Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW0376

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-03-2012
Datum publicatie
06-04-2012
Zaaknummer
AWB 11/9762
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Van rechtswege ontstane bouwvergunning ingetrokken door B&W. Project van eiser valt onder de Wabo vanwege onherroepelijke milieuvergunning onder bevoegdheid van gedeputeerde staten. Uitleg artikel 1.2, tweede lid, invoeringswet Wabo, begrip ontwerpbesluit. Voornemen 4:8 Awb is geen ontwerpbesluit. B&W ook overgangsrechtelijk niet meer bevoegd. Deskundigenrapport eiseres wordt meegenomen bij proceskostenveroordeling, ook al is de rechtbank aan de belangenafweging niet meer toegekomen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 1.2
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 1.1
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Woningwet
Woningwet 40
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2012/686
JOM 2012/547
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 11/9762

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 maart 2012 in de zaak tussen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [A] B.V., te [B], gemeente [C], eiseres,

gemachtigde: mr. A.M.C. Marius-van Eeghen,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft tegen een beroepschrift ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 maart 2012. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door [D], bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Franklin en C. Priem.

Overwegingen

1.Bij de beoordeling van het beroep gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 22 juni 2005 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat van rechtswege bouwvergunning is verleend voor het vergroten van het kassencomplex van de potplantenkwekerij van eiseres met een verbindingsgebouw tussen twee loodsen op het perceel [a-straat 1] te [B] gemeente [C].

Op 23 maart 2007 heeft verweerder aan eiseres medegedeeld dat is geconstateerd dat nog geen aanvang met de vergunde bouwwerkzaamheden is gemaakt en dat hij voornemens is de verleende vergunning in te trekken. Hierop is bij brief van 4 april 2007 gereageerd.

Op 2 oktober 2009 heeft verweerder een hernieuwd voornemen intrekking bouwvergunning verstuurd. Naar aanleiding van de ingekomen zienswijze is eiseres een termijn vergund tot 1 december 2010 om alsnog gebruik te maken van de bouwvergunning. Op 11 januari 2011 is geconstateerd dat nog geen werkzaamheden zijn verricht. Verweerder heeft daarin aanleiding gezien tot intrekking van de bouwvergunning over te gaan.

Bij besluit van 24 maart 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder met toepassing van artikel 2.33, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) de in de brief van 22 juni 2005 bedoelde vergunning ingetrokken.

Bij besluit van 14 november 2011 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij de grondslag van het besluit gewijzigd naar artikel 59 van de Woningwet zoals die luidde voor 1 oktober 2010.

Bij besluit van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 7 juli 2006 is aan eiseres een vergunning krachtens de Wet milieubeheer verleend voor de potplantenkwekerij en een daarbij behorende warmtekrachtkoppelingsinstallatie waarbij onder meer biomassa als brandstof wordt gebruikt. Deze vergunning is onherroepelijk geworden, de potplantenkwekerij is sinds 1977 onafgebroken in bedrijf en de warmtekrachtkoppelinginstallatie is eveneens enige tijd gedeeltelijk opgericht en in bedrijf geweest.

2.Eiseres betoogt dat niet verweerder maar het college van gedeputeerde staten bevoegd is tot intrekking van de verleende vergunning over te gaan.

2.1.Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verder: de invoeringswet) wordt een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de wet milieubeheer, die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) van kracht en onherroepelijk is, voor zover voor de betrokken activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.1 van die wet is vereist, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor die activiteit.

Ingevolge artikel 1.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de invoeringswet wordt een vergunning als bedoeld in artikel 40 van de Woningwet, die onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1, eerste lid, van Wabo van kracht en onherroepelijk is, voor zover voor de betrokken activiteit een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 1.1 van die wet is vereist, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor die activiteit.

Ingevolge het bepaalde in het tweede lid, aanhef en onder b, van de invoeringswet, voor zover hier van belang, blijft het recht zoals dat gold onmiddellijk voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel 2.1 van de Wabo van toepassing op de voorbereiding en vaststelling van een ambtshalve te geven beschikking tot intrekking van een vergunning als bedoeld in het eerste lid, indien voor dat tijdstip een ontwerpbesluit ter inzage is gelegd.

2.2.Uit het voorgaande volgt dat het project van eiseres sinds 1 oktober 2010 onder de werking van de Wabo valt. De milieuvergunning en de van rechtswege ontstane bouwvergunning hebben beide als omgevingsvergunningen in de zin van die wet te gelden. Vast staat dat de omgevingsvergunning van 7 juli 2006 voor, thans, de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, Wabo, nog steeds van kracht is en dat op grond daarvan gedeputeerde staten van Zuid-Holland ook onder de Wabo het bevoegd gezag zijn voor het project van eiseres, met inbegrip van de activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, Wabo.

