Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW0670

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
03-04-2012
Zaaknummer
380134 - HA ZA 10-3971
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onteigening, schadeloosstelling, huurder. Aan de huurder komt schadeloosstelling toe die bestaat uit de (volledige) bedrijfsschade van de mede door hem gedreven vennootschap, welke schadeloosstelling de huurder aan die vennootschap dient te voldoen. Dat er sprake is van een verandering in de zin van artikel 39 Ow betekent niet dat de huurder geen aanspraak kan maken op vergoeding van zijn schade. De financiële consequenties van die verandering die schadeverhogend zijn, dienen te worden geëlimineerd. Nadere opdracht aan deskundigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 380134 / HA ZA 10-3971

Vonnis van 28 maart 2012

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE DEN HAAG,

zetelende te 's-Gravenhage,

eiseres,

advocaat: mr. P.S. Kamminga te 's-Gravenhage,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat: mr. W.J.E. van der Werf te 's-Gravenhage,

en

[interveniënt],

wonende te [woonplaats],

interveniënt,

advocaat: A.P. van Delden te 's-Gravenhage (voorheen mr. W.B. van Rookhuijzen).

Partijen zullen hierna de gemeente, [gedaagde] en [interveniënt] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het incidentele vonnis van 2 maart 2011 en de daarin genoemde stukken;

- het proces-verbaal van de descente van 10 maart 2011 en de daarin genoemde stukken;

- de brief van mr. Kamminga van 23 maart 2011 met bijlagen aan de deskundigen;

- de brief van mr. Van der Werf van 31 maart 2011 met bijlagen aan de deskundigen;

- de brief van mr. Van Rookhuijzen van 31 maart 2011 met bijlagen aan de deskundigen;

- de brief van mr. Van der Werf van 1 april 2011 met bijlagen aan de deskundigen;

- de brief van mr. Kamminga van 4 april 2011 aan de rechtbank;

- het e-mailbericht van mr. Van der Werf van 8 april 2011 met bijlagen aan de rechtbank;

- de brief van mr. J.R. Vermeulen, voorzitter van de deskundigencommissie, van 14 april 2011 aan partijen;

- de brief van mr. Van der Werf van 5 mei 2011 aan de deskundigen;

- de brief van mr. Van Rookhuijzen van 6 mei 2011 met bijlagen aan de deskundigen;

- het e-mailbericht van mr. Vermeulen van 12 mei 2011 met bijlage aan mr. Van Rookhuijzen;

- het concept deskundigenrapport;

- de brief van mr. Kamminga van 14 juni 2011 aan de deskundigen;

- de brief van mr. Vermeulen van 15 juni 2011 aan mr. Kamminga;

- de brief van mr. Van Rookhuijzen van 13 juli 2011 aan de deskundigen;

- de brief van mr. Kamminga van 15 juli 2011 aan de deskundigen;

- de brief van mr. Van der Werf van 18 juli 2011 aan de deskundigen;

- de brief van mr. Vermeulen van 1 augustus 2011 aan Van der Werf;

- de brief van mr. Van der Werf van 5 augustus 2011 met bijlagen aan de deskundigen;

- het definitieve deskundigenrapport van1 september 2011 (depotnr. 2011/35 AZ);

- de beschikking van 14 oktober 2011, waarbij pleidooi is bepaald op 14 februari 2012;

- de brief van mr. Van der Werf van 14 december 2011 aan mr. Kamminga;

- de incidentele conclusie tot tussenkomst van de zijde van [A];

- de conclusie van antwoord in het incident tot tussenkomst van de zijde van de gemeente;

- de brief van mr. W.J.E. van der Werf van 23 december 2011 aan mr. Kamminga;

- het incidentele vonnis van 11 januari 2012, waarbij de incidentele vordering van [A] is afgewezen;

- het voorwaardelijk verzoek ex artikel 54o Ow van 7 december 2011 van de zijde van [interveniënt];

- de brief van mr. A.P. van Delden van 7 februari 2012 met bijlagen aan de rechtbank;

- de brief van mr. Vermeulen van 10 februari 2012 aan de rechtbank;

- de pleitaantekeningen van mr. Kamminga;

- de pleitaantekeningen van mr. Van Delden;

- de brief van mr. Van Delden van 27 februari 2012 aan de rechtbank.

