Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW0224

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
AWB 12 / 7083 en AWB 12 / 7085
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

AA-procedure / MediFirst-adviezen / IND-werkinstructie 2010/13

AA-procedure. In beide MediFirst-adviezen is eenduidig vermeld dat er bij verzoekster beperkingen zijn op grond van medische problematiek die van invloed kunnen zijn op het horen en/of beslissen. Volgens de ingeroepen IND-werkinstructie 2010/13 moet in dergelijke gevallen niet alleen in het rapport van gehoor, maar ook in de motivering van het voornemen en de beschikking aangegeven worden op welke wijze rekening is gehouden met de medische (psychische) beperkingen en hoe deze zijn meegenomen in het voorliggende besluit. De voorzieningenrechter stelt vast dat in het bestreden besluit, en in het voornemen dat daarvan onderdeel uitmaakt, een dergelijke motivering geheel ontbreekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ’s-GRAVENHAGE

zittinghoudende te Maastricht

Sector Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 12 / 7083 en AWB 12 / 7085

Uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam], verzoekster,

en

de Minister voor Immigratie, Integratie en Asiel, verweerder.

Datum bestreden besluit: 29 februari 2012

Kenmerk: 1112.20.1155

V-nummer: 276.268.4848

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), afgewezen. Voorts heeft verweerder daarbij ambtshalve beslist dat verzoekster niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14 van de Vw 2000.

Tegen dit besluit is namens verzoekster beroep ingesteld bij deze rechtbank. Voorts is de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht ter zake een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), te treffen. De gronden waarop het beroep en het verzoek berusten zijn ingediend bij brief van 14 maart 2012 en aangevuld bij brief van 21 maart 2012.

Verweerder heeft de stukken die op de zaak betrekking hebben ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2012, waar verzoekster in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. J.W.J. van den Broek, advocaat te Eindhoven, en F. Rahimi, tolk.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Aboulouafa, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

2. Overwegingen

In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Verzoekster, die is geboren op 1 juli 1995 (toegekende datum) en de Afghaanse nationaliteit bezit, heeft op 21 februari 2012 de in rubriek 1 genoemde aanvraag ingediend.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 in verbinding met artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eiseres toerekenbaar geen documenten ter staving van haar reisroute heeft overgelegd. In dat kader heeft verweerder verzoekster tegengeworpen dat zij haar reisverhaal niet heeft onderbouwd met de gebruikte grensoverschrijdingsdocumenten en andere reisbewijzen, dan wel indicatief bewijs en te weinig gedetailleerd heeft kunnen verklaren over die reis. Daarnaast heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het asielrelaas van verzoekster positieve overtuigingskracht ontbeert omdat zij vage, summiere en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd, zowel over de dood van haar vader als gevolg van een auto-ongeluk, als over haar uithuwelijking. Voorts heeft verweerder overwogen dat uit het advies van MediFirst van 3 februari 2012 geenszins blijkt dat er bij verzoekster sprake is van een medische of psychische problematiek die van invloed is geweest op haar verklaringen. Volgens verweerder kan dan ook niet worden geconcludeerd dat het afleggen van incoherente en inconsistente verklaringen is te herleiden tot de medische of psychische situatie van verzoekster. Nu niet geloofwaardig wordt geacht dat verzoekster als alleenstaande minderjarige vrouw moet worden aangemerkt, moet het er volgens verweerder voor gehouden worden dat er voor haar adequate opvang in het land van herkomst aanwezig is in de persoon van haar broer of vader. Verzoekster komt daarom in de visie van verweerder ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het bijzondere beleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen.

Verzoekster heeft in beroep aangevoerd dat verweerder bij de beoordeling van haar asielaanvraag toepassing had moeten geven aan IND-werkinstructie nr. 2010/13 van 29 oktober 2010 (hierna: werkinstructie 2010/13). Uit het MediFirst-advies van 3 februari 2012 blijkt niet dat zij (helemaal) geen lichamelijke en geestelijke problemen meer zou hebben. Voor zover haar verklaringen al ongerijmdheden of tegenstrijdigheden bevatten – hetgeen verzoekster gemotiveerd heeft bestreden – had verweerder haar die niet mogen tegenwerpen gezien de door MediFirst geconstateerde medische beperkingen. Verder is het MediFirst-advies van 3 februari 2012 volgens verzoekster niet concludent en rust in dezen op verweerder een vergewisplicht. In dit kader heeft verzoekster verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 oktober 2011 (LJN BU1283). Voorts heeft verzoekster betoogd dat haar ten onrechte wordt tegengeworpen dat zij geen reispapieren heeft overgelegd. Omdat zij onder dwang stond van de reisagent kon zij zich niet direct bij de autoriteiten melden. Zij tekent daarbij aan dat, gezien de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Haarlem, van 9 december 2010 (LJN BP0029), deze dwang niet persé fysiek hoeft te zijn. Nu haar asielrelaas ten onrechte ongeloofwaardig wordt geacht, kan ook verweerders weigering haar als alleenstaande minderjarige vreemdeling een verblijfsvergunning regulier te verlenen volgens verzoekster geen stand houden.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van deze wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen. Het is derhalve aan de vreemdeling om de door hem aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken.

Ingevolge artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.

Als zich de omstandigheid voordoet, als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onder f, van de Vw 2000, mogen ingevolge artikel 31 van de Vw 2000, mede gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling, en volgens de ter uitvoering daarvan vastgestelde beleidsregels, in het relaas van de vreemdeling om het geloofwaardig te achten geen hiaten, vaagheden, ongerijmde wendingen en tegenstrijdigheden op het niveau van de relevante bijzonderheden voorkomen; van het asielrelaas moet dan een positieve overtuigingskracht uitgaan.

Zoals blijkt uit werkinstructie nr. 2010/13 is deze instructie erop gericht om de asielzoeker in staat te stellen zijn relaas zo goed mogelijk te doen, zodat de behandeling van de aanvraag niet onnodig lang gaat duren. De vraag die daarbij gesteld moet worden is volgens de instructie niet zozeer òf een asielzoeker gehoord kan worden – uitgangspunt is en blijft dat een asielzoeker in beginsel gehoord kan worden – maar wat er nodig is om zorgvuldig een gehoor te houden en hoe bij de aanwezigheid van beperkingen, bijvoorbeeld als gevolg van psychische of andere medische problemen, de uitkomsten van een gehoor beoordeeld kunnen en moeten worden. Uit de omschrijving van de gevallen waarin de instructie van toepassing is, blijkt verder dat deze instructie (onder meer) betrekking heeft op zaken waarin de medisch adviseur heeft geconcludeerd dat er sprake is van beperkingen die van invloed kunnen zijn op het horen en beslissen.

Zoals blijkt uit het procesdossier heeft MediFirst in het kader van de asielaanvraag van verzoekster twee adviezen uitgebracht. Het eerste MediFirst-advies dateert van 30 december 2011. In dit rapport wordt de vraag of er bij verzoekster beperkingen zijn op grond van medische problematiek die van invloed kunnen zijn op het horen en/of beslissen bevestigend beantwoord. Vervolgens wordt geconcludeerd dat verzoekster niet kan worden gehoord en over een maand een zogenoemd ‘revisiegesprek’ zal krijgen. Opgemerkt wordt verder dat verzoekster tijdens het gesprek een lichamelijk en geestelijk instabiele indruk maakt.

