Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBSGR:2012:BW0221

Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-03-2012
Datum publicatie
28-03-2012
Zaaknummer
09/757648-11; 09/085046-10; 09/655539-11
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSGR:2012:BX6335, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Moord. Verdachte heeft op 21 maart 2011 [X], de vrouw met wie hij jarenlang een relatie heeft gehad, opzettelijk en met voorbedachte raad om het leven gebracht. Verdachte heeft haar met een revolver in het hoofd geschoten. Daarbij is hij na het eerste schot van het slachtoffer weggelopen, maar heeft hij vervolgens doelbewust besloten zijn ingezette actie om [X] om het leven te brengen, af te maken en heeft hij haar nog tweemaal in het hoofd geschoten. Verdachte heeft nauwelijks inzicht gegeven in zijn beweegredenen. Verdachte heeft niet mee willen werken aan rapportages betreffende zijn persoonlijkheid en zijn psychische gesteldheid ten tijde van het plegen van het misdrijf en - in het verlengde daarvan - de vraag of het misdrijf hem kan worden toegerekend. De rechtbank acht verdachte dan ook, bij gebreke van rapportages die anders aangeven, volledig toerekeningsvatbaar. De rechtbank kan daarom niet anders dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur opleggen. Zij heeft mede gekeken naar de strafopleggingen in vergelijkbare zaken. Daarin plegen gevangenisstraffen van 12 á 13 jaar te worden opgelegd. In het nadeel van verdachte wordt meegewogen dat, zoals hiervoor aangegeven, de moord in de publieke ruimte plaatsvond. Tevens heeft de rechtbank de andere bewezen verklaarde feiten in de strafmaat meegenomen. De eis van de officier van justitie vindt de rechtbank, in vergelijking met in andere zaken opgelegde straffen, te hoog. Daarnaast acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet bewezen dat verdachte de moord al ruim van tevoren heeft gepland en voorbereid. Dat leidt er toe dat de rechtbank een lagere straf oplegt dan door de officier van justitie geëist. Gevangenisstraf voor de duur van 16 jaar, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE

Sector Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummers 09/757648-11; 09/085046-10 (ttz. gev.); 09/655539-11 (ttz. gev.)

Datum uitspraak: 28 maart 2012

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank 's-Gravenhage heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting "Over-Amstel" te Amsterdam.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 29 juni 2011, 7 september 2011, 30 november 2011, 5 december 2011, 21 februari 2012 en 14 maart 2012.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R. Peters en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. G.R. Stolk, advocaat te Rotterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De dagvaarding met parketnummer 09/757648-11 (hierna te noemen: dagvaarding I), de dagvaarding met parketnummer 09/085046-10 (hierna te noemen: dagvaarding II) en de dagvaarding met parketnummer 09/655539-11 (hierna te noemen: dagvaarding III) zijn gevoegd aan de kennisneming van de rechtbank onderworpen.

Verdachte zijn tien feiten ten laste gelegd. De belangrijkste verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het doden van zijn (ex-) partner, [X], door haar met een revolver meermalen in het hoofd te schieten.

Tevens wordt verdachte verweten een revolver in zijn bezit te hebben gehad, in harddrugs te hebben gehandeld en deze voorhanden te hebben gehad, en voorts diefstal van een mobiele telefoon van [X], mishandeling van [X], het wederechtelijk binnendringen in de woning van [X], een poging om [Y] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een asbak op het hoofd te slaan, een poging om [Z] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met een mes of een puntig voorwerp te steken in de richting van diens bovenlichaam en de diefstal van een fiets.

De rechtbank zal in dit vonnis eerst de feiten bespreken die niet in verband staan met het slachtoffer [X], waarna zij overgaat tot bespreking van de feiten die in verband staan met [X] om tot slot toe te komen aan de bespreking van de dood van [X].

De volledige tekst van de ter terechtzitting gewijzigde tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis en maakt daar deel van uit.