1.2.Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.Bij vonnis van 29 december 2010 (hierna: het onteigeningsvonnis) heeft de rechtbank vervroegd de onteigening uitgesproken ten name en ten behoeve van de gemeente van:

het perceel kadastraal bekend gemeente 's-Gravenhage, [sectie, nummer], ter grootte van 00.01.96 ha (grondplannummer [nummer]);

plaatselijk bekend [A-straat te plaats A], vrij van alle met betrekking tot de onroerende zaak bestaande lasten en rechten.

Op het onteigende bevindt zich een pand dat rond 1600 is gebouwd. Op de begane grond bevindt zich een bedrijfsruimte, die laatstelijk werd gebruikt als koffie- en eethuis. Het bovenhuis ([A-straat]) omvat een eerste en tweede verdieping die afzonderlijk voor telkens korte perioden gemeubileerd en gestoffeerd door [gedaagde] werden verhuurd.

2.2.In het onteigeningsvonnis is het voorschot op de schadeloosstelling voor [gedaagde] bepaald op € 270.000,-- en is de som van de door de gemeente voor [gedaagde] te stellen zekerheid bepaald op € 30.000,--.

2.3.De opneming door de rechter-commissaris en de deskundigen als bedoeld in artikel 54j juncto artikel 28 van de Onteigeningswet (Ow) heeft op 10 maart 2011 plaatsgevonden.

2.4.Op 25 maart 2011 is het onteigeningsvonnis in de openbare registers ingeschreven.

2.5.Bij rapport van 1 september 2011, ter griffie gedeponeerd op 14 september 1011, hebben de deskundigen over de schadeloosstelling voor onteigening als volgt geadviseerd:

waarde van het onteigende € 352.000,--

overige schade van gedaagde € 25.908,--

schade [interveniënt] € 7.000,--

schade van andere derdebelanghebbenden nihil

totaal € 384.908,--

2.6.De gemeente en [interveniënt] hebben bij pleidooi gereageerd op het definitieve deskundigenrapport. De rechtbank oordeelt thans als volgt.

De door [interveniënt] overgelegde stukken

2.7.Op 7 februari 2012, een week voor pleidooi, heeft [interveniënt] een voorwaardelijk verzoek ingediend tot verhoging van het aan hem toegekende voorschot (artikel 54o Ow) en stukken overgelegd betreffende de door hem gemaakte kosten van rechtsbijstand. De gemeente heeft betoogd dat deze stukken te laat aan de rechtbank en de gemeente zijn toegestuurd, nu daarvoor ingevolge het Landelijk Procesreglement een termijn van uiterlijk veertien dagen voor pleidooi geldt (artikel 2.9).

2.8.Naar het oordeel van de rechtbank heeft [interveniënt] inderdaad buiten de in het Landelijk Procesreglement gestelde termijn bedoelde stukken toegezonden. Daargelaten dat in de beschikking waarbij pleidooi is bepaald is opgenomen dat partijen tot één week voor de zitting stukken in het geding kunnen brengen, overweegt de rechtbank dat het verzoek tot verhoging van het voorschot slechts drie pagina's beslaat en eenvoudig is te doorgronden. De gemeente is op dit verzoek ter pleidooi bovendien gemotiveerd ingegaan. Ten aanzien van de overgelegde advocaatkosten geldt dat op deze kosten pas wordt beslist bij eindvonnis. Uit het onderstaande zal blijken dat dit vonnis een tussenvonnis betreft, zodat de gemeente nog voldoende gelegenheid zal hebben om op deze kosten in te gaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gemeente niet in haar belangen is geschaad, zodat geen aanleiding bestaat om aan het beroep van de gemeente op het Landelijk Procesreglement verdere gevolgen te verbinden.

De schadeloosstelling voor [gedaagde]

2.9.De gemeente en [gedaagde] hebben de rechtbank bericht minnelijke overeenstemming te hebben bereikt over de aan [gedaagde] toekomende schadeloosstelling. De rechtbank zal in deze procedure daarom alleen een beslissing nemen over de aan de derde belanghebbenden toekomende schadeloosstelling.

Schade van derde belanghebbenden

2.10.Ten aanzien van de schade die derde belanghebbenden lijden als gevolg van de onteigening overwegen de deskundigen als volgt.