Het tweede MediFirst-advies dateert van 3 februari 2012. Ook in dit advies wordt de vraag of er beperkingen zijn op grond van medische problematiek die van invloed kunnen zijn op het horen en/of beslissen bevestigend beantwoord. Anders dan in het vorige advies wordt deze keer echter geconcludeerd dat verzoekster wel kan worden gehoord. Wat betreft medische problematiek die van invloed kan zijn op de verklaringen van verzoekster wordt aangegeven met welke beperkingen de IND ten aanzien van het horen rekening dient te houden. Aangegeven wordt dat verzoekster lichamelijk en geestelijk beter functioneert dan tijdens de vorige adviesaanvraag en adequaat en alert antwoord geeft op de gestelde vragen. Vermeld wordt verder dat verzoekster mogelijk emotioneel kan gaan reageren wanneer zij gaat vertellen over gebeurtenissen uit het verleden. Geadviseerd wordt verzoekster rustig te benaderen, niet onder druk te zetten en de tijd te geven om rustig haar antwoord te kunnen formuleren en eventueel extra pauzes aan te bieden. Voorts is vermeld dat verzoekster aangeeft problemen te hebben met data en het reproduceren van sommige details uit het verleden.

De voorzieningenrechter stelt vast dat in beide MediFirst-adviezen eenduidig is vermeld dat er bij verzoekster beperkingen zijn op grond van medische problematiek die van invloed kunnen zijn op het horen en/of beslissen. Reeds hierom moet geconcludeerd worden dat werkinstructie 2010/13 in het onderhavige geval wel degelijk van toepassing is. Verweerders standpunt dat deze werkinstructie in het onderhavige geval toepassing mist, is dan ook niet juist.

De voorzieningenrechter overweegt vervolgens dat werkinstructie 2010/13 niet alleen aanwijzingen geeft voor het plannen en uitvoeren van het gehoor van asielzoekers met beperkingen als de voornoemde, maar ook aanwijzingen geeft voor de besluitvorming op basis van het nader gehoor in zaken van asielzoekers met psychische problemen.

Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder de door MediFirst noodzakelijk geachte voorzieningen voor het uitvoeren van het nader gehoor voldoende in acht heeft genomen en dat het rapport van dit gehoor daar voldoende blijk van geeft.

Ten aanzien van het betoog van verzoekster dat verweerder bij de beoordeling van haar asielaanvraag toepassing had moeten geven aan werkinstructie 2010/13 overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Paragraaf 5 van de instructie, die in het bijzonder is gewijd aan de besluitvorming op basis van nader gehoor in zake van asielzoekers met psychische problemen, vermeldt onder meer het volgende:

Van belang bij het nemen van een beslissing is te beseffen dat een asielzoeker met medische/psychische problemen mogelijk niet in staat zal blijken om coherent en consistent te verklaren. Deze situatie kan zich ook nog steeds voordoen met inachtneming van de extra voorzieningen bij het nader gehoor (…).

In het rapport van gehoor, maar ook in de motivering van het voornemen en de beschikking (en in de minuut) zal aangegeven moeten worden op welke wijze rekening is gehouden met de medische (psychische of fysieke) beperkingen én hoe dit is meegenomen in het voorliggende besluit. Indien in voornemen en beschikking wel hiaten, vaagheden en/of tegenstrijdigheden worden tegengeworpen, dient aandacht te worden besteed aan de motivering, waarom gemeend wordt deze te kunnen tegenwerpen.

In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat tijdens de gehoren aan alle door MediFirst aangegeven randvoorwaarden is voldaan. Daarnaast heeft verweerder gesteld dat uit het rapport van MediFirst geenszins blijkt dat er bij verzoekster sprake is geweest van medische of psychische problematiek die, ondanks dat er tijdens het horen op alle vlakken rekening is gehouden met verzoekster, van invloed is geweest op haar verklaringen.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerders standpunt niet strookt met de inhoud van werkinstructie 2010/13. In deze werkinstructie is immers expliciet vermeld dat de situatie waarin een asielzoeker met medische/psychische problemen niet in staat blijkt om coherent en consistent te verklaren zich ook nog steeds kan voordoen wanneer de noodzakelijk geachte voorzieningen tijdens het gehoor in acht genomen zijn. Bovendien blijkt uit werkinstructie 2010/13 dat de vraag in hoeverre incoherenties en inconsistenties wel of niet kunnen worden tegengeworpen slechts deels is af te leiden uit (medische) verklaringen in het dossier, en voor het overige wordt overgelaten aan de inschatting van de IND-medewerker, die zoveel mogelijk de psychische/medische beperkingen van de vreemdeling in het achterhoofd dient te houden bij de vraag of de inconsistenties mogen worden tegengeworpen. De werkinstructie laat er geen twijfel over bestaan dat in voorkomende gevallen niet alleen in het rapport van gehoor, maar ook in de motivering van het voornemen en de beschikking aangegeven zal moeten worden op welke wijze rekening is gehouden met de medische (psychische) beperkingen en hoe deze zijn meegenomen in het voorliggende besluit. De voorzieningenrechter stelt vast dat in het bestreden besluit, en in het voornemen dat daarvan onderdeel uitmaakt, een dergelijke motivering geheel ontbreekt. Dit klemt te meer nu verweerder verzoekster – die onder meer heeft verklaard dat haar vader toen zij twaalf jaar oud was bij een auto-ongeluk om het leven is gekomen toen hij hout, afkomstig van bomen van hun eigen grond, naar Kabul ging brengen – zonder enig voorbehoud, ook niet voor wat betreft haar leeftijd, bijvoorbeeld heeft tegengeworpen dat zij slechts summier over de toedracht van dit ongeluk kan verklaren. In dit verband heeft verweerder in aanmerking genomen dat verzoekster niet kan vertellen wie de bomen zou hebben omgehakt, van wie de vrachtauto was waarmee het hout zou zijn vervoerd, wie de chauffeur was die ook bij het ongeluk zou zijn omgekomen en aan wie de vader van verzoekster dat hout ging verkopen. Verweerders verklaring ter zitting dat verzoekster enkel wordt tegengeworpen dat zij tegenstrijdig en inconsistent heeft verklaard en niet dat zij te weinig details heeft verschaft, kan dan ook, reeds gelet op deze voorbeelden, niet worden gevolgd.

De voorzieningenrechter ziet in het voorgaande voldoende grond om het bestreden besluit te vernietigen wegens strijd met het in artikel 3:2 van de Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel en het in artikel 3:46 van de Awb neergelegde beginsel dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering. Aangezien de volledige grondslag van het bestreden besluit hierdoor geraakt wordt, komt de voorzieningenrechter aan de beoordeling van hetgeen overigens is aangevoerd niet meer toe.

Het beroep is derhalve gegrond te achten. Gelet op het oordeel in de hoofdzaak bestaat er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het daartoe strekkende verzoek zal worden afgewezen.

De voorzieningenrechter acht voorts termen aanwezig om verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:75 in verbinding met artikel 8:84 van de Awb te veroordelen in de door verzoekster in verband met de onderhavige procedures, zowel ten aanzien van het beroep in de hoofdzaak, als ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) vastgesteld op het in rubriek 3 vermelde bedrag, waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van verzoekster twee punten zijn toegekend (voor het indienen van het verzoek- annex beroepschrift en voor het verschijnen ter zitting). Het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1,0). Van andere ingevolge het Bpb voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Nu aan verzoekster een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:84, vierde lid, juncto artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Beslist wordt als volgt.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt met inachtneming van het gestelde in deze uitspraak;

- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedures tot een bedrag van € 874,- (wegens kosten van rechtsbijstand), te betalen aan de griffier van deze rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.M.M. Kleijkers, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.M.J. Clermonts, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2012.

w.g. L. Clermonts w.g. R. Kleijkers

Voor eensluidend afschrift:

de griffier:

Verzonden: 28 maart 2012

Tegen de uitspraak in de hoofdzaak staat voor belanghebbenden en het bestuursorgaan hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Hoger beroep vreemdelingenzaken, postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt één week na de datum van verzending van deze uitspraak. Ingevolge artikel 85 van de Vw 2000 dient het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing, indien niet is voldaan aan de vereisten genoemd in artikel 6:5, eerste lid, onder c en d, van de Awb of aan artikel 85, eerste of tweede lid, van de Vw 2000.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.