Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW0346

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-03-2012
Datum publicatie
29-03-2012
Zaaknummer
AWB 12 / 8370
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerders gemachtigde heeft verklaard dat nog steeds op diplomatiek niveau gesprekken plaatsvinden met de Iraakse autoriteiten om tot een hervatting te komen van de uitzettingen naar Irak. Begin februari 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de Nederlandse ambassadeur in Bagdad en de bevoegde Iraakse minister. Daarbij is de mogelijkheid van zowel vrijwillige als gedwongen terugkeer van Iraakse vreemdelingen naar hun land van herkomst besproken. Begin maart 2012 heeft een delegatie van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) op de luchthaven van Bagdad gesproken met de Iraakse migratieautoriteiten. Tijdens dit gesprek is besproken dat een gesprek op het hoogste niveau nodig is. Voorts heeft op 12 maart 2012 een gesprek plaatsgevonden tussen de Directeur Internationale Aangelegenheden van de DT&V en de Iraakse ambassadeur in Nederland. Tijdens dit gesprek is aangegeven dat de dialoog moet worden voortgezet. De Iraakse ambassadeur heeft hierbij aangeboden een faciliterende rol te spelen. Verweerders gemachtigde heeft verder opgemerkt dat de gesprekken op diplomatiek niveau enige tijd in beslag nemen, maar te verwachten is dat de verrichte en de nog te verrichten inspanningen binnen een redelijke termijn tot een gewijzigde houding bij de Iraakse autoriteiten leiden.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat niet langer een redelijk vooruitzicht is op verwijdering. Uit de door verweerders gemachtigde verstrekte informatie volgt dat nog steeds wordt overlegd met de Iraakse autoriteiten op verschillende diplomatieke niveaus en dat die contacten regelmatig plaatsvinden, zoals recentelijk op 12 maart 2012. Weliswaar hebben deze activiteiten nog niet tot concrete toezeggingen van de zijde van de Iraakse autoriteiten tot de afgifte van laissez-passers of tot hervatting van gedwongen uitzettingen met een EU-staat geleid, maar onder deze omstandigheden bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen grond te oordelen dat zicht op verwijdering van eiser binnen een redelijke termijn ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’S-GRAVENHAGE

Zittingsplaats Roermond

Sector bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 12 / 8370

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 maart 2012 in de zaak tussen

[naam eiser], eiser

(gemachtigde: mr. K.P.E. van Tulden),

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder.

Procesverloop

Op 10 november 2011 heeft verweerder eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de vrijheidsontneming. Tevens is om schadevergoeding verzocht.

Verweerder heeft een voortgangsrapportage ingezonden. Eiser heeft daarop, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2012, waar eiser zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L.M.F. Verhaegh

Overwegingen

1. Eiser is volgens zijn eigen verklaring geboren op 6 mei 1984 en van Iraakse nationaliteit.

2. De rechtbank stelt allereerst vast dat het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring laatstelijk bij uitspraak van 13 februari 2012 (AWB 12 / 2834) ongegrond is verklaard. Ter beoordeling ligt thans de vraag voor of het voortduren van de bewaring sedert de sluiting van het onderzoek ter zitting in de vorige procedure op

7 februari 2012, rechtmatig kan worden geacht.

3. Uit de gedingstukken blijkt dat op 16 februari 2012 en op 8 maart 2012 vertrekgesprekken zijn gevoerd met eiser. Verder heeft verweerders gemachtigde ter zitting verklaard dat er nog steeds op diplomatiek niveau gesprekken plaatsvinden met de Iraakse autoriteiten om tot een hervatting te komen van de uitzettingen naar Irak. Begin februari 2012 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen de Nederlandse ambassadeur in Bagdad en de bevoegde Iraakse minister.

Daarbij is de mogelijkheid van zowel vrijwillige als gedwongen terugkeer van Iraakse vreemdelingen naar hun land van herkomst besproken. Begin maart 2012 heeft verder een delegatie van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) op de luchthaven

van Bagdad gesproken met de Iraakse migratieautoriteiten. Tijdens dit gesprek is besproken dat een gesprek op het hoogste niveau nodig is. Voorts heeft op 12 maart 2012 een gesprek plaatsgevonden tussen de Directeur Internationale Aangelegenheden van de DT&V en de Iraakse ambassadeur in Nederland. Tijdens dit gesprek is aangegeven dat de dialoog moet worden voortgezet. De Iraakse ambassadeur heeft hierbij aangeboden een faciliterende rol te spelen. Verweerders gemachtigde heeft verder opgemerkt dat de gesprekken op diplomatiek niveau enige tijd in beslag nemen, maar te verwachten is dat de verrichte en de nog te verrichten inspanningen binnen een redelijke termijn tot een gewijzigde houding bij de Iraakse autoriteiten leiden. Volgens verweerder is daarom nog sprake van zicht op verwijdering van eiser binnen een redelijke termijn.

4. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat er niet langer een redelijk vooruitzicht is op de verwijdering van eiser. Uit de door verweerders gemachtigde ter zitting verstrekte informatie volgt dat nog steeds wordt overlegd met de Iraakse autoriteiten op verschillende diplomatieke niveaus en dat die contacten regelmatig plaatsvinden, zoals recentelijk op 12 maart 2012. Weliswaar hebben deze activiteiten nog niet tot concrete toezeggingen van de zijde van de Iraakse autoriteiten tot de afgifte van laissez-passers of tot hervatting van gedwongen uitzettingen met een EU-staat geleid,

maar onder deze omstandigheden bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen grond

te oordelen dat zicht op verwijdering van eiser binnen een redelijke termijn ontbreekt.

De rechtbank ziet verder aanleiding op te merken, zoals ook al ter zitting is benadrukt,

er aan te hechten dat de voortgang van het diplomatiek overleg indien mogelijk en zo ja,

zo concreet mogelijk in de voortgangsrapportage wordt verwerkt teneinde te kunnen beoordelen of behandeling van ene volgberoep al dan niet op zitting dient plaats te vinden.

5. Voorts overweegt de rechtbank dat verweerders gemachtigde tijdens het onderzoek ter zitting van 7 februari 2012 heeft verklaard dat nog diezelfde week dan wel de week daarna zal worden gerappelleerd bij de Iraakse autoriteiten inzake de in onderzoek zijn aanvraag tot afgifte van een laissez passer voor eiser. Verweerders gemachtigde kon desgevraagd tijdens het onderhavige onderzoek ter zitting niet aangeven of dit daadwerkelijk is gebeurd. De rechtbank ziet echter, gezien de huidige stand van zaken

geen aanleiding om aan het al dan niet rappelleren consequenties te verbinden.

6. Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren en het verzoek om schadevergoeding afwijzen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.H. Machiels, rechter, in aanwezigheid van

mr. K.M.A.W. Kusters-van Mulken, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2012.

w.g. mr. K.M.A.W. Kusters-van Mulken,

griffier w.g. mr. F.H. Machiels,

rechter

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Afschrift verzonden aan partijen op: 29 maart 2012.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.