde] tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen en FPU, alsmede op uitkering van de in depot staande gelden. [gedaagde] heeft hierop negatief gereageerd.

3.Het geschil

3.1.[eiseres] vordert - na vermindering van eis - samengevat het volgende:

1. veroordeling van [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van de helft van de ontvangen pensioentermijnen (FPU en ouderdomspensioen) vanaf 1 april 2006 tot de datum van uitspraak van dit vonnis;

2. veroordeling van [gedaagde] tot het geven van opdracht aan de pensioenuitkerende instantie om het bedrag waarop [eiseres] krachtens de pensioenvoorziening recht op heeft rechtstreeks aan haar over te maken;

3. in het geval de pensioenuitkerende instantie aan de hiervoor vermelde opdracht niet wil meerwerken, veroordeling van [gedaagde] - onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- telkens wanneer hij daarmee in gebreke blijft - tot tijdige en volledige betaling van het deel van het pensioen waarop [eiseres] recht heeft;

4. veroordeling van [gedaagde] tot medewerking aan het vrijgeven van het depot van € 4.982,- ten gunste van [eiseres], bij gebreke waarvan een dwangsom van € 100,- zal worden verbeurd voor iedere dag (of keer) wanneer in strijd met dit gebod wordt gehandeld;

5. te bepalen dat deze uitspraak dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van [gedaagde] waarin opdracht wordt gegeven aan de notaris tot uitbetaling van het depot.

6. veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.3.Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of en in hoeverre [eiseres] aanspraak heeft op de tijdens het huwelijk door [gedaagde] opgebouwde pensioenrechten.

Rechtsverwerking

4.2.[gedaagde] heeft daartegen in de eerste plaats aangevoerd dat [eiseres] haar aanspraak op deze pensioenrechten heeft verwerkt, omdat zij tijdens de procedure in kort geding een aanbod van [gedaagde] om ten aanzien van de pensioentermijnen een regeling te treffen van de hand heeft gewezen en omdat zij gedurende tien jaar geen enkele poging heeft gedaan om met [gedaagde] tot afspraken te komen. Dit betoog faalt. Partijen hebben immers nadat het vonnis in kort geding was gewezen, bij notariële akte alsnog een regeling getroffen met betrekking tot de pensioenrechten (zie onder 2.2). Toen bleek dat het verzoek bij de pensioenuitvoerder tot uitbetaling aan [eiseres] van de helft van het door [gedaagde] tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen te laat was ingediend, heeft de pensioenuitvoerder [gedaagde] er bij brief van 31 juli 2003 uitdrukkelijk op gewezen dat hij zelf wanneer hij de pensioengerechtigde leeftijd zou bereiken, of eerder, bij gebruikmaking van de FPU, tot verrekening met [eiseres] diende over te gaan (zie onder 2.3). [gedaagde] is op 1 april 2007 met vervroegd pensioen (FPU) gegaan en op 1 april 2009 met (ouderdoms)pensioen. Van de zijde van [eiseres] is bij brief van 7 december 2010 aanspraak gemaakt op voormelde pensioenrechten. Met het oog op de inhoud van de brief van 31 juli 2003 kan niet worden aangenomen dat [gedaagde] door het "stilzitten" van [eiseres] er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat wanneer hij met pensioen zou gaan, [eiseres] niet alsnog aanspraak zou maken op haar recht tot pensioenevening. Het beroep op rechtsverwerking wordt dan ook verworpen.

FPU (Flexibel Pensioen en Uittreden)

4.3.[gedaagde] heeft voorts betoogd dat nu partijen blijkens artikel 3 van de notariële akte uitdrukkelijk voor pensioenverevening hebben gekozen krachtens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps), [eiseres] geen aanspraak kan doen gelden op de door hem genoten FPU-uitkeringen, omdat deze uitkeringen niet als een pensioen in de zin van de Wvp kunnen worden beschouwd.

4.4.Het betoog van [gedaagde] slaagt. Artikel 1, derde lid, Wvps bepaalt immers dat tijdelijke pensioenen die alleen een uitkering geven aansluitend aan het dienstverband niet onder de wet vallen. Om die reden wordt bijvoorbeeld aangenomen dat VUT-uitkeringen niet onder de Wvps vallen. Aangezien ook de FPU-regeling, opgesteld ter vervanging van de VUT-regeling, een tijdelijk pensioenrecht is, valt naar het oordeel van de rechtbank ook deze regeling buiten de reikwijdte van het pensioenbegrip, zoals dat is gehanteerd in de Wvps. De rechtbank merkt daarbij op dat in de literatuur ook wel als standpunt wordt verdedigd dat onderdelen van de FPU-uitkering, zoals het opbouwdeel en de individueel bij te verzekeren aanspraken, wel onder de Wvps vallen, omdat deze uitkeringen bij tussentijds vertrek uit dienstbetrekking tot een premievrije aanspraak zouden leiden en het recht hierop dus niet uitsluitend wordt verkregen aansluitend aan het dienstverband van betrokkene. Nu [eiseres] over dit aspect evenwel niets heeft gesteld, kan de rechtbank in een verdere beoordeling daarvan niet treden. De aanspraak van [eiseres] op verevening van het door [gedaagde] tijdens het huwelijk opgebouwde recht op FPU wordt mitsdien verworpen.

Ouderdomspensioen

4.5.Vast staat dat [eiseres] aanspraak heeft op pensioenverevening van het door [gedaagde] tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen.

[eiseres] heeft onder overlegging van twee brieven van het ABP van respectievelijk 29 september 2009 en 7 april 2011 betoogd dat [gedaagde] vanwege achterstallige pensioentermijnen een brutobedrag aan haar verschuldigd is over de jaren 2009 t/m 2011 van (2x € 1.672,20) € 3.344,40 plus € 1.676,88, derhalve in totaal € 5.021,28. [gedaagde] heeft de hoogte van deze bedragen betwist en gesteld dat hij de in de ABP-brieven genoemde bedragen niet ontvangt, maar zijn stellingen niet (concreet) onderbouwd, bijvoorbeeld door aan te geven welke bedragen hij dan wel ontvangt, zodat de rechtbank aan deze betwisting voorbij zal gaan. De rechtbank zal de vordering tot betaling van de achterstallige pensioentermijnen derhalve toewijzen.

4.6.[eiseres] heeft voorts aanspraak gemaakt op haar vereveningsdeel ten aanzien van de toekomstige pensioentermijnen van [gedaagde]. Dat het daarbij gaat om de helft van de toekomstige pensioenuitkeringen die het ABP jaarlijks aan [gedaagde] zal voldoen, is duidelijk. Anders dan [gedaagde] betoogt, is de vordering daarmee voldoende bepaald. De rechtbank zal de vorderingen van [eiseres], zoals hiervoor in rechtsoverweging 3.1 onder 2 en 3 weergegeven, dan ook toewijzen, met dien verstande dat in verband met het bepaalde in art. 611a lid 1, slot, geen dwangsom aan [gedaagde] zal worden opgelegd.

Depot ad € 4.982,-

4.7.Het tweede onderwerp van geschil tussen partijen betreft het bij de notaris in depot staande bedrag van € 4.982,-, waarvan [eiseres] uitkering vraagt . Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij niet weet welke zaken uit de boedel [gedaagde] niet zou hebben ontvangen, zodat zij ter zake ook geen verplichtingen (meer) heeft jegens [gedaagde]. [gedaagde] heeft gesteld zijn toestemming tot uitkering van het depotgeld te weigeren, omdat hij nog altijd niet beschikt over alle goederen van de in het kortgedingvonnis genoemde lijst. Op de comparitie heeft hij echter verklaard dat hij, noch de notaris, over de lijst beschikt en dat hij niet weet om welke goederen het gaat. Aangezien [gedaagde] zijn weigering niet heeft kunnen staven met een concreet betoog over de soort zaken die volgens hem door [eiseres] nog verschuldigd zijn, is de rechtbank van oordeel dat [gedaagde] geen grond heeft om zijn weigering om medewerking te verlenen aan de uitkering van het depot aan [eiseres] te handhaven.

4.8.[eiseres] heeft gevorderd dat [gedaagde] wordt bevolen om mee te werken aan het vrijgeven van het depot op straffe van een dwangsom, alsmede om te bepalen dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van zijn medewerking. Nu vast staat dat [gedaagde] tot op heden zijn medewerking en toestemming tot vrijgave van het depot niet heeft willen geven, zal de rechtbank deze vorderingen - op de wijze als hierna vermeld - toewijzen. De gevorderde dwangsom wijst de rechtbank af. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat daarvoor geen noodzaak, nu naast de gevorderde medewerking aan het vrijgeven van het depot, ook de indeplaatsstelling van dit vonnis is gevorderd en zal worden toegewezen voor het geval [gedaagde] zijn medewerking niet zal verlenen.

Proceskosten

4.9.[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 94,98

- griffierecht 588,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.586,98

5.De beslissing

De rechtbank

5.1.veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 5.021,28, over te maken op bankrekeningnummer [nummer] ten name van [eiseres],

5.2.veroordeelt [gedaagde] de pensioenuitkeringsinstantie (ABP) opdracht te geven maandelijks de helft van het bedrag waarop [gedaagde] krachtens de pensioenvoorziening recht heeft, rechtstreeks over te maken aan [eiseres] op het onder 5.1 vermelde bankrekeningnummer,

5.3.veroordeelt [gedaagde] - in het geval de pensioenuitkeringsinstantie niet haar medewerking verleent aan de opdracht als bedoeld onder 5.2 - tot tijdige en volledige betaling aan [eiseres] van het deel van zijn pensioen waarop zij op grond van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding aanspraak heeft, telkens te voldoen na uitbetaling door het pensioenfonds, voor de eerste van de daaropvolgende maand;

5.4.beveelt [gedaagde] om na betekening van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan het vrijgeven van het depot van € 4.982,- ten gunste van [eiseres],

5.5.bepaalt dat, indien [gedaagde] in gebreke blijft aan het onder 5.4 genoemde bevel te voldoen, dit vonnis in de plaats treedt van zijn medewerking en toestemming tot uitbetaling van het depot van € 4.982,- aan [eiseres],

5.6.veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.586,98,

5.7.verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.wijst het meer of anders gevorderde af,

Dit vonnis is gewezen door mr. I. Brand en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2012.