Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW0359

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-03-2012
Datum publicatie
29-03-2012
Zaaknummer
413397 JE RK 12-460
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Staat het Bureau Jeugdzorg vrij iets te bepalen omtrent de omgangscontacten nu Bureau Jeugdzorg met een schriftelijke aanwijzing een door een rechterlijke instantie vastgestelde omgangsregeling in principe niet zelfstandig kan wijzigen? Mede vanwege de conflicten bij de uitvoering van de in het verleden door rechterlijke instanties vastgestelde omgangsregelingen en de daaruit voortvloeiende bedreiging voor de ontwikkeling van de minderjarige heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling uitgesproken, zodat een onafhankelijke neutrale persoon de omgangscontacten tussen de minderjarige en de moeder kan coördineren en begeleiden en de bedreigde belangen van de minderjarige kan beschermen. De kinderrechter is gelet daarop van oordeel dat het Bureau Jeugdzorg in de onderhavige situatie vrij staat de vader schriftelijke aanwijzingen te geven betreffende de omgangscontacten, nu dit in overeenstemming is met het doel van de ondertoezichtstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector familie- en jeugdrecht

Kinderrechter

Rekestnummer: 12-460

Zaaknummer: 413397

Datum beschikking: 27 maart 2012

Verzoek tot vervallen verklaring schriftelijke aanwijzing

Beschikking op het op 15 februari 2012 ingekomen verzoekschrift van:

[de vader],

de vader,

wonende te [woonplaats vader],

die het ouderlijk gezag alleen uitoefent,

met betrekking tot de minderjarige:

[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats],

de minderjarige verblijft feitelijk bij de vader.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

De Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

(verder: Bureau Jeugdzorg),

[de moeder],

de moeder,

wonende te [woonplaats moeder].

Procedure

De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- van de zijde van de vader: het verzoekschrift met bijlagen, waaronder een kopie van een schriftelijke aanwijzing d.d. 3 februari 2012 van Bureau Jeugdzorg;

- van de zijde van de moeder: de brieven d.d. 27 februari 2012, 2 maart 2012 (twee), 5 maart 2012 (met bijlagen), alsmede het op 19 maart 2012 bij de griffie van deze rechtbank ingekomen verweerschrift en aanvullend verweerschrift.

Op 20 maart 2012 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank met gesloten deuren behandeld. Hierbij zijn verschenen:

- de vader;

- mevrouw C. van der Schilt namens Bureau Jeugdzorg;

- de moeder.

De moeder heeft na de zitting nog een brief d.d. 20 maart 2012 aan de rechtbank doen toekomen. Nu partijen niet in de gelegenheid zijn gesteld om na de behandeling ter terechtzitting nog een nadere reactie te geven, zal de kinderrechter dit stuk verder buiten beschouwing laten.

Feiten

- De vader en de moeder zijn gehuwd in 1996. Hun huwelijk is door echtscheiding ontbonden in 2005.

- Bij beschikking d.d. [datum beschikking] 2008 van de meervoudige kamer in deze rechtbank is - met wijziging in zoverre van de echtscheidingsbeschikking d.d. [datum beschikking] 2005 en de door partijen gesloten convenanten - onder meer bepaald dat:

- het gezag over de minderjarige voortaan alleen aan de vader toekomt;

- de moeder gerechtigd is de minderjarige bij zich te hebben:

zolang de moeder haar woonplaats heeft in de VS: tijdens haar bezoeken aan Nederland, gedurende één dagdeel per week, op een neutrale plaats, buíten aanwezigheid van de vader en ín aanwezigheid van een volwassen persoon die door de minderjarige wordt vertrouwd;

in het geval de moeder haar woonplaats heeft in Nederland: gedurende één dagdeel per week, op een neutrale plaats, buíten aanwezigheid van de vader en ín aanwezigheid van een volwassen persoon die door de minderjarige wordt vertrouwd.

- De voorzieningenrechter in deze rechtbank heeft bij vonnis d.d. [datum vonnis] 2009 onder meer (uitvoerbaar bij voorraad) bepaald dat tussen de moeder en de minderjarige een voorlopige omgangsregeling zal gelden, inhoudende dat de moeder gerechtigd is iedere donderdag van 15.30 uur tot 18.30 uur omgang met de minderjarige te hebben onder begeleiding van het BIG.