2.11.De op de begane grond gelegen bedrijfsruimte is met ingang van 1 maart 1999 voor de bepaalde tijd van 5 jaar met aansluitende verleningen van telkens 5 jaar door [gedaagde] verhuurd aan [interveniënt]. Met ingang van 1 april 2010 exploiteert [interveniënt] in de bedrijfsruimte een koffie- en eethuis tezamen met [B] (hierna: [B]) in een vennootschap onder firma geheten 'Restaurant Spinoza V.O.F.' (hierna: vennootschap II). De deskundigen is gebleken dat het winstaandeel van [interveniënt] in vennootschap II op de peildatum (25 maart 2011) 5% beliep. De resterende winst kwam toe aan [B]. Vóór 1 april 2010 was [B] werknemer van het restaurant en was de exploitatie in handen van [interveniënt] samen met [A], eveneens in een vennootschap onder firma (hierna: vennootschap I).

2.12.Volgens de deskundigen valt alleen [interveniënt], als huurder, aan te merken als derde belanghebbende in de zin van artikel 3 Ow. [B] had immers op de peildatum geen zakelijk of persoonlijk recht op het onteigende. Voorts dient de schade van [B] ook niet op andere wijze bij de begroting van de schadeloosstelling te worden betrokken, omdat de exploitatie van het koffie- en eethuis door vennootschap II pas is aangevangen na terinzagelegging van het onteigeningsplan als bedoeld in artikel 39 Ow.

2.13.Ten aanzien van de schade van [interveniënt] overwegen de deskundigen dat de bemoeienis van [interveniënt] met de exploitatie van het restaurant in de bedrijfsruimte feitelijk niet meer inhield dan dat hij de door hem gehuurde bedrijfsruimte aan een ander ter beschikking stelde tegenover een winstaandeel van 5%. Gelet op het zeer beperkte rendement van [interveniënt] gedurende de afgelopen jaren enerzijds (gemiddeld € 1.053,-- per jaar) en de risico's verbonden aan het huren van bedrijfsruimte en het exploiteren van een restaurant anderzijds zijn de deskundigen van oordeel dat een redelijk handelend ondernemer er niet voor zou kiezen de onderneming na onteigening te verplaatsen naar een andere locatie en daarvoor investeringen te doen. Daarbij is ook van belang dat het huren van een vervangende horeca-inrichting of het huren van casco bedrijfsruimte en aanpassing en inrichting daarvan tot restaurant substantiële investeringen en huisvestingslasten met zich zou brengen. De deskundigen adviseren daarom de door [interveniënt] geleden schade te begroten op basis van liquidatie van de gevoerde onderneming. De winstderving, begroot op € 1.000,-- per jaar, dient volgens de deskundigen aan [interveniënt] te worden vergoed tegen de voor een huurder van bedrijfsruimte gebruikelijke factor 7, ofwel € 7.000,--.

2.14.De gemeente voert aan dat het enkele feit dat [interveniënt] een aandeel had in de winst van de onderneming niet rechtvaardigt dat hij een schadeloosstelling dient te ontvangen. [interveniënt] had de aanspraak op de winst immers niet als huurder, maar als vennoot. Aan [interveniënt] werd ook geen vergoeding betaald voor het ter beschikking stellen van de bedrijfsruimte. De mogelijkheid tot het genereren van winst eindigt voor [interveniënt] dan ook niet als gevolg van de onteigening. Het al dan niet blijven voortbestaan van de onderneming is slechts afhankelijk van de eigen beslissingen van de deelnemende vennoten, aldus de gemeente.

2.15.[interveniënt] voert aan dat de gehele bedrijfsschade van de onderneming bij de begroting van de aan hem toekomende vergoeding dient te worden betrokken. Er is sprake van een samenwerkingsverband, sinds 1 januari 2008 gegoten in een vennootschap onder firma, dat over en weer verplichtingen schept, gericht op een gezonde exploitatie van de onderneming. Wanneer wordt gekeken naar de jaarlijkse bedrijfswinst, is er sprake van een onderneming die, de onteigening weggedacht, door redelijk handelende vennoten zou zijn voortgezet. Aan [interveniënt] dient aldus de ondernemingsschade te worden vergoed op basis van fictieve verplaatsing van de onderneming, zodat de inkomenspositie van [interveniënt] voor en na onteigening gelijk is. Het restaurant wordt al sinds 1 januari 2008, aldus voor de terinzagelegging van het onteigeningsplan, geëxploiteerd in een vennootschap onder firma, zodat wat dat betreft geen sprake is van een verandering in de zin van artikel 39 Ow. De overdracht van het aandeel in de onderneming van [A] aan [B] valt volgens [interveniënt] evenmin aan te merken als een verandering in de zin van artikel 39 Ow. [B] heeft de positie van [A] namelijk overgenomen wegens de slechte gezondheid van [A]. Die verandering is dus een normale of noodzakelijke verandering die aansluit bij de aard en de wijze van gebruik van de onroerende zaak. Deze wijziging heeft ook geen verhoging van de schadevergoeding teweeg gebracht, aldus [interveniënt].

2.16.De rechtbank zal in de eerste plaats beoordelen, welke derde belanghebbenden aanspraak kunnen maken op schadeloosstelling en waaruit deze schadeloosstelling bestaat, ervan uitgaande dat de onteigeningsvergoeding dient te worden begroot aan de hand van de situatie op de peildatum. Daarna zal aan de orde komen op welke wijze het feit dat pas na terinzagelegging van het onteigeningsplan [A] is teruggetreden als vennoot, en [B] als vennoot betrokken is geraakt bij de exploitatie van het koffie- en eethuis, van invloed is op de berekening van de schadeloosstelling.

2.17.De rechtbank is met de gemeente van oordeel dat [B] en vennootschap II niet zijn aan te merken als derde belanghebbenden in de zin van artikel 3 Ow. Zij hebben immers geen persoonlijk of zakelijk recht op het onteigende. Alleen [interveniënt] kan als huurder aanspraak maken op een schadeloosstelling. De aan [interveniënt] toekomende schadeloosstelling bestaat echter niet uit de door hem gederfde winst van gemiddeld € 1.000,-- per jaar. [interveniënt] genoot deze winst immers niet als huurder, zoals de gemeente ook betoogt, maar als vennoot. Bij de begroting van de aan [interveniënt] toekomende schadeloosstelling dient daarom naar het oordeel van de rechtbank tot uitgangspunt te worden genomen dat aan [interveniënt] de volledige bedrijfsschade van de door hem (mede) gedreven vennootschap dient te worden vergoed. [interveniënt] heeft immers de door hem gehuurde bedrijfsruimte, zonder daarvoor een vergoeding te verkrijgen, ter beschikking gesteld aan de onderneming. Als gevolg van de onteigening zal [interveniënt] daartoe niet meer in staat zijn. Gelet op de vennootschappelijke verhouding waarin [interveniënt] zich op de peildatum bevond, brengt de billijkheid met zich mee dat op [interveniënt] de verplichting rust de schade die de vennootschap dientengevolge lijdt aan die vennootschap te voldoen (zie ook HR 22 maart 1972, NJ 1972, 294 (Staat/Vosman) en HR 6 juni 1973, NJ 1974, 140 (Staat/Lamers)). De schade die [interveniënt] dientengevolge lijdt is aan te merken als rechtstreeks en noodzakelijk onteigeningsgevolg. De schadeloosstelling voor onteigening voor [interveniënt] bestaat dus uit de bedrijfsschade van de vennootschap.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat alleen [interveniënt] kan worden aangemerkt als derde belanghebbende en dat hem een schadeloosstelling toekomt die bestaat uit de (volledige) bedrijfsschade van de mede door hem gedreven vennootschap, welke schadeloosstelling [interveniënt] aan die vennootschap dient te voldoen.

2.18.Ten aanzien van de vraag wat de invloed is op de schadeloosstelling van het feit dat, na de terinzagelegging van het onteigeningsplan, een wijziging heeft plaatsgevonden met betrekking tot de door [interveniënt] (mede) gedreven vennootschap, oordeelt de rechtbank als volgt.

De exploitatie van het koffie- en eethuis door vennootschap II is pas na terinzagelegging van het onteigeningsplan (blijkens het KB op 15 december 2008) aangevangen. Daarvoor werd het koffie- en eethuis geëxploiteerd door vennootschap I. De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 39 Ow bij de berekening van de schadeloosstelling niet wordt gelet op veranderingen tot stand gebracht na terinzagelegging van het onteigeningsplan, tenzij het normale of noodzakelijke veranderingen betreft die aansluiten bij de aard en de wijze van het gebruik van de onroerende zaak ten tijde van de onteigening. Er moet vanuit worden gegaan dat per 1 april 2010 vennootschap I is beëindigd en vennootschap II is opgericht. Ingevolge artikel 7A:1683 BW eindigt een vennootschap onder firma immers door uittreding van een van de vennoten. Bij oprichting van een vennootschap onder firma kunnen partijen hiervan afwijken, maar dat dit in dit geval is gebeurd is gesteld noch gebleken. Dat er sprake is van een verandering na terinzagelegging van het onteigeningsplan staat daarmee vast. Naar het oordeel van de rechtbank valt deze verandering echter niet aan te merken als een normale of noodzakelijke verandering die aansluit bij de aard en de wijze van gebruik van de onroerende zaak als koffie-/eethuis. [interveniënt] heeft namelijk onvoldoende onderbouwd gesteld dat deze verandering is veroorzaakt door de gezondheidssituatie van [A]. De enkele stelling daartoe is immers onvoldoende, nu het op de weg van [interveniënt] had gelegen dit met stukken te onderbouwen. Bovendien is als reactie op het conceptrapport van de deskundigen eerder aangevoerd dat [B] is toegetreden als vennoot om te voldoen aan de inkomenstoets in het kader van een voortgezette verblijfsvergunning.

Het voorgaande betekent echter niet dat [interveniënt] geen aanspraak kan maken op vergoeding van zijn schade bestaande uit de bedrijfsschade van vennootschap II. Artikel 39 Ow brengt namelijk geen verandering in het uitgangspunt dat de schadeberekening plaatsvindt met als peildatum het moment van inschrijving van het onteigeningsvonnis in de openbare registers. Indien er sprake is van een verandering in de zin van dit artikel dienen alleen de financiële consequenties van die verandering die schadeverhogend zijn, te worden geëlimineerd. Dit betekent dat de schadeloosstelling van [interveniënt] wel dient te worden gebaseerd op de door vennootschap II geleden bedrijfsschade, maar dat de aan [interveniënt] toekomende schadeloosstelling niet hoger mag zijn dan het bedrag dat de gemeente zonder deze verandering aan schadeloosstelling zou hebben moeten voldoen (zie ook HR 13 april 1960, NJ 1960, 270). Met andere woorden, de schadeloosstelling mag niet hoger zijn dan die aan [interveniënt] had moeten worden voldaan indien vennootschap I niet zou zijn beëindigd.

2.19.Het voorgaande betekent dat de deskundigen, nu zij thans de aan [interveniënt] toekomende schadeloosstelling hebben begroot op de door hem gederfde winst, om een nader advies zal worden gevraagd omtrent de aan [interveniënt] toekomende schadeloosstelling, met als uitgangspunt dat aan hem de bedrijfsschade van vennootschap II dient te worden vergoed, voor zover deze niet hoger is dan de bedrijfsschade van vennootschap I indien deze zou zijn voortgezet. Daarbij zullen de deskundigen ook opnieuw dienen te beoordelen of bij begroting van de schadeloosstelling uit dient te worden gegaan van liquidatie van de gevoerde onderneming of verplaatsing.

Het voorwaardelijk verzoek ex artikel 54o Ow

2.20.Voor het geval de rechtbank de deskundigen zal vragen om een nader advies uit te brengen omdat, in tegenstelling tot hetgeen de deskundigen in hun rapport hebben geconcludeerd, de schade van de onderneming aan [interveniënt] dient te worden vergoed, vordert [interveniënt] op grond van artikel 54o Ow verhoging van het aan hem toegekende voorschot van nihil. Aangezien de deskundigen een schadeloosstelling voor [interveniënt] adviseren en het gebrek aan liquide middelen voor het doen van directe investeringen om een vervangende locatie te kunnen openen in belangrijke mate samenhangt met de omstandigheid dat verzoeker relevante advocaatkosten heeft moeten maken, is het reeds vastgestelde voorschot kennelijk onvoldoende, aldus [interveniënt].

2.21.De gemeente voert aan dat het verzoek dient te worden afgewezen, omdat het verzoek niet is gedaan uiterlijk één maand voor de dag waarop de nederlegging van het deskundigenrapport ter griffie zal plaatsvinden (artikel 54o lid 2 Ow). Voorts blijkt uit het handelsregister dat [interveniënt] thans niet meer betrokken is bij de onderneming. Vennootschap II is opgeheven op 22 september 2011 en [B] is een eenmanszaak begonnen. De suggestie dat [interveniënt] het voorschot nodig zou hebben voor investeringen is dus onjuist, aldus de gemeente.

2.22.De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 54o Ow een verzoek tot verhoging van het voorschot uiterlijk kan worden gedaan tot één maand voor de dag waarop nederlegging van het deskundigenrapport zal plaatsvinden (lid 2) en dient te worden afgewezen indien nederlegging van het deskundigenrapport reeds heeft plaatsgevonden (lid 4). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze voorwaarde in de wet is opgenomen om nodeloze vertraging en verwikkelingen te voorkomen. Indien een verzoek om verhoging van het voorschot na nederlegging van het rapport zou worden toegewezen, zouden de deskundigen immers naar aanleiding van de toewijzing van het verzoek en de uitbetaling van het verhogingsbedrag worden genoopt tot aanpassing van hun schadeberekeningen (Kamerstukken II, 1970-1971, 10590, nr. 3, blz. 19).

2.23.In de onderhavige zaak is het verzoek tot verhoging van het voorschot pas na deponering van het deskundigenrapport gedaan. De wijze van begroting van de aan [interveniënt] toekomende schadeloosstelling is door [interveniënt] echter betwist, als gevolg waarvan de deskundigen wordt gevraagd om een nader rapport. Dit dient gebaseerd te worden gebaseerd op andere uitgangspunten dan waar de deskundigen eerder van zijn uitgegaan. In zoverre dient deponering van het advies waarop de schadeloosstelling van [interveniënt] zal worden gebaseerd, nog plaats te vinden. Verhoging van het voorschot vormt dan ook geen belemmering voor een doelmatige advisering. Gelet op het bovenstaande oordeelt de rechtbank dat het verzoek tot verhoging van het voorschot niet te laat is ingediend. Het verweer van de gemeente wordt dus verworpen.

2.24.Ten aanzien van de vraag of het voorschot dient te worden verhoogd is van belang dat slechts marginaal dient te worden getoetst of het reeds toegekende voorschot onvoldoende is. Alleen voorschotten waarvan evident is dat deze te laag zijn dienen te worden gecorrigeerd (Kamerstukken II, 1970-1971, 10590, nr. 5, blz. 10). Uit het bovenstaande is gebleken dat de aan [interveniënt] toekomende schadeloosstelling niet bestaat uit de door hem gederfde winst (5%) maar uit de gehele door vennootschap II geleden bedrijfsschade, voor zover deze niet hoger is dan de bedrijfsschade van vennootschap I indien deze zou zijn voortgezet. Het valt niet uit te sluiten dat deze schade hoger zal zijn dan de thans door de deskundigen begrote schade van € 7.000,--. De rechtbank zal de advocaatkosten die [interveniënt] tot op heden stelt te hebben gemaakt bij de beoordeling van dit verzoek buiten beschouwing laten. De gemeente betoogt namelijk dat er aanleiding bestaat voor toepassing van artikel 50 lid 3 Ow en betwist voorts dat de kosten van rechtsbijstand van [interveniënt] voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 50 lid 4 Ow. Nu de hoogte van het reeds toegekende voorschot slechts marginaal dient te worden getoetst, gaat het te ver om voor de vraag of het voorschot dient te worden verhoogd te beoordelen wie de kosten van rechtsbijstand van [interveniënt] dient te voldoen en of deze kosten redelijk zijn. Dit zal aan de orde te komen in het eindvonnis. Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank het aan [interveniënt] toegekende voorschot van nihil kennelijk onvoldoende en zal zij het voorschot op de schadeloosstelling stellen op € 7.000,--

Slotsom

2.25.De rechtbank zal aldus bepalen dat de deskundigen een nader advies dienen uit te brengen over hetgeen in 2.19. is overwogen.

2.26.Voor het overige houdt de rechtbank iedere beslissing aan.

3.De beslissing

De rechtbank

3.1.bepaalt het door de gemeente aan [interveniënt] te betalen voorschot op € 7.000,--;

3.2.bepaalt dat de deskundigen uiterlijk op donderdag 31 mei 2012 in concept een aanvullend advies dienen uit te brengen over hetgeen in 2.19. is overwogen

3.3.bepaalt dat partijen hun reactie daarop uiterlijk op vrijdag 29 juni 2012 aan de deskundigen en de rechtbank zullen toezenden;

3.4.bepaalt dat het depot van het definitieve nader advies ter griffie van deze rechtbank zal dienen plaats te vinden op dinsdag 31 juli 2012;

3.5.houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage, mr. D.R. Glass en mr. M.E. Honée en in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2012.