Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW0360

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-03-2012
Datum publicatie
29-03-2012
Zaaknummer
415025 - KG ZA 12-267
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vaststellingsovereenkomst 'vervallen'. [X] kan geen rechten meer ontlenen aan de vaststellingsovereenkomst, omdat hij niet heeft voldaan aan de (opschortende) voorwaarde (tijdige betaling) en partijen zijn overeengekomen dat in die situatie alles conform vonnis/arrest opeisbaar wordt. Er dient daarom uitgegaan te worden van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis en arrest, zodat Edange het recht heeft om tot executie daarvan over te gaan. De vordering van [X] tot schorsing van de executie van het vonnis en het arrest wordt afgewezen. De vordering in reconventie van Edange ziet op het verkrijgen van een voor tenuitvoerlegging vatbare titel van een in de bodemprocedure gegeven verklaring voor recht dat [X] gehouden is om de schilderijen en gelden die zich onder Christie's respectievelijk Christie's Stichting Beheer Derdengelden bevinden, waarop door Edange beslag is gelegd, aan Edange af te (laten) geven. De vordering wordt toegewezen zoals onder 4. Beslissing weergegeven

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector civiel recht - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: 415025 / KG ZA 12-267

Vonnis in kort geding van 29 maart 2012

in de zaak van

[X],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. H.J. Hoegen Dijkhof te Amsterdam,

tegen:

de besloten vennootschap Edange Holding B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. D.A.J. Sturhoofd te Amsterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als '[X]' en 'Edange'.

1. De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 22 maart 2012 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1. Bij overeenkomsten van geldlening van respectievelijk 14 oktober 2005, 22 maart 2006 en 23 mei 2006 heeft Edange aan [X] voor een totaalbedrag van € 1.390.000,-- te leen verstrekt.

1.2. Tot zekerheid voor nakoming van voornoemde overeenkomsten van geldlening heeft [X], in twee nagenoeg identieke onderhandse pandakten van 23 mei 2006 respectievelijk 28 juli 2006, (vuist) pandrechten aan Edange verleend op diverse schilderijen en één sculptuur (hierna gezamenlijk: de kunstvoorwerpen).

1.3. In beide overeenkomsten van pandrecht zijn partijen overeengekomen dat alleen Edange bevoegd is om aan de voorzieningenrechter van de rechtbank te verzoeken te bepalen dat de kunstvoorwerpen op een andere wijze dan in het openbaar zullen worden verkocht.

1.4. Op 25 april 2007 zijn op een openbare veiling bij Christie's te Amsterdam drie van de aan Edange verpande schilderijen van [X] ter verkoop aangeboden. Twee schilderijen zijn tijdens de veiling verkocht. Eén schilderij van de verkochte schilderijen is niet betaald en bevindt zich, tezamen met het niet verkochte schilderij, thans nog bij Christie's. De opbrengst van het verkochte schilderij bevindt zich onder Christie's Stichting Beheer Derdengelden.

1.5. Op 2 mei 2007 heeft de moeder van [X] ten laste van hem beslag gelegd op de twee nog bij Christie's aanwezige schilderijen, alsmede op de opbrengst van het verkochte schilderij, omdat zij claimde eigenaar te zijn van die schilderijen.

1.6. Edange heeft eveneens beslag gelegd op de onder 1.5 genoemde schilderijen bij Christie's en de opbrengst van het verkochte schilderij.

1.7. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de nakoming van de verscheidene overeenkomsten van geldlening. Edange heeft daarop [X] gedagvaard en onder meer betaling gevorderd van het openstaande saldo ter zake van de geldleningen, alsmede een verklaring voor recht dat [X] gehouden is de schilderijen en gelden die zich onder Christie's bevinden en waarop Edange beslag heeft gelegd, aan haar af te geven.

1.8. Bij vonnis van 4 augustus 2010 heeft deze rechtbank op voormelde vorderingen van Edange, voor zover van belang, als volgt beslist:

"(...)

5.1. veroordeelt [X] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Edange te betalen een bedrag van € 856.123,70 te vermeerderen met de contractuele rente van 5% per jaar vanaf 21 augustus 2009 tot aan de dag der algehele voldoening;

(...)