- Het gerechtshof 's-Gravenhage heeft bij beschikking d.d. [datum beschikking] 2010 voornoemde beschikking van de rechtbank d.d. [datum beschikking] 2008 bekrachtigd voor wat betreft de hoofdverblijfplaats van de minderjarige en het aan de vader toegekende eenhoofdig gezag over de minderjarige. Voorts heeft het hof de Raad verzocht om onderzoek te doen teneinde te bezien of en, zo ja, in welke vorm en frequentie omgang tussen de moeder en de minderjarige in het belang van de minderjarige is. Het hof heeft daarbij verzocht onderzoek te verrichten naar en advies te geven ten aanzien van de volgende vragen:

a. Is omgang in het belang van de minderjarige: is sprake van één of meer van de in het derde lid van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek limitatief opgesomde gronden voor ontzegging van het recht van de moeder op omgang met de minderjarige?

b. Op welke wijze kan, indien er geen sprake is van een ontzeggingsgrond, het beste vorm worden gegeven aan de omgang tussen de moeder en de minderjarige?

c. Is er onder de gegeven omstandigheden voor de Raad aanleiding om een verzoek tot ondertoezichtstelling in te dienen bij de rechtbank, gelet op de door het AMK gesignaleerde kindermishandeling?

Voorts heeft het hof overwogen:

- dat het gelet op de omstandigheden en de beperkte duur van het onderzoek geen aanleiding zag een andere omgangsregeling vast te stellen dan door de voorzieningenrechter bij vonnis van [datum vonnis] 2009 is vastgesteld;

- dat het de Raad echter vrij staat tijdens het onderzoek (begeleide) omgangscontacten tussen de minderjarige en de moeder te initiëren, indien de Raad dat in het belang van de minderjarige acht;

- dat de zaak ten aanzien van de omgang werd aangehouden.

Gebleken is dat de datum van de voortzetting van de behandeling van de zaak bij het gerechtshof 's-Gravenhage - en derhalve de uitkomst daarvan - thans nog onbekend is.

- De meervoudige kamer in deze rechtbank heeft bij beschikking d.d. [datum beschikking] 2011 de minderjarige onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg van [datum aanvang ondertoezichtstelling] 2011 tot [datum einde ondertoezichtstelling] 2012;

- Bureau Jeugdzorg heeft de vader een schriftelijke aanwijzing gegeven op 3 februari

2012, inhoudende het besluit: "Er is vanaf heden, 1 keer in de twee weken bezoek tussen [de minderjarige] en zijn moeder. Dit bezoek vindt plaats op donderdagmiddag van 15.30-17.30 op het kantoor van Bureau Jeugdzorg. Het bezoek wordt altijd begeleid door een medewerker van Bureau Jeugdzorg, waar mogelijk de gezinsvoogd. De start is op donderdag 2 februari 2012. Vanaf die datum is er dan ook op elke oneven week een bezoek gepland. Het besluit van Bureau Jeugdzorg geldt dan ook tot het moment dat er een uitspraak is van het Hof betreffende de bezoekregeling en/of de gronden van de ondertoezichtstelling."

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vader strekt ertoe voormelde schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren, alsmede een voorlopige omgangsregeling tussen de minderjarige en de moeder vast te stellen:

Primair: eenmaal in de drie weken gedurende twee uur op een door de vader en Bureau Jeugdzorg af te stemmen dag, althans op een dinsdag, van 15.30 uur tot 17.30 uur op het kantoor van Bureau Jeugdzorg onder begeleiding van de gezinsvoogd;

Subsidiair: voor de situatie dat de ondertoezichtstelling eindigt zolang het gerechtshof te

's-Gravenhage nog geen definitieve beslissing heeft gegeven ten aanzien van de omgang: eenmaal per drie weken gedurende twee uur in het weekend onder begeleiding van de grootouders (vaderszijde).

Bureau Jeugdzorg heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna - voor zover nodig - zal worden besproken.

Voorts heeft de moeder zelfstandige verzoeken gedaan, die de kinderrechter als volgt begrijpt:

- de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek;

- bekrachtiging van een door haar voorgesteld bezoekschema;

- wijziging van het ouderlijk gezag in die zin dat zij voortaan weer

samen met de vader belast is met het gezamenlijk gezag;

- de vader en Bureau Jeugdzorg te veroordelen in de proceskosten.

Beoordeling

Het verzoek van de moeder de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek

De kinderrechter wijst het verzoek van de moeder de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek af wegens een gebrek aan - relevante - onderbouwing daarvan.

Het verzoek van de vader tot vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing

Nu het verzoek binnen twee weken na toezending of uitreiking van genoemde beslissing aan de verzoeker ter griffie van deze rechtbank is ingediend, is de vader ontvankelijk in zijn verzoek.

De kinderrechter stelt voorop dat het bestreden besluit in het kader van een ondertoezichtstelling is verstrekt aan de met het eenhoofdig gezag belaste vader en ziet op de omgangscontacten tussen de - niet met het gezag belaste - moeder en de minderjarige en dat deze aanwijzing derhalve niet is gegeven in het kader van een uithuisplaatsing. Het toetsingskader voor de kinderrechter in onderhavige procedure omvat derhalve niet de artikelen 1:258 en 1:259 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in combinatie met artikel 1:263a BW, doch slechts de eerstgenoemde twee artikelen. De kinderrechter kan dus niet, zoals door de vader verzocht, na een eventuele vervallen verklaring van de schriftelijke aanwijzing een zodanige omgangsregeling vaststellen als hem in het belang van de minderjarige wenselijk voorkomt. De kinderrechter kan de schriftelijke aanwijzing slechts geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. De kinderrechter ziet zich niettemin gesteld voor de vraag of het Bureau Jeugdzorg vrij staat iets te bepalen omtrent de omgangscontacten nu Bureau Jeugdzorg met een schriftelijke aanwijzing een door een rechterlijke instantie vastgestelde omgangsregeling in principe niet zelfstandig kan wijzigen. Daartoe overweegt de kinderrechter dat de hoger beroepsprocedure bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage ter zake de omgang nog aanhangig is en dat als laatst vigerende uitspraak ter zake de omgangsregeling heeft te gelden voornoemde uitspraak van het gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. [datum beschikking] 2010. Mede vanwege de conflictueuze beleving van partijen bij de uitvoering van die regeling (en eerdere regelingen) en de daaruit voortvloeiende bedreiging voor de ontwikkeling van de minderjarige heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling uitgesproken, zodat een onafhankelijke neutrale persoon de omgangscontacten tussen de minderjarige en de moeder kan coördineren en begeleiden en de bedreigde belangen van de minderjarige kan beschermen. De kinderrechter is gelet daarop van oordeel dat het Bureau Jeugdzorg in de onderhavige situatie vrij staat de vader schriftelijke aanwijzingen te geven betreffende de omgangscontacten, nu dit in overeenstemming is met het doel van de ondertoezichtstelling.

Op grond van artikel 1:258, eerste lid, BW dient een schriftelijke aanwijzing te worden beschouwd als een beschikking in de zin van artikel 1:3 van de Algemene Wet bestuursrecht (Awb). Hieruit volgt dat de vraag beantwoord dient te worden of de aanwijzing van Bureau Jeugdzorg van 3 februari 2012 volgens de regels van de Awb en de ongeschreven algemene beginselen van behoorlijk bestuur tot stand is gekomen. De kinderrechter is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat Bureau Jeugdzorg de schriftelijke aanwijzing omtrent de vaststelling van de contactregeling deugdelijk heeft gemotiveerd en na afweging van alle betrokken belangen op goede gronden tot de bij de schriftelijke aanwijzing vastgestelde contactregeling is gekomen. Bureau Jeugdzorg heeft gemotiveerd aangegeven waarom zij deze regeling met de daarin bepaalde frequentie in het belang van de minderjarige acht.

Ten aanzien van de vraag of de schriftelijke aanwijzing ook thans nog in stand kan blijven, overweegt de kinderrechter het volgende. De vader heeft bezwaar tegen de frequentie van de door Bureau Jeugdzorg vastgestelde omgangscontacten; deze zou volgens hem op hooguit eenmaal per drie weken, doch bij voorkeur op eenmaal per vier weken dienen te worden bepaald. De vader verwijst daartoe onder meer naar de mening van de minderjarige zelf en de adviezen van de Raad voor de Kinderbescherming en van een door hemzelf ingeschakelde deskundige. De rechtbank passeert dit verweer van de vader. De rechtbank stelt voorop dat de vader in principe nog steeds gehouden is aan de uitspraak van het gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. [datum beschikking] 2010. Nakoming van de daarin vastgestelde omgangsregeling, zoals de moeder uitdrukkelijk wenst, is tot nu toe echter niet mogelijk gebleken. Ter zitting is gebleken dat de contacten tussen de moeder en de minderjarige sinds de ondertoezichtstelling goed verlopen. De vrijheid om de omgangsfrequentie te bepalen past, zoals hiervoor overwogen, bij de aan Bureau Jeugdzorg in het kader van de ondertoezichtstelling gegeven taak. Een hogere omgangsfrequentie stelt Bureau Jeugdzorg bovendien in staat zich een beter beeld te vormen omtrent de interactie tussen de moeder en minderjarige.

De vader heeft daarnaast moeite met de dag waarop de begeleide omgang tussen de minderjarige en de moeder plaatsvindt. De donderdag is volgens de vader voor zowel hemzelf als de minderjarige niet handig. Hij zou deze liever op een andere dag, bij voorkeur op dinsdag, plaats laten vinden. Ook dit verweer passeert de kinderrechter. Gebleken is dat de ouders er onder leiding van Bureau Jeugdzorg in onderling overleg niet uit zijn gekomen om een geschikte dag te vinden voor de omgangscontacten. Zo blijkt dinsdag voor de moeder ook geen geschikte dag. Bureau Jeugdzorg heeft daarom, zoveel mogelijk in lijn met de eerdere beschikking van de rechtbank, deze dag op donderdag bepaald. De kinderrechter acht deze beslissing van Bureau Jeugdzorg redelijk en nog steeds relevant, gezien het feit dat - ook ter zitting is gebleken dat - de discussie over de te bepalen dag tussen de ouders onverminderd voortduurt. Ter zitting heeft Bureau Jeugdzorg verklaard eventueel bereid te zijn de contacten op dinsdag te laten plaatsvinden. De kinderrechter ziet in die toezegging evenwel geen aanleiding om de schriftelijke aanwijzing thans vervallen te verklaren.

Gezien het vorenstaande zal de kinderrechter beslissen als na te melden.

Het verzoek van de moeder tot bekrachtiging van een door haar voorgesteld bezoekschema

De niet met het ouderlijk gezag belaste ouder kan zich met betrekking tot een vast te stellen of te wijzigen omgangsregeling slechts rechtstreeks tot de rechter wenden op grond van artikel 1:377a BW of artikel 1:377e BW. De rechtbank vat het verzoek van de moeder op als een verzoek in de zin van artikel 1:377e BW. Nu wijziging van een eerder door de rechtbank vastgestelde omgangsregeling reeds onderwerp van geschil is in de thans bij het gerechtshof aanhangige procedure, ziet de rechtbank aanleiding dit verzoek van de moeder af te wijzen.

Het verzoek van de moeder tot wijziging van het ouderlijk gezag

Nu het verzoek van de moeder niet is ondertekend door een advocaat, hetgeen de wet vereist, zal de kinderrechter de moeder niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.

Proceskosten

Gezien de aard van de zaak ziet de kinderrechter aanleiding de proceskosten te compenseren als na te melden.

Beslissing

De kinderrechter:

verklaart de moeder niet-ontvankelijk in haar verzoek tot wijziging van het ouderlijk gezag;

verklaart het verzoek tot vervallen verklaren van de schriftelijke aanwijzing ongegrond;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.G.J. Brink, kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 maart 2012, in tegenwoordigheid van mr. B. Laterveer als griffier.