2.3.Verweerder staat op het standpunt dat het voornemen van 2 oktober 2009 als een ontwerpbesluit in de hierboven bedoelde zin moet worden aangemerkt, zodat ten aanzien van de in de brief van 22 juni 2005 bedoelde vergunning de Woningwet zoals die voor 1 oktober 2010 luidde nog van toepassing is. Deze opvatting is onjuist. Onder "ontwerpbesluit" moet worden verstaan een ontwerpbesluit als bedoeld in de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Uit de definitie van het begrip "besluit' in artikel 1:3 Awb volgt dat deze definitie niet alleen geldt in de Awb, maar in beginsel voor het gehele bestuursrecht, tenzij bij bijzondere wet daar uitdrukkelijk van wordt afgeweken. De Wabo kent geen afwijkende definitie van het begrip "besluit". Onder "ontwerpbesluit" in de invoeringswet dient dan ook te worden verstaan een ontwerpbesluit in de zin van de Awb. Van een ontwerpbesluit is in de Awb sprake als de voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 Awb wordt toegepast. Verdere steun voor deze uitleg van artikel 1.2, tweede lid, onder b, invoeringswet, ontleent de rechtbank aan het gegeven dat in die bepaling sprake is van een ter inzage gelegd ontwerpbesluit. Dat verwijst naar de terinzagelegging als bedoeld in artikel 3:11 Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 juli 2011, LJN BR3355.

In de toelichting bij artikel 1.2 invoeringswet is verder aangegeven dat deze eerbiedigende werking, die een uitzondering is op de overgangsrechtelijke hoofdregel dat de Wabo directe werking heeft, als ratio heeft rechtszekerheid te bieden aan de diverse betrokkenen bij voorbereidings- en rechtsbeschermingsprocedures. Het voornemen van 2 oktober 2009 moet worden gezien als een voornemen in de zin van artikel 4:8 Awb, is vormvrij en bovendien niet van toepassing op besluiten, maar alleen op beschikkingen. Ook als het voornemen dat alleen aan de geadresseerde wordt gezonden, de vorm heeft van een ontwerpbesluit, wordt dat voornemen niet ter inzage gelegd als bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, invoeringswet en is het niet het startpunt van een openbare voorbereidings- of rechtsbeschermingsprocedure. Die procedure vangt pas aan met de primaire beschikking waartegen bezwaar openstaat voor zowel de geadresseerde als andere belanghebbenden.

2.4.Verweerder is daarom ook niet op grond van artikel 1:2, tweede lid, van de invoeringswet bevoegd ten aanzien van het project van eiser. De bevoegdheid tot intrekking van een voor dit project ontstane bouwvergunning, thans omgevingsvergunning, berust thans bij het college van gedeputeerde staten.

3.Het beroep slaagt. Het bestreden besluit wordt vernietigd. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door het bezwaar van eiseres gegrond te verklaren en het primaire besluit te herroepen.

Verweerder wordt in de door eiseres gemaakte proceskosten veroordeeld, waarbij met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht het gewicht van de zaak is bepaald op 1 (gemiddeld) en voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (het indienen van een bezwaarschrift, het verschijnen ter hoorzitting, het indienen van een beroepschrift en het verschijnen ter zitting) 4 punten worden toegekend.

De rechtbank ziet tevens aanleiding hierbij de kosten te betrekken die eiseres heeft gemaakt voor het laten opstellen van een financiële rapportage teneinde inzicht te geven in de financiële gevolgen die intrekking van de vergunning voor haar zou hebben. Het ligt immers op de weg van eiseres een beroep op onevenredig nadelige gevolgen van een besluit tot intrekking van een haar verleende vergunning te onderbouwen, zodat deze kosten als redelijkerwijs gemaakt dienen te worden aangemerkt. Daaraan doet niet af dat het beroep al op een eerdere beroepsgrond slaagt, omdat eiseres daar niet op voorhand van uit kon gaan. Ook de hoogte van de kosten voor dit rapport, 4,5 uur tegen een uurtarief van € 125,--, komt de rechtbank redelijk voor.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit;

verklaart het bezwaar van eiseres tegen het besluit van 24 maart 2011 gegrond, herroept dit besluit en bepaalt dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

bepaalt dat verweerder aan eisereses het door haar betaalde griffierecht, te weten € 302,00 vergoedt;

veroordeelt verweerder in de door eisereses gemaakte proceskosten tot een bedrag van

€ 2.310,50, welk bedrag aan eiseres moet worden vergoed.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Verbeek, rechter, in aanwezigheid van

mr. D. van Beurden, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden naar partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.