5.4. verklaart voor recht dat [X] gehouden is om de schilderijen en gelden die zich onder Christie's respectievelijke Christie's Stichting Beheer Derdengelden bevinden, waarop door Edange beslag is gelegd, aan Edange af te (laten) geven;

(...)".

1.9. [X] heeft tegen het onder 1.8 genoemd vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof 's-Gravenhage.

1.10. Op 23 augustus 2010 heeft Edange het vonnis van 4 augustus 2010 aan [X] laten betekenen, met bevel om onder meer tot betaling van de veroordeling van de geldsom over te gaan.

1.11. Bij arrest van 22 november 2011 heeft het gerechtshof 's-Gravenhage het vonnis van 4 augustus 2010 bekrachtigd.

1.12. Bij e-mail van 19 januari 2012 heeft de advocaat van [X] in het kader van het opstellen van een vaststellingsovereenkomst (hierna: de vaststellingsovereenkomst) ter beslechting van voormeld geschil (en de lopende procedures) aan de advocaat van Edange een (laatste) tekstvoorstel gedaan, inhoudende dat Edange er voor zal zorgen dat kopers van [X] de kunstvoorwerpen bij Edange en bij Christie's op afspraak onbelemmerd kunnen bezichtigen en keuren. Edange heeft dit tekstvoorstel van de hand gewezen.

1.13. De vaststellingsovereenkomst is op 19 januari 2012 door partijen getekend. Daarin staat, voor zover van belang, het volgende vermeld, waarbij [X] wordt aangeduid als [X]:

"(...)

Artikel 1

Vaststelling Schuld [X] aan Edange

Partijen zijn definitief overeengekomen dat de pro resto schuld van [X] aan Edange uit hoofde van de Lening of uit welken anderen hoofde dan ook, per heden definitief maximaal en minimaal EUR 800.000 bedraagt, hierna de Schuld te noemen.

Artikel 2

Afstand van verdere rechten door Edange

1. Onverminderd het bepaalde artikel 1 en volgende van deze Overeenkomst laat Edange dus definitief alle rechten varen uit het Arrest en het vonnis van de rechtbank en doet derhalve ook definitief afstand van proceskostenveroordelingen, contractuele en wettelijke rente, deurwaarderskosten en dwangsommen en 30% van een erfenis, enz.

2. Evenwel wordt uitsluitend afstand gedaan van de hier bedoelde rechten onder de voorwaarde dat de overeenkomst door [X] strikt wordt nagekomen.

3. Bij gebreke van tijdige betaling of niet nakoming van enige andere essentiele verplichting door [X], vervalt derhalve de Vaststellingsovereenkomst integraal en wordt alles conform vonnis/arrest opeisbaar.

(...)

Artikel 5

Betaling van de Schuld

5.1. [X] crediteert uiterlijk dinsdag 24 januari 2012 aan Edange in cash EUR 100.000 en binnen 8 weken daarna het restant ad EUR 700.000, (...) zonder aftrek of korting of compensatie of recht van opschorting van prestatie in te roepen, waarmee de Schuld door [X] integraal zal zijn voldaan.

5.2. Zodra [X] de betalingsverplichtingen van artikel 5.1 geheel zal hebben vervuld, zal Edange dus, zonder aftrek of korting of compensatie of recht van opschorting van prestatie in te roepen, de nummers 1 tot en met 10 van de tabel, hierna de Objecten te noemen, formeel vrijgeven, o.a. door opheffing van de beslagen op de Objecten 4 en 7, die zich bij Christie's bevinden.

(...)

Artikel 6

Garantie van volledige en onbezwaarde eigendom van het Onderpand en de verkochte [schilderij]

Voor zoveel nodig garandeert [X] hierbij uitdrukkelijk en zonder voorbehoud, dat hij, ook volgens in kracht van gewijsde gegaan rechterlijk vonnis, waarvan aan Edange na ondertekening copie wordt verstrekt, de volledige en onbezwaarde eigenaar is van het Onderpand en ook van de inmiddels door partijen in gezamenlijk overleg verkochte [schilderij], (...)

Artikel 8

Aard van deze Overeenkomst

Deze Overeenkomst is een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in artikel 7: 900 BW. Partijen doen afstand van een eventueel recht deze Overeenkomst te vernietigen of ontbinding daarvan te vorderen op welke grond dan ook, met inbegrip van de wilsgebreken, (...), toerekenbare niet-nakoming of onrechtmatige daad.

(...)".

1.14. [X] heeft niet conform artikel 5.1 van de vaststellingsovereenkomst vóór 24 januari 2012 een bedrag van € 100.000,-- aan Edange betaald.

1.15. De heer [Y] is als consignatienemer op verzoek van [X] als consignatiegever op zoek gegaan naar (potentiële) kopers voor de kunstvoorwerpen

1.16. Edange heeft op 1 maart 2012 het arrest van 22 november 2011 voornoemd aan [X] laten betekenen.

2. Het geschil

in conventie

2.1. [X] vordert - zakelijk weergegeven -:

I. de executie van het vonnis en het arrest te schorsen;

II. te bevelen dat [Y] binnen twee dagen na de betekening van dit vonnis tot de zich bij Edange, respectievelijk bij Christie's te Amsterdam, bevindende kunstvoorwerpen wordt toegelaten;

III. te bevelen dat indien [Y] binnen veertien dagen na zijn bezoek aan Edange en Christie's de wens daartoe te kennen geeft alle kunstvoorwerpen onverwijld door Edange aan [Y] worden vrijgegeven, onder gelijktijdige betaling van € 800.000,-- aan Edange;

IV. althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te vernemen beslissing;

op straffe van verbeurte van een dwangsom.

2.2. Daartoe voert [X] het volgende aan.

Edange handelt onrechtmatig jegens [X] en pleegt wanprestatie jegens hem door hem de toegang tot de kunstvoorwerpen te weigeren. Edange frustreert hiermee de nakoming van de vaststellingsovereenkomst door [X]. [Y] heeft twee kopers voor de kunstvoorwerpen en zij zijn bereid gezamenlijk € 800.000,-- te betalen, onder de voorwaarde dat zij de kunstvoorwerpen eerst kunnen schouwen en goedkeuren (subject to viewing and satisfaction). Daarnaast heeft Edange misbruik gemaakt van de afhankelijke situatie waarin [X] verkeerde ten tijde van het aangaan van de overeenkomsten van geldlening en de verpanding van de kunstvoorwerpen aan Edange. Voorts heeft Edange in strijd met de redelijkheid en billijkheid meegedeeld dat zij het vonnis en het arrest zal gaan executeren. In de vaststellingsovereenkomst is in artikel 8 bepaald dat ontbinding of vernietiging van de overeenkomst is uitgesloten op grond van toerekenbare niet-nakoming of onrechtmatige daad.

Subsidiair stelt [X] dat de voorzieningenrechter op grond van artikel 3:251 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan bepalen dat de verpande kunstwerken worden verkocht op een van artikel 3:250 BW afwijkende wijze.

2.3. Edange voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

in reconventie

2.4. Edange vordert - zakelijk weergegeven - [X] te veroordelen zijn medewerking te verlenen aan afgifte van de twee schilderijen en de gelden die bij Christie's respectievelijk Christie's Stichting Beheer Derdengelden worden gehouden, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Meer specifiek vordert Edange dat [X] Christie's bericht dat de schilderijen en gelden aan Edange dienen te worden afgegeven en dat [X] Christie's bericht dat uit een in kracht van gewijsde gegaan vonnis volgt dat de moeder van [X] geen rechten op de schilderijen kan doen gelden.

2.5. Daartoe voert Edange het volgende aan.

[X] schiet tekort in de nakoming van zijn verplichting om Christie's te instrueren dat de ten laste van hem beslagen schilderijen en gelden aan Edange afgegeven dienen te worden een en ander op grond van het vonnis van 4 augustus 2010 van deze rechtbank. Daarnaast is hij tekort geschoten in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst door niet een kopie van het vonnis aan Edange te verstrekken, waarin is geoordeeld dat [X] de volledig en onbezwaarde eigenaar is van de kunstvoorwerpen die bij Christie's staan of zijn verkocht.

2.6. [X] voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3. De beoordeling van het geschil

in conventie

Schorsen executie

3.1. Uitgangspunt is de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van de partij, aan wie de vordering bij - zoals hier - uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is toegewezen. Slechts indien Edange geen in redelijkheid te respecteren belang bij executie heeft kan tenuitvoerlegging van het vonnis verboden worden. Hiervan kan sprake zijn indien het te executeren vonnis op een juridische of feitelijke misslag berust of indien na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten een noodtoestand doen ontstaan voor eiser, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet aanvaardbaar is.

3.2. [X] heeft in dit kader betoogd dat partijen een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten waarin Edange afstand heeft gedaan van haar recht om het vonnis en het arrest ten uitvoer te leggen. Edange heeft als verweer aangevoerd dat de vaststellingsovereenkomst is komen te vervallen, nu [X] niet aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, zodat zij geen afstand heeft gedaan van haar executierecht. Kern van dit geschil is derhalve het antwoord op de vraag of de vaststellingsovereenkomst tussen partijen is komen te 'vervallen'.

3.3. Edange heeft in artikel 2 onder 1 van de vaststellingsovereenkomst weliswaar afstand gedaan van haar rechten om het arrest van 22 november 2011 en het vonnis van 4 augustus 2010 ten uitvoer te leggen, maar die afstand heeft zij ingevolge lid 2 van dat artikel uitsluitend gedaan onder de (opschortende) voorwaarde dat de overeenkomst door [X] strikt wordt nagekomen. Vaststaat dat [X] dat laatste niet heeft gedaan, nu hij immers niet conform artikel 5.1 van de vaststellingsovereenkomst een bedrag van € 100.000,-- vóór 24 januari 2012 aan Edange heeft betaald. In lid 3 van artikel 2 zijn partijen overeengekomen dat bij gebreke van tijdige betaling door [X] de vaststellingsovereenkomst integraal komt te vervallen en alles conform het vonnis dan wel het arrest opeisbaar wordt. Nu [X] niet tijdig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, moet worden aangenomen dat de in lid 3 voorzienie situatie is ingetreden zodat [X] aan de vaststellingsovereenkomst geen rechten meer kan ontlenen. [X] heeft nog aangevoerd dat artikel 8 van de vaststellingsovereenkomst bepaalt dat zij niet kan worden ontbonden op grond van een toerekenbare niet-nakoming. De voorzieningenrechter is van oordeel dat, hoewel op het eerste gezicht tegenstrijdig, artikel 8 niet meebrengt dat artikel 2 lid 3 van de vaststellingsovereenkomst toepassing mist. Artikel 8 bevat immers niet meer dan een toelichting op de aard van de overeenkomst, te weten een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van een geschil, en sluit de mogelijkheid van ontbinding uit, terwijl artikel 2 lid 3 ziet op de inhoud van de overeenkomst en met name het gevolg regelt van het niet intreden van de voorwaarde van tijdige betaling.

3.4. Voorts heeft [X] gesteld dat de tekortkoming in de nakoming van de vaststellingsovereenkomst hem niet kan worden toegerekend, nu Edange de betaling van € 100.000,-- heeft gefrustreerd door hem geen toestemming te verlenen de verpande kunstvoorwerpen door een derde te (laten) schouwen. Die toestemming had Edange [X] moeten verlenen op grond van de redelijkheid en billijkheid, nu Edange geen redelijk te respecteren belang heeft bij weigering van de schouw, aldus [X].

3.5. Deze stelling treft geen doel. Voorafgaand aan het tekenen van de vaststellingsovereenkomst hebben partijen, op instigatie van [X], gedebatteerd over een tekstvoorstel waarin het schouwen en keuren van de kunstvoorwerpen was voorzien voordat er (volledig) betaald zou worden door [X], zie daarvoor genoemde e-mail van 19 januari 2012 hiervoor onder 1.12. Edange heeft dit voorstel van [X] expliciet afgewezen. Ondanks die afwijzing heeft [X] diezelfde dag nog de vaststellingsovereenkomst ondertekend en daarmee uitdrukkelijk afstand gedaan van de mogelijkheid om de kunstvoorwerpen voorafgaand te schouwen. Het gaat dan thans niet aan om een dergelijk beding alsnog in de vaststellingsovereenkomst in te voeren onder de noemer van de redelijkheid en billijkheid. Indien dat een springend punt voor [X] was geweest, had hij de huidige vaststellingsovereenkomst niet moeten ondertekenen. Het feit dat ook niet nadrukkelijk in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat de kunstvoorwerpen niet mogen worden beschouwd, zoals [X] nog heeft willen betogen, doet niet af aan dit oordeel, gelet op de onderhandelingen die over het schouwen zijn gevoerd.

3.6. Op grond van het vorenstaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat [X] geen rechten (meer) kan ontlenen aan de vaststellingsovereenkomst, nu de opschortende voorwaarde niet is vervuld en partijen zijn overeengekomen dat in die situatie "alles conform vonnis/arrest opeisbaar" wordt. Daarnaast heeft [X] geen feiten aangevoerd waaruit zonder redelijke twijfel kan worden geconcludeerd dat het vonnis of het arrest in kwestie een evidente misslag bevat. Evenmin heeft hij doen blijken van voorgevallen of aan het licht gekomen feiten van na het vonnis of arrest die (kunnen) leiden tot een noodtoestand bij tenuitvoerlegging daarvan.

3.7. Het vorenstaande brengt mee dat uitgegaan dient te worden van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis en arrest, zodat Edange het recht heeft om tot executie daarvan over te gaan. De vordering tot schorsing van de executie van het vonnis en het arrest zal daarom worden afgewezen.

Toelaten van [Y]

3.8. Voor zover de vordering [Y] toe te laten tot de kunstwerken ook afzonderlijk moet worden beschouwd, dus los van de vordering tot schorsing van de executie, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.9. Nu tussen partijen geen vaststellingsovereenkomst (meer) van toepassing is, wordt de verhouding tussen partijen nader ingevuld met de gebruikelijke redelijkheid en billijkheid die schuldeiser en schuldenaar jegens elkaar in acht dienen te nemen. Daarbij kan evenwel niet worden geabstraheerd van de onderhandelingen die partijen met elkaar hebben gevoerd over een oplossing voor hun geschil. Nu hierboven is overwogen dat in het kader van die onderhandelingen nadrukkelijk en ondanks een daartoe strekkend voorstel van [X], niet is overeengekomen dat Edange de kunstwerken laat schouwen voordat [X] aan zijn verplichtingen heeft voldaan, kan niet snel worden geoordeeld dat de weigering om [Y] tot de kunstwerken toe te laten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Voor dat oordeel is ten minste vereist dat die toelating kan leiden tot een van Edange af te dwingen handelwijze met betrekking tot de verkoop van de kunstvoorwerpen.

3.10. [X] heeft in dit verband gewezen op het bepaalde in artikel 3:251 BW waaruit volgt dat ook de pandgever de voorzieningenrechter kan verzoeken te bepalen dat het pand zal worden verkocht op een andere wijze dan door middel van een openbare verkoop. Afgezien van het feit dat van de in artikel 3:251 BW gegeven bevoegdheid gebruik moet worden gemaakt door middel van een verzoekschriftprocedure, heeft Edange er terecht op gewezen dat partijen deze bevoegdheid van [X] hebben uitgesloten. Voor zover Edange haar pandrecht uitwint, is slechts zij de partij die de voorzieningenrechter een in artikel 3:251 BW bedoeld verzoek kan doen. In dit verband dient toelating van [Y] dus geen doel.

3.11. Voor de conclusie dat Edange jegens [X] op enige andere grond gehouden is [Y] toe te laten tot de kunstvoorwerpen zijn ook overigens onvoldoende feiten aangevoerd. Indien juist is dat [Y] kopers voor de kunstvoorwerpen heeft, dienen zij gebruik te maken van de mogelijkheden die de executie van die voorwerpen biedt. Edange heeft ter zitting toegezegd dat [Y] binnen de kaders van die executie "welkom" is. Dat alles laat onverlet de mogelijkheid dat het ook in het belang van Edange kan zijn [Y] ook buiten de kaders van een openbare verkoop van de kunstvoorwerpen de gelegenheid te bieden aannemelijk te maken dat hij de kunstvoorwerpen kan verkopen voor een prijs hoger dan deze op een veiling zullen opbrengen, maar de beslissing dit al dan niet te doen, is gelet op het bovenstaande, vooralsnog aan Edange. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat Edange terecht heeft aangevoerd dat de stelling dat een verkoop van de kunstvoorwerpen voor een bedrag hoger dan op een veiling te behalen zal zijn, mogelijk is, op geen enkele wijze met stukken is onderbouwd.

Vrijgeven kunstvoorwerpen na betaling € 800.000,--

3.12. De vordering onder III is gebaseerd op de vaststellingsovereenkomst waarin een bedrag van € 800.000,-- is overeengekomen voor het vrijgeven van de kunstvoorwerpen, maar zoals onder 3.6 is overwogen, is die vaststellingsovereenkomst komen te vervallen en is de volledige - hogere - schuld opeisbaar. Deze vordering is derhalve niet toewijsbaar.

3.13. [X] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

in reconventie

3.14. In dit kort geding moet worden beslist op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de bodemrechter reeds een verklaring voor recht in een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen. De voorzieningenrechter dient in beginsel zijn beslissing op dat oordeel van de bodemrechter af te stemmen, ongeacht of dit oordeel is gegeven in een tussenvonnis of in een eindvonnis, in de overwegingen of in het dictum van het vonnis, en ongeacht of het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan. Slechts onder omstandigheden kan plaats zijn voor het aanvaarden van een uitzondering op dit beginsel (HR 7 januari 2011, NJ 2011, 304).

3.15. De vordering van Edange ziet op het verkrijgen van een voor tenuitvoerlegging vatbare titel van een in de bodemprocedure gegeven verklaring voor recht dat [X] gehouden is om de schilderijen en gelden die zich onder Christie's respectievelijk Christie's Stichting Beheer Derdengelden bevinden, waarop door Edange beslag is gelegd, aan Edange af te (laten) geven. [X] heeft deze vordering niet weersproken. Evenmin heeft hij omstandigheden aangevoerd die ertoe zouden moeten leiden dat een uitzondering op het hierboven genoemde beginsel op zijn plaats is. [X] heeft slechts als verweer aangevoerd dat hij pas over de brug wil komen als de overige kunstvoorwerpen zijn vrijgegeven, maar een dergelijk opschortingsrecht komt hem gelet op zijn positie van geëxecuteerde niet toe. Daarnaast heeft [X] ter zitting desgevraagd verklaard dat hij geen bezwaar heeft tegen het verstrekken van een afschrift van het vonnis in de procedure tegen zijn moeder, waarin hij in het gelijk is gesteld. De vordering dient daarom op onderstaande wijze te worden toegewezen.

3.16. Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gemaximeerd. Voorts zal er worden bepaald dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.

3.17. [X] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, welke worden begroot op nihil.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

in conventie

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [X] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van Edange begroot op € 1.391,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 575,-- aan griffierecht;

in reconventie

- veroordeelt [X] om Christie's (Amsterdam) B.V. respectievelijk de Stichting Christie's Beheer Derdengelden schriftelijk te berichten dat (1) conform het vonnis van 4 augustus 2010, welk vonnis is bekrachtigd door het Gerechtshof op 22 november 2011, de partijen bekende schilderijen en gelden aan Edange dienen te worden afgegeven en (2) in het kader van de gerechtelijke procedure van [X] tegen zijn moeder, zijn moeder (als beslaglegster op de bewuste schilderijen en gelden bij Christie's respectievelijk Christie's Stichting Beheer Derdengelden) in het ongelijk is gesteld zodat de moeder van [X] geen aanspraken kan doen gelden op de bewuste schilderijen en gelden en (3) dit bewuste vonnis in kracht van gewijsde is gegaan;

- veroordeelt [X] om een afschrift van het tussen hem en zijn moeder gewezen vonnis af te geven aan Christie's respectievelijk de Stichting;

- veroordeelt [X] om Christie's (Amsterdam) B.V. respectievelijk de Stichting Christie's Beheer Derdengelden schriftelijk te instrueren om binnen drie dagen na deze instructie de betreffende schilderijen en gelden aan Edange, althans een door Edange aan te wijzen derde, te overhandigen;

- bepaalt dat [X] een dwangsom verbeurt van € 5.000,-- per dag of dagdeel dat hij niet aan een van deze veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 100.000,--

- bepaalt dat bovenstaande dwangsom vatbaar is voor matiging op de wijze zoals onder 3.16 is vermeld;

- veroordeelt [X] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van Edange begroot op nihil;

- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. van der Helm en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2012.

nve