Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW0645

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-04-2012
Datum publicatie
03-04-2012
Zaaknummer
12/7786 en 12/7785
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op basis van de gedingstukken concludeert de voorzieningenrechter dat verzoeker in de eerdere procedure eigenlijk al heeft aangegeven dat hij homoseksueel is. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat verweerder bij het nemen van het eerdere besluit er ook van is uitgegaan dat verzoeker homoseksueel is. Uit dat eerdere besluit blijkt dat echter geenszins, terwijl homoseksuelen ook destijds in het beleid waren aangemerkt als een groep van personen die verhoogde aandacht vraagt. Ook uit de toetsing door de rechtbank van het eerdere besluit blijkt niet van een beoordeling van de homoseksualiteit van verzoeker als asielgrond. De bij het thans bestreden besluit gemaakte beoordeling van de homoseksualiteit als asielgrond is geen herhaalde beoordeling, en derhalve geen reden om het beoordelingskader zoals dat hierboven is gegeven, toe te passen.

Uit hetgeen verzoeker tijdens de gehoren heeft verklaard, blijkt dat hij vreest voor een behandeling als verboden door artikel 3 van het EVRM. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker in de eerdere procedure uitsluitend afgewezen op de ongeloofwaardigheid van het relaas, zodat geen inhoudelijke toets heeft plaatsgevonden van de problemen die verzoeker stelt te vrezen vanwege zijn homoseksualiteit. Nu de opvolgende aanvraag is afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb heeft deze inhoudelijke toets in deze procedure evenmin plaatsgevonden. Echter, nu verweerder de homoseksualiteit van verzoeker als vaststaand beschouwt en gelet op hetgeen in het algemeen ambtsbericht staat vermeld, bezien in het licht van WBV 2008/18 kan zonder nader feitelijk onderzoek van verweerder naar de situatie van verzoeker als homoseksueel in Guinee en het door verzoeker gestelde risico op een behandeling als verboden door artikel 3 van het EVRM niet op deugdelijke wijze worden beoordeeld of sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden als bedoeld in het Bahaddar-arrest.

Voorts kan in dit verband geen betekenis worden ontzegd aan de door het Duitse Bundesverwaltungsgericht aan het HvJ EU gestelde prejudiciële vragen over godsdienstvrijheid. Deze vragen betreffen onder meer de vraag of pas sprake is van schending van het fundamentele mensenrecht van de godsdienstvrijheid, indien het kerngebied daarvan wordt getroffen en of het kerngebied van de godsdienstvrijheid ook geloofsbetuigingen in het openbaar kan omvatten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat met betrekking tot het beleven van de homoseksuele geaardheid op zijn minst soortgelijke beoordelingsvraagstukken spelen. Het bestreden besluit geeft geen blijk van een afweging in deze zin. Nu derhalve ook niet op deugdelijke wijze kan worden beoordeeld of sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in het Bahaddar-arrest, heeft verweerder ook om die reden ten onrechte de aanvraag afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Het beroep is ook daarom gegrond en het bestreden besluit wordt ook om die reden vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Nevenlocatie Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 12/7786 (voorlopige voorziening)

AWB 12/7785 (hoofdzaak)

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter van 2 april 2012 op het verzoek om voorlopige voorziening, tevens uitspraak in de hoofdzaak in de zaak tussen

[naam], te Gilze, verzoeker, tevens eiser (hierna: verzoeker),

gemachtigde: mr. P.R. Klaver,

en

de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, daaronder begrepen zijn rechtsvoorganger(s), verweerder,

gemachtigde mr. W. Graafland.

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2012 heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in de algemene asielprocedure (hierna: AA-procedure) afgewezen.

Verzoeker heeft tegen dit besluit (het bestreden besluit) beroep ingesteld, geregistreerd onder zaaknummer AWB 12/7785. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, geregistreerd onder zaaknummer AWB 12/7786.

Verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2012. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen O. Jobe, tolk in de Pular taal.

Overwegingen

1.1. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, voor zover thans van belang, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

1.2. Op grond van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan, indien het verzoek wordt gedaan indien bij de rechtbank beroep is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting, bedoeld in artikel 8:83, eerste lid, van de Awb nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak worden gedaan in de hoofdzaak.

De afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel

2. Aan de onderhavige procedure is een procedure vooraf gegaan.

2.1. Verzoeker heeft op 18 september 2008 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 8 juli 2009 is die aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 7 juni 2010 heeft deze rechtbank, nevenzittingsplaats

’s-Hertogenbosch het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde hoger beroep is bij uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 27 augustus 2010 ongegrond verklaard.

2.2. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer neergelegd in haar uitspraak van 6 maart 2008 (LJN: BC7124), kan, indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, door het instellen van beroep tegen het laatste besluit niet worden bereikt dat de bestuursrechter dat besluit toetst, als ware het een eerste afwijzing. Voor de rechter geldt dit beperkte beoordelingskader ook indien het bestuursorgaan de aanvraag niet heeft aangemerkt als een herhaalde aanvraag.

Slechts indien en voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd, dan wel uit het aangevoerde kan worden afgeleid dat zich een relevante wijziging van het recht heeft voorgedaan, kunnen het besluit, de motivering ervan en de wijze waarop het tot stand is gekomen door de bestuursrechter worden getoetst.

2.3. Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden moeten worden begrepen feiten of omstandigheden die na het eerdere besluit zijn voorgevallen of die niet vóór dat besluit konden en derhalve behoorden te worden aangevoerd, alsmede bewijsstukken van reeds eerder gestelde feiten of omstandigheden, die niet vóór het nemen van het eerdere besluit konden en derhalve behoorden te worden overgelegd. Indien op voorhand is uitgesloten dat hetgeen is aangevoerd of overgelegd aan het eerdere besluit kan afdoen, dan is naar eerder genoemde vaste jurisprudentie geen sprake van feiten of omstandigheden die een hernieuwde rechterlijke toetsing rechtvaardigen.

2.4. Indien zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998 (LJN: AG8817, Bahaddar), voordoen, staat voornoemd beoordelingskader evenmin in de weg aan een rechterlijke toetsing van het besluit als ware het een eerste afwijzing.

2.5. Verzoeker is op 29 februari 2012 gehoord op zijn opvolgende aanvraag. Verzoeker heeft tijdens dit gehoor verklaard dat hij homoseksueel is en in Nederland een vriend heeft, dat homoseksuelen in zijn land van herkomst worden gediscrimineerd en dat hij daarom niet terug kan naar Guinee. Tevens heeft verzoeker aangegeven dat hij niet gezond is.

2.6. Ten aanzien van de gestelde nieuwe feiten en veranderde omstandigheden oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.

2.7.1. Tijdens het nader gehoor in de vorige procedure heeft verzoeker verklaard dat hij onvrijwillig seksueel contact met mannen heeft gehad en dat hij geen verlangens heeft naar vrouwen. Hij heeft gesteld te vrezen voor zijn leven bij terugkeer naar Guinee, onder meer in verband met het seksuele contact met priester [naam priester], die bekend stond als homoseksueel. Mensen in de omgeving van verzoeker hebben hem met [naam priester] gezien. De imam van de wijk waarin verzoeker woonde wilde verzoeker gedood hebben.

In het besluit van 8 juli 2009 (hierna: het eerdere besluit) heeft verweerder overwogen dat verzoekers verklaringen over het seksuele contact met [naam priester] vaag en ongerijmd zijn, nu hij enerzijds heeft verklaard dat [naam priester] hem dwong, maar anderzijds wel steeds vrijwillig naar hem terug ging. Bezien in het licht van verzoekers verklaring, dat hij weet dat homoseksualiteit niet wordt geaccepteerd in Guinee, heeft verweerder deze verklaringen ongeloofwaardig gevonden. Dit oordeel staat in rechte vast.

2.7.2. Verzoeker heeft blijkens het rapport van gehoor opvolgende aanvraag verklaard dat hij reeds in Afrika, op 18-jarige leeftijd, heeft ontdekt dat hij homoseksueel is en dat hij in Guinee wordt gezien als homoseksueel, omdat hij nooit contact heeft met vrouwen. Hij stelt vanwege zijn homoseksualiteit niet terug te kunnen naar Guinee en te vrezen voor zijn leven. De gehoorambtenaar heeft verzoeker ermee geconfronteerd dat hij dat niet tijdens de eerste procedure heeft verteld, maar verzoeker heeft aangegeven dat hij meent dat hij dat wel heeft gedaan.

2.7.3. Op basis van de gedingstukken concludeert de voorzieningenrechter dat verzoeker in de eerdere procedure eigenlijk al heeft aangegeven dat hij homoseksueel is. Hoewel hij dat niet expliciet heeft verklaard kan dat uit zijn verklaringen, voor de goede verstaander, op zijn minst wel worden afgeleid of vermoed. Verweerder heeft ter zitting van 22 maart 2012 aangegeven dat verweerder bij het nemen van het eerdere besluit van 8 juli 2009 er ook van is uitgegaan dat verzoeker homoseksueel is. Uit dat eerdere besluit blijkt dat echter geenszins (dat verweerder die homoseksualiteit wel aannemelijk heeft geacht en als asielgrond heeft beoordeeld), terwijl homoseksuelen ook destijds in het beleid waren aangemerkt als een groep van personen die verhoogde aandacht vraagt. Ook uit de toetsing door de rechtbank van het eerdere besluit (de genoemde uitspraak van 7 juni 2010) blijkt niet van een beoordeling van de homoseksualiteit van verzoeker als asielgrond. Hoewel dus enerzijds gesteld moet worden dat eigenlijk bij het nemen van het eerdere besluit al duidelijk was (had moeten zijn) dat verzoeker homoseksueel is, en het in die zin dus geen echt novum is, moet anderzijds geconcludeerd worden dat noch door verweerder, noch door de rechtbank een beoordeling van die homoseksualiteit als asielgrond is gemaakt. In die zin is de bij het thans bestreden besluit gemaakte beoordeling van de homoseksualiteit als asielgrond (de rechtbank verwijst naar de zevende alinea van pagina 2 van het voornemen), geen herhaalde beoordeling, en derhalve geen reden om het beoordelingskader zoals dat hierboven is gegeven, toe te passen.

2.8. Ook om de hiernavolgende redenen is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit geval aanleiding bestaat om aan bedoeld beoordelingskader voorbij te gaan.

2.8.1. Uit hetgeen verzoeker blijkens 2.7.1. en 2.7.2. tijdens de gehoren heeft verklaard, blijkt dat verzoeker vreest voor een behandeling als verboden door artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).

2.8.2. In het algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 september 2011 inzake Guinee staat op pagina 39 in paragraaf 2.4.4 - voor zover thans van belang - het volgende:

Seksuele handelingen tussen personen van hetzelfde geslacht worden beschouwd als schending van de openbare zeden, dan wel als tegennatuurlijke handelingen, en kunnen worden bestraft met een gevangenisstraf van ten minste zes maanden en ten hoogste drie jaar en een geldboete van ten minste 100.000 en ten hoogste 1.000.000 frank. De strafbaarstelling is van toepassing zelfs indien beide partijen meerderjarig zijn en instemmen met de handeling. (…)

Zoals in veel Afrikaanse landen rust er in Guinee een sociaal-cultureel taboe op homoseksualiteit, waardoor nauwelijks over het onderwerp kan worden gesproken. Homoseksualiteit wordt vaak gezien als een ziekte of afwijking. Homoseksuelen en lesbiennes zijn onderwerp van spot, walging en sociale uitsluiting. Zij komen daarom niet uit voor hun geaardheid. De sociale druk op mannen en vrouwen, zowel homoseksuelen als heteroseksuelen, om een gezin te stichten is groot. Voor zover bekend bestaan er in Guinee geen organisaties die opkomen voor de rechten van homoseksuelen.

Over intimidatie, afpersing en geweld jegens homoseksuelen is gedurende de verslagperiode geen informatie verkregen. (…)

2.8.3. Blijkens Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) van 20 mei 2008, nr. 2008/18 (WBV 2008/18) voert verweerder het volgende beleid ten aanzien van homoseksuelen uit Guinee:

3.4 Homoseksuelen

Uit het ambtsbericht van de Minister van BuZa blijkt dat seksuele handelingen tussen personen van hetzelfde geslacht strafbaar zijn in Guinee. Gevallen van strafrechtelijke vervolging zijn in de laatste jaren niet bekend. Op het onderwerp rust een zwaar taboe. Homoseksualiteit wordt vaak gezien als een ziekte of afwijking. Uit het ambtsbericht is af te leiden dat homoseksuelen niet actief worden vervolgd.

Homoseksuelen die aannemelijk maken dat zij op grond van hun homoseksualiteit gegronde reden hebben voor vervolging, ofwel door de overheid, ofwel door derden, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder a, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hierbij wordt niet verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming.

Het enkele feit van homoseksueel zijn is evenwel onvoldoende voor verlening van een verblijfsvergunning.

2.8.4. Verweerder heeft de aanvraag van verzoeker in de eerdere procedure uitsluitend afgewezen op de - volgens verweerder - ongeloofwaardigheid van het relaas, zodat geen inhoudelijke toets heeft plaatsgevonden van de problemen die verzoeker stelt te vrezen vanwege zijn homoseksualiteit. Nu de opvolgende aanvraag is afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb heeft deze inhoudelijke toets in deze procedure evenmin plaatsgevonden.

Echter, nu verweerder de homoseksualiteit van verzoeker als vaststaand beschouwt en gelet op hetgeen in voormeld algemeen ambtsbericht staat vermeld, bezien in het licht van WBV 2008/18 - volgens welk beleid van homoseksuelen uit Guinee niet wordt verlangd dat zij zich tot de autoriteiten hebben gewend voor bescherming - kan zonder nader feitelijk onderzoek van verweerder naar de situatie van verzoeker als homoseksueel in Guinee en het door verzoeker gestelde risico op een behandeling als verboden door artikel 3 van het EVRM niet op deugdelijke wijze worden beoordeeld of sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden als bedoeld in het Bahaddar-arrest.

2.8.5. Voorts kan in dit verband geen betekenis worden ontzegd aan de door het Duitse Bundesverwaltungsgericht aan het Hof van Justitie van de Europese Unie gestelde prejudiciële vragen over godsdienstvrijheid (C-71/11 en C-99/11). Deze vragen zijn gesteld in het kader van de reikwijdte van artikel 9 van de Richtlijn 2004/83/EG en betreffen onder meer de vraag of pas sprake is van schending van het fundamentele mensenrecht van de godsdienstvrijheid, indien het kerngebied (kort gezegd: de geloofsbelijdenis en geloofsbeleving thuis en in beperkte kring) daarvan wordt getroffen en of het kerngebied van de godsdienstvrijheid ook geloofsbetuigingen in het openbaar kan omvatten.

Voorts is daarbij de vraag opgeworpen of kan worden verlangd dat de betrokkene afziet van deze handelingen, die buiten het kerngebied van de religieuze handelingen liggen, indien deze een gevaar kunnen inhouden voor zijn fysieke integriteit, leven of vrijheid.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat met betrekking tot het beleven van de homoseksuele geaardheid op zijn minst soortgelijke beoordelingsvraagstukken spelen. Het kerngebied daarvan moet wellicht zelfs ruimer worden geduid dan het kerngebied van de godsdienstbeleving, nu het een geaardheid betreft. Uit het ambtsbericht Guinee (zoals hierboven geciteerd) blijkt dat beleving van de homoseksuele geaardheid in Guinee niet mogelijk is, zonder gevaar voor ernstige discriminatie of zelfs strafrechtelijke vervolging.

Het bestreden besluit geeft geen blijk van een afweging in deze zin.

2.8.6. Nu derhalve ook niet op deugdelijke wijze kan worden beoordeeld of sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in het Bahaddar-arrest, heeft verweerder ook om die reden ten onrechte de aanvraag afgewezen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Het beroep is ook daarom gegrond en het bestreden besluit wordt ook om die reden vernietigd.

2.9. Ten aanzien van de overigen gestelde nieuwe feiten en veranderde omstandigheden oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.

2.9.1. Verzoeker heeft tevens als novum aangevoerd dat hij niet gezond is en dat hij hoofdpijn, nekpijn en problemen met ademen, alsmede pijn bij het plassen heeft. Hij is tijdens het gehoor opvolgende aanvraag in de gelegenheid gesteld om zijn advocaat medische stukken te laten opsturen. Bij brief van 1 maart 2012 heeft de advocaat aangegeven dat verzoeker zo spoedig mogelijk contact zal opnemen met de medische opvang en dat verweerder hierover zal worden geïnformeerd. Daarnaast is in die brief aangegeven dat een beroep wordt gedaan op artikel 64 van de Vw 2000 in verband met de motie Spekman.

2.9.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat de gestelde medische klachten op zich nieuw zijn ten opzichte van hetgeen verzoeker in de eerdere procedure heeft aangevoerd, maar dat op voorhand kan worden uitgesloten dat de medische klachten kunnen afdoen aan het eerdere besluit, nu verzoeker deze niet met stukken heeft onderbouwd. Deze omstandigheden kunnen derhalve niet worden aangemerkt als nova. Gelet op het ontbreken van onderbouwing is evenmin sprake van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in rechtsoverweging 45 van het Bahaddar-arrest.

2.9.3. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog dat, zoals de voorzieningenrechter van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Groningen, heeft overwogen in de uitspraak van 3 mei 2011, het beleid van verweerder neergelegd in paragraaf C14/5 van de Vc 2000, te weten dat een ambtshalve toets aan artikel 64 van de Vw 2000 niet plaatsvindt indien de vreemdeling een tweede of een volgende asielaanvraag heeft ingediend die binnen de AA-procedure wordt afgewezen, niet kennelijk onredelijk is, noch anderszins onjuist. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding hier anders over te oordelen. Voormelde uitspraak is door de Afdeling bevestigd bij uitspraak van 27 juli 2011 (www.raadvanstate.nl). Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder bovendien gesteld dat de artikel 64-procedure inmiddels is opgestart.

De omstandigheid dat de door verzoeker gestelde medische omstandigheden niet in onderhavige procedure worden getoetst, leidt derhalve niet tot een ander oordeel.

2.9.4. Het beroep is in zoverre ongegrond.

Het ambtshalve niet verlenen van een verblijfsvergunning regulier

3. In het bestreden besluit heeft verweerder ambtshalve geoordeeld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning regulier als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken. Nu daaraan niet eerder is getoetst, is geen sprake van een besluit van gelijke strekking waarop voormeld beoordelingskader van toepassing is. Het bestreden besluit kan in zoverre door de bestuursrechter worden getoetst.

3.1. Volgens het beleid van paragraaf B14/3 van de Vc 2000 dient een vreemdeling, om in aanmerking te komen voor de hiervoor bedoelde verblijfsvergunning regulier, te voldoen aan vijf cumulatieve voorwaarden. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker verweerders standpunt, dat de vergunning niet zal worden verleend omdat in de asielprocedure is geconcludeerd dat verzoeker toerekenbaar ongedocumenteerd was en dat verzoeker niet voldoet aan voormelde opsomming van vijf cumulatieve voorwaarden, omdat hij het IOM niet heeft ingeschakeld en heeft verklaard niet te willen meewerken aan vrijwillige terugkeer, niet gemotiveerd heeft weerlegd. Verzoekers enkele stelling, dat hij meewerkt aan terugkeer naar Guinee, is in dat verband onvoldoende.

3.2. Gezien het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken.

3.3. Het beroep tegen de ambtshalve weigering van de verblijfsvergunning regulier is ongegrond.

Het inreisverbod

4. In het bestreden besluit heeft verweerder verzoeker tevens een inreisverbod opgelegd. Nu dit in het eerdere besluit niet is gedaan, is in zoverre evenmin sprake van een besluit van gelijke strekking waarop voormeld beoordelingskader van toepassing is. Het bestreden besluit kan in zoverre door de bestuursrechter worden getoetst.

4.1.1. Ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, geldt de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000, wordt afgewezen, als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan.

Ingevolge artikel 62a, eerste lid, van de Vw 2000, voor zover thans van belang, stelt verweerder de vreemdeling, niet zijnde gemeenschapsonderdaan, die niet of niet langer rechtmatig verblijf heeft, schriftelijk in kennis van de verplichting Nederland uit eigen beweging te verlaten en van de termijn waarbinnen hij aan die verplichting moet voldoen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel geldt de kennisgeving, bedoeld in het eerste lid, als terugkeerbesluit en kan tevens een inreisverbod inhouden.

Ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 vaardigt verweerder een inreisverbod uit tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 van de Vw 2000 niet van toepassing is en die Nederland niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn heeft verlaten, in welk laatste geval het inreisverbod slechts door middel van een zelfstandige beschikking wordt uitgevaardigd dan wel een beschikking die mede strekt tot wijziging van het reeds gegeven terugkeerbesluit.

Ingevolge artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000 kan verweerder, in afwijking van het eerste lid van dat artikel, om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.

4.1.2. Verzoeker stelt zich primair op het standpunt dat een inreisverbod niet op zijn plaats is, omdat hij zich houdt aan de meldplicht en meewerkt aan terugkeer naar Guinee. Daarnaast heeft hij getracht een verblijfsvergunning regulier voor verblijf als vreemdeling die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken te krijgen. Het contact met de ambassade leidde niet tot de benodigde documenten. Subsidiair is hij van mening dat de aan het inreisverbod verbonden duur van twee jaar te lang is.

4.1.3. Verweerder heeft verzoeker een inreisverbod opgelegd aangezien verzoeker geen gevolg heeft gegeven aan de in het in de meeromvattende beschikking van 8 juli 2009 geïncorporeerde terugkeerbesluit opgenomen termijn om Nederland te verlaten. Uit de uitspraak van 30 maart 2011 van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Zutphen, in de bewaringsprocedure (welke stukken in onderhavige zaak zijn overgelegd) volgt dat verzoeker niet meewerkt aan terugkeer naar Guinee, maar het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit juist frustreert. Op de door verzoeker gestelde asielgerelateerde problemen is verweerder in het besluit reeds ingegaan. De gestelde medische problemen zijn niet onderbouwd. Nu verzoeker bovendien pas in 2008 naar Nederland is gekomen, zijn er volgens verweerder geen klemmende redenen van humanitaire aard om op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000 af te zien van het opleggen van een inreisverbod.

Voor bekorting van de duur van twee jaar bestaat evenmin aanleiding. Uit de Nota van Toelichting bij artikel 6.5a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Staatsblad 2011, nr. 664, p. 24) volgt niet dat verweerder moet motiveren waarom een inreisverbod voor de duur van twee jaar wordt opgelegd. Dit volgt uit het eerste lid van dat artikel. Indien door de vreemdeling relevante, individuele omstandigheden worden aangevoerd, kan dit voor verweerder aanleiding zijn om de duur van het inreisverbod te verkorten. Dit standpunt is inmiddels ook tot uitdrukking gekomen in paragraaf A5/5 van de Vc 2000, aldus verweerder.

4.2. De voorzieningenrechter stelt vast dat het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag van 8 juli 2009 vermeldt onder het kopje “Rechtsgevolgen van deze beschikking” dat dit besluit de rechtsgevolgen heeft als opgesomd in artikel 45 van de Vw 2000, dit onder meer inhoudt dat verzoeker met ingang van de dag waarop de beroepstermijn is verstreken niet langer rechtmatig in Nederland verblijft en op verzoeker de verplichting rust Nederland voor het einde van de beroepstermijn te verlaten. De vaststelling in dit besluit, dat verzoeker geen rechtmatig verblijf heeft en Nederland dient te verlaten, dient thans ingevolge artikel 45, eerste lid, van de Vw 2000 aangemerkt te worden als terugkeerbesluit. Dit besluit staat in rechte vast.

4.3. Verzoeker is bij besluit van 8 juli 2009 medegedeeld Nederland voor het einde van de beroepstermijn te verlaten. Nu hij zich niet aan die vertrektermijn heeft gehouden, was verweerder gehouden hem ingevolge artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 een inreisverbod op te leggen. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat geen sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard om op grond van artikel 66a, achtste lid, van de Vw 2000 af te zien van het opleggen van een inreisverbod.

4.4. Voorts heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat hij niet hoeft te motiveren waarom hij als hoofdregel een inreisverbod voor de duur van twee jaar oplegt, nu duidelijk is dat deze hoofdregel de bedoeling van de wetgever is geweest. Verweerder heeft ter zitting voorts - onder verwijzing naar de door verzoeker aangevoerde bijzondere feiten en omstandigheden - voldoende deugdelijk gemotiveerd waarom geen aanleiding bestaat voor verkorting van de aan het inreisverbod verbonden duur.

4.5. Het beroep tegen het inreisverbod is derhalve eveneens ongegrond.

5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat een situatie als bedoeld in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb zich hier voordoet en zal derhalve onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

6. Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874,- te betalen aan verzoeker;

- wijst het verzoek af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.R. Houweling, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.M.J. Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 2 april 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.