3. Bewijsoverwegingen ten aanzien van het wegnemen van een fiets (dagvaarding II)

3.1 Inleiding

Verdachte wordt primair verweten zich schuldig te hebben gemaakt aan de diefstal van een fiets toebehorende aan [eigenaar fiets]; subsidiair wordt hem de heling van deze fiets verweten.

3.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan heling van de fiets.

3.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken, nu hij de fiets voor een gebruikelijk bedrag van een bekende heeft gekocht.

3.4 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank acht net als de officier van justitie en de verdediging niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van de fiets nu het dossier daartoe geen bewijsmiddelen bevat.

Voorts bevat het dossier geen informatie op grond waarvan kan worden vastgesteld dat de bij verdachte aangetroffen fiets van diefstal afkomstig is. Zo valt uit het dossier niet op te maken dat de bij verdachte aangetroffen fiets dezelfde is als de fiets waarvan zich een aangifte wegens diefstal in het dossier bevindt. Dat de fiets niet voorzien was van een vast slot en dat het framenummer was weggekrast, wijst er wel op dat de fiets mogelijk op enig moment is gestolen, maar is onvoldoende om bewezen te verklaren dat verdachte dat wist of had moeten vermoeden Het dossier bevat ook geen andere aanwijzingen daarvoor. Daarom kan evenmin de subsidiair ten laste gelegde heling bewezen worden verklaard.

De rechtbank zal verdachte dan ook van het hem primair en subsidiair ten laste gelegde vrijspreken.

4. Bewijsoverwegingen ten aanzien van de mishandeling van [Y] (dagvaarding I, feit 7)

4.1 Inleiding

Op 24 april 2010 heeft zich in de ochtend een ruzie voorgedaan tussen verdachte en [Y]. Hierbij heeft [Y] verdachte een kopstoot gegeven. Het aan verdachte ten laste gelegde feit ziet op een confrontatie tussen verdachte een [Y] die zich die avond heeft voorgedaan.

Verdachte heeft verklaard dat er 's avonds wel een vechtpartij tussen hem en [Y] heeft plaatsgevonden, maar dat deze vechtpartij is begonnen omdat [Y] verdachte met een vork in de hand stak. Voorts ontkent verdachte dat hij een asbak in zijn handen had toen hij [Y] sloeg.

4.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verdachte primair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard. De officier van justitie baseert die conclusie op verschillende getuigenverklaringen waaruit haars inziens blijkt dat verdachte met een stalen asbak als een bezetene tekeer is gegaan op het hoofd van [Y], waarbij aanzienlijk letsel is toegebracht.

4.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het hem primair ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken, omdat een stalen horeca-asbak geen voorwerp is waarmee je iemand zwaar lichamelijk letsel toe kan brengen. Dit type asbak is zeer licht en ontworpen om zo min mogelijk letsel toe te kunnen brengen in het geval van een gevecht, aldus de raadsman. Verder heeft hij aangevoerd dat verdachte uit zelfverdediging heeft gehandeld.

4.4 De beoordeling van de tenlastelegging1

Tegen verdachte is door [Y] aangifte gedaan van mishandeling op 24 april 2010 in Den Haag.2 [Y] heeft verklaard dat hij's avonds in de huiskamer was. Hij zag dat verdachte de huiskamer binnenkwam. Verdachte liep weg en toen hij terug kwam lopen zag en voelde [Y] dat verdachte hem op het hoofd sloeg. Het leek of hij met een kopje op het hoofd geslagen werd.3 Daarna, zo verklaarde [Y], is hij half op de grond gevallen en werd hij nog steeds door verdachte geslagen.4 Het dossier bevat foto's waarop te zien is dat [Y] een blauw oog heeft en diverse wonden op zijn achterhoofd .5

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat verdachte een aantal malen op het hoofd van [Y] heeft geslagen met de asbak.6

De getuigen [getuige 2] en [getuige 3] verklaarden te hebben gezien dat verdachte de woonkamer in kwam lopen met een asbak in zijn hand, dat hij daarmee op [Y] afliep en hem er meermalen mee op zijn hoofd sloeg. 78

Verdachte zelf heeft verklaard dat hij wel heeft geslagen, maar dat dit is geweest omdat [Y] hem eerst met een vork heeft gestoken. De rechtbank acht deze verklaring van verdachte op grond van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen niet aannemelijk. Het is niet uitgesloten dat verdachte tijdens de vechtpartij op enig moment door [Y] met een vork is gestoken. Uit de getuigenverklaringen blijkt echter dat het verdachte is geweest die in de avond het initiatief tot het geweld heeft genomen. Dat verdachte op het moment dat hij met de asbak sloeg in een noodweersituatie verkeerde, is niet gebleken. De rechtbank verwerpt dat verweer.

De rechtbank stelt op basis van deze bewijsmiddelen vast dat verdachte meermalen met een asbak op het hoofd van [Y] heeft geslagen. De rechtbank kan op grond van het dossier niet vaststellen of de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk was. Daarvoor is onvoldoende bekend geworden over het type asbak. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het hem primair ten laste gelegde en hem veroordelen voor mishandeling.

De rechtbank merkt nog op dat zij bewezen acht dat [Y] pijn heeft ondervonden van het letsel, hoewel hij daarover niet met zoveel woorden heeft verklaard. Het is een feit van algemene bekendheid dat een blauw oog en verwondingen aan het hoofd, zoals aan hem zijn toegebracht, pijnlijk zijn.

5. Bewijsoverwegingen ten aanzien van de poging tot zware mishandeling en de mishandeling van [Z] (dagvaarding III feit 1 en 2)

5.1 Inleiding

Op 26 februari 2011 heeft zich in het Hommerson casino in Gouda een vechtpartij tussen verdachte en [Z] voorgedaan. Verdachte heeft verklaard dat hij in het casino hoorde dat [Z] daar aanwezig was. Hij is op hem toegelopen en toen er geen antwoord kwam op zijn vragen, heeft hij [Z] een vuistslag in het gezicht gegeven.9

Verdachte ontkent meer dan één vuistslag te hebben uitgedeeld en naar [Z] te hebben uitgehaald met een mes of ander puntig voorwerp.

5.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verdachte onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.

5.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het hem onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Naar het oordeel van de verdediging is niet vast komen te staan dat verdachte daadwerkelijk een mes in zijn handen heeft gehad. Tevens heeft de verdediging aangevoerd dat niet vastgesteld kan worden dat de jas van [Z] waarin een gat is waargenomen, dezelfde jas is die hij droeg in het casino.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte één keer heeft geslagen.

5.4 De beoordeling van de tenlastelegging

[Z] heeft in zijn aangifte verklaard dat hij op 26 februari 2011 in het casino in Gouda uit het niets is aangevallen door verdachte. Verdachte tikte [Z] op de schouder en gelijk hierop haalde hij uit met zijn vuist tegen het hoofd van [Z].10 [Z] voelde direct pijn na deze klap. Vervolgens zijn verdachte en [Z] op de grond gevallen. Hierna zag [Z] dat verdachte een mes uit zijn kontzak pakte en vervolgens met dat mes op hem af kwam lopen. Verdachte heeft tweemaal op [Z] ingestoken, hij maakte een zwaaiende beweging naar zijn bovenlichaam.11

De aangifte wordt ondersteund door camerabeelden uit het casino. Op deze beelden is blijkens een daarvan opgemaakt proces-verbaal te zien dat verdachte meerdere malen in het gezicht van aangever heeft geslagen.12 Vervolgens is te zien dat verdachte met zijn hand naar de kontzak van zijn broek ging.13 Daarna maakte verdachte tweemaal een voorwaartse beweging met zijn arm naar aangever. Te zien is dat verdachte iets in zijn rechterhand had.14 Dit voorwerp werd door de verbalisant die de beelden heeft uitgekeken herkend als een op een lemmet gelijkend voorwerp.15 Een beeld van deze film, waarop te zien is dat verdachte dit voorwerp in zijn hand houdt, is in het dossier gevoegd16.

Op grond van vorenstaande stelt de rechtbank vast dat verdachte meermalen heeft geslagen op het hoofd van aangever, waarmee verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van aangever. Vervolgens heeft verdachte een mes gepakt en hiermee tweemaal een stekende beweging in de richting van aangever gemaakt. Verdachte heeft zich zodoende ook schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van aangever.

6. Bewijsoverwegingen ten aanzien van het wapenbezit (dagvaarding I, feit 2)

6.1 Inleiding

Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 21 maart 2011 een vuurwapen in zijn bezit heeft gehad. Tevens wordt hem het bezit van de munitie in deze periode verweten.

6.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel het bezit van het wapen als van de munitie bewezen kan worden verklaard. Het bewijs ziet op grond van de verklaring van getuige [Z] op een kortere periode dan ten laste gelegd. (Dit is relevant omdat de officier van justitie van mening is dat het wapen is aangeschaft om [X] mee te doden.)

De officier van justitie acht het op grond van deze getuigenverklaring aannemelijk dat verdachte het wapen en de munitie pas na 26 februari 2011 in zijn bezit heeft gekregen.

6.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het wapen en de munitie de gehele ten laste gelegde periode in zijn bezit heeft gehad. De verdediging baseert zich hierbij op de verklaring van verdachte.

6.4 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank stelt vast dat [Z], toen hij als getuige werd gehoord, slechts heeft verklaard dat anderen hem hebben verteld dat verdachte op zoek was naar een wapen. Een dergelijke verklaring van horen zeggen, die verder nergens door wordt ondersteund, is niet bruikbaar als bewijsmiddel.

De rechtbank is van oordeel dat op basis hiervan niet kan worden vastgesteld dat verdachte het wapen later heeft aangeschaft dan hij in zijn eigen verklaring heeft gesteld.

Met een opgave van bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman van de verdachte geen vrijspraak heeft bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 14 maart 2012;

- het proces-verbaal onder 01/OPV/AH, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal met nummer 2011 059138, van de regiopolitie Haaglanden, onderzoek Magnesium, op 21 maart 2011 opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, inhoudende de vaststelling dat het onder verdachte in beslag genomen wapen een vuurwapen is, te weten een revolver, en dat de aangetroffen munitie valt onder categorie III, blz. 118 t/m 121.

7. Bewijsoverwegingen ten aanzien van drugshandel en drugsbezit (dagvaarding I, feit 3)

7.1 Inleiding

Bij verdachte is bij zijn aanhouding een hoeveelheid heroïne en cocaïne aangetroffen. Verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 1 januari 2011 tot en met 20 maart 2011 in verdovende middelen heeft gehandeld. Tevens wordt hem het bezit van de aangetroffen drugs, op de dag van zijn aanhouding, verweten.

7.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de handel in verdovende middelen bewezen kan worden verklaard nu verdachte deze handel heeft bekend en er diverse getuigen hebben verklaard dat verdachte in drugs dealde. De officier van justitie acht het eerste en het tweede cumulatief wettig en overtuigend bewezen.

7.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten aanzien van het eerste en tweede alternatief/cumulatief gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.4 De beoordeling van de tenlastelegging

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting een verklaring afgelegd waarin hij erkende in verdovende middelen te hebben gehandeld. Dit is voor wat betreft de ten laste gelegde periode het enige bewijs dat de rechtbank tot haar beschikking heeft. De verklaringen waarnaar de officier van justitie heeft verwezen, hebben betrekking op een periode die buiten de tenlastelegging ligt. De rechtbank kan op basis van slechts een bekentenis niet tot een bewezenverklaring komen van dit feit, aangezien de wet dit in artikel 341, vierde lid, wetboek van Strafvordering verbiedt. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het eerste alternatief.

Ten aanzien van het tweede cumulatief kan met een opgave van bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering worden volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en de raadsman van de verdachte geen vrijspraak heeft bepleit.

De rechtbank heeft bij de beoordeling acht geslagen op de volgende bewijsmiddelen.

- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 14 maart 2012;

- het proces-verbaal onder 01/OPV/AH, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal met nummer 2011 059138, van de regiopolitie Haaