Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW0290

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-03-2012
Datum publicatie
29-03-2012
Zaaknummer
Awb 11/21645
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Dublin / asielzoeker / gezinsleden / werkingssfeer Vo 343/2003 / verblijfstitel / vertrekmoratorium / paragraaf C3/2.3.6.3 van de Vc 2000

De echtgenoot van eiseres heeft voor de eerste maal een asielverzoek in Nederland ingediend, waarna Nederland zich op grond van de criteria van de Vo 343/2003 verantwoordelijk heeft geacht voor de behandeling van zijn asielverzoek. Gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Vo 343/2003 brengt dit mee dat Nederland voor eventuele volgende in andere lidstaten ingediende asielverzoeken eveneens verantwoordelijk moet worden geacht. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat, anders dan verweerder betoogt, dan ook geen grond voor het oordeel dat de echtgenoot van eiseres als asielzoeker niet (meer) onder de werking van Vo 343/2003 valt.

Niet in geschil is dat de echtgenoot van eiseres in Nederland verblijft in afwachting van een beslissing op zijn asielaanvraag, waarbij hij valt onder het voor asielzoekers uit Syrië geldende besluit- en vertrekmoratorium van 15 juni 2011. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het geldende besluitmoratorium voor Syrië niet kan worden aangemerkt als een verblijfstitel in vorenbedoelde zin. Verweerder is hiermee naar het oordeel van de rechtbank echter voorbij gegaan aan het feit dat de echtgenoot van eiseres tevens onder het voor Syrië geldende vertrekmoratorium valt, welk besluit moet worden aangemerkt als tijdelijke beschermingsmaatregel in vorenbedoelde zin. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in artikel 45, vierde lid, juncto artikel 45, vijfde lid, van de Vw 2000, waaruit volgt dat de echtgenoot van eiseres wordt geacht rechtmatig verblijf te hebben op grond van artikel 8, onder j, van de Vw 2000.

Verweerder heeft in het verweerschrift voorts betoogd dat met de aanwezigheid van de echtgenoot van eiseres in Nederland niet wordt voldaan aan het criterium dat het moet gaan om een bijzonder samenstel van factoren, als neergelegd in paragraaf C3/2.3.6.3 van de Vc 2000, omdat slechts sprake is van een enkele factor. Daarnaast is de aanwezigheid van de echtgenoot ook als op zichzelf staande factor niet een bijzondere omstandigheid nu in het beleid in paragraaf C3/2.3.6.3 van de Vc 2000 is voorzien in de situatie dat een gezinslid in Nederland verblijft.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee nog steeds niet voldoende gemotiveerd hoe het beleid als neergelegd in paragraaf C3/2.3.6.3 van de Vc 2000 en de invulling die verweerder hieraan heeft gegeven zich verhoudt tot een van de doelstellingen van de Vo 343/2003, namelijk om gezinsleden die asiel hebben aangevraagd zoveel mogelijk bijeen te houden dan wel te doen blijven.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 8
Vreemdelingenwet 2000 45
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2012/228
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

nevenzittingsplaats Zwolle

Sector Bestuursrecht, Meervoudige Kamer voor Vreemdelingenzaken

Registratienummer: Awb 11/21645

Uitspraak

in het geding tussen:

[vreemdeling],

geboren op [geboortedatum],

mede ten behoeve van haar minderjarige kinderen,

[kinderen]

allen van Syrische nationaliteit,

IND dossierrnummer 1105.03.1017, eiseres,

gemachtigde mr. A. Szirmai, advocaat te

Heerenveen;

en

de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, voorheen: de minister voor Immigratie en Asiel,

(Immigratie- en Naturalisatiedienst),

te ’s-Gravenhage,

vertegenwoordigd door mr. R. Jonkman,

ambtenaar ten departemente, verweerder.

1. Procesverloop

Op 23 juni 2011 heeft eiseres een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Bij besluit van 1 juli 2011 heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Bij brief van 1 juli 2011 is daartegen beroep ingesteld. Het beroep is voorzien van gronden bij brief van 19 juli 2011. Op 20 en 21 juli 2011 zijn nadere stukken ingediend.

Bij uitspraak van 28 juli 2011 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats de voorlopige voorziening getroffen dat uitzetting achterwege dient te blijven tot op het beroep is beslist.

Verweerder heeft op 25 augustus 2011 een verweerschrift ingediend. Op 10 november 2011 en 5 januari 2012 zijn door eiseres nadere stukken ingediend.

Het beroep is ter zitting van 17 januari 2012 behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien een ander land, partij bij het Vluchtelingenverdrag ingevolge een verdrag of een dit land en Nederland bindend besluit van een volkenrechtelijke organisatie verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval is van toepassing Verordening (EG) 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend (hierna: Vo 343/2003).

2.2 Italië heeft niet tijdig gereageerd op het terugnameverzoek, zodat Italië op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder c, Vo 343/2003 wordt geacht in te stemmen met terugname van eiseres.

2.3 Bij uitspraak van 28 juli 2011 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank en nevenzittingsplaats overwogen dat ter zitting is gebleken dat de echtgenoot van eiseres onder het thans geldende vertrekmoratorium inzake Syrië valt, en derhalve in het bezit is van een verblijfstitel, als bedoeld in artikel 2, onder j, van de Vo 343/2003, nu hem wordt toegestaan op het grondgebied van Nederland te verblijven in het kader van een tijdelijke beschermingsmaatregel. De voorzieningenrechter constateert in dit verband dat de bestreden beschikking vooralsnog tekort schiet in motivering, nu niet duidelijk is hoe het door verweerder gehanteerde beleid als neergelegd in paragraaf C3/2.3.6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000), zich verhoudt tot een van de doelstellingen van de Vo 343/2003, namelijk om gezinsleden die asiel hebben aangevraagd zoveel mogelijk bijeen te houden dan wel te doen blijven.

2.4 Verweerder heeft in het verweerschrift gesteld de uitspraak van de voorzieningenrechter niet te volgen in het oordeel dat de echtgenoot van eiseres een titel heeft als bedoeld in artikel 2, onder j, van de Vo 343/2003. Verweerder stelt zich op het standpunt dat, nu de echtgenoot van eiseres niet onder de werking van de Vo 343/2003 valt, hij hieraan geen rechten en plichten kan ontlenen en nimmer een titel kan krijgen onder deze Verordening.

2.5 De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiseres, haar kinderen en haar echtgenoot allen asielzoekers zijn als bedoeld in artikel 2, onder d, van de Vo 343/2003.

Evenmin is in geschil dat eiseres, haar kinderen en echtgenoot gezinsleden zijn als bedoeld in artikel 2, onder i, van de Vo 343/2003.

2.6 De rechtbank ziet zich eerst gesteld voor de vraag of de echtgenoot van eiseres als asielzoeker valt onder de werking van de Vo 343/2003.

Ingevolge artikel 1 van de Vo 343/2003 worden in de Verordening de criteria en instrumenten vastgesteld om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten is ingediend.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Vo 343/2003 vangt de procedure waarbij wordt vastgesteld welke lidstaat overeenkomstig de Verordening verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek aan zodra het asielverzoek voor de eerste maal bij een lidstaat wordt ingediend.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Vo 343/2003 wordt een asielverzoek door een enkele lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III genoemde criteria verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek.

De echtgenoot van eiseres heeft voor de eerste maal een asielverzoek in Nederland ingediend, waarna Nederland zich op grond van de criteria van de Vo 343/2003 verantwoordelijk heeft geacht voor de behandeling van zijn asielverzoek. Gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Vo 343/2003 brengt dit mee dat Nederland voor eventuele volgende in andere lidstaten ingediende asielverzoeken eveneens verantwoordelijk moet worden geacht. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat, anders dan verweerder betoogt, dan ook geen grond voor het oordeel dat de echtgenoot van eiseres als asielzoeker niet (meer) onder de werking van Vo 343/2003 valt.

2.7 De rechtbank ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de echtgenoot van eiseres in het bezit is van een verblijfstitel als bedoeld in artikel 2, onder j, van de Vo 343/2003.

Ingevolge artikel 2, onder j, van de Vo 343/2003 wordt voor de toepassing van de verordening onder verblijfstitel verstaan: een door de autoriteiten van een lidstaat afgegeven machtiging waarbij het een onderdaan van een derde land wordt toegestaan op het grondgebied van die lidstaat te verblijven, met inbegrip van de documenten waarbij personen worden gemachtigd zich op het grondgebied van die lidstaat op te houden in het kader van een tijdelijke beschermingsmaatregel of in afwachting van de tenuitvoerlegging van een verwijderingsmaatregel die tijdelijk door bepaalde omstandigheden niet kan worden uitgevoerd, echter met uitzondering van visa en verblijfsvergunningen die zijn afgegeven tijdens de periode die nodig is om te bepalen welke lidstaat in de zin van deze verordening verantwoordelijk is of tijdens de behandeling van een asielverzoek of een aanvraag voor een verblijfsvergunning.

Niet in geschil is dat de echtgenoot van eiseres in Nederland verblijft in afwachting van een beslissing op zijn asielaanvraag, waarbij hij valt onder het voor asielzoekers uit Syrië geldende besluit- en vertrekmoratorium van 15 juni 2011.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het geldende besluitmoratorium voor Syrië niet kan worden aangemerkt als een verblijfstitel in vorenbedoelde zin. Verweerder is hiermee naar het oordeel van de rechtbank echter voorbij gegaan aan het feit dat de echtgenoot van eiseres tevens onder het voor Syrië geldende vertrekmoratorium valt, welk besluit moet worden aangemerkt als tijdelijke beschermingsmaatregel in vorenbedoelde zin. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in artikel 45, vierde lid, juncto artikel 45, vijfde lid, van de Vw 2000, waaruit volgt dat de echtgenoot van eiseres wordt geacht rechtmatig verblijf te hebben op grond van artikel 8, onder j, van de Vw 2000.

2.8 Verweerder heeft in het verweerschrift voorts betoogd dat met de aanwezigheid van de echtgenoot van eiseres in Nederland niet wordt voldaan aan het criterium dat het moet gaan om een bijzonder samenstel van factoren, als neergelegd in paragraaf C3/2.3.6.3 van de Vc 2000, omdat slechts sprake is van een enkele factor. Daarnaast is de aanwezigheid van de echtgenoot ook als op zichzelf staande factor niet een bijzondere omstandigheid nu in het beleid in paragraaf C3/2.3.6.3 van de Vc 2000 is voorzien in de situatie dat een gezinslid in Nederland verblijft.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee nog steeds niet voldoende gemotiveerd hoe het beleid als neergelegd in paragraaf C3/2.3.6.3 van de Vc 2000 en de invulling die verweerder hieraan heeft gegeven zich verhoudt tot een van de doelstellingen van de Vo 343/2003, namelijk om gezinsleden die asiel hebben aangevraagd zoveel mogelijk bijeen te houden dan wel te doen blijven.

2.9 Het beroep zal daarom gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit dient wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.10 Hetgeen eiseres overigens heeft aangevoerd behoeft gezien het voorgaande geen bespreking.

2.11 Er bestaat aanleiding voor veroordeling van een partij in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

3.Beslissing

De rechtbank

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het besluit van 1 juli 2011;

-bepaalt dat verweerder opnieuw op de aanvraag dient te beslissen, met inachtneming van deze uitspraak;

-veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,=, te voldoen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Bruggen, voorzitter, en mrs. M. van Loenen en A.P.W. Esmeijer, rechters, en door de voorzitter en mr. M.H.B. Boksebeld als griffier ondertekend. Uitgesproken in het openbaar op

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder vermelding van “Hoger beroep vreemdelingenzaken”, postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage.

Artikel 85 Vw 2000 bepaalt in dat verband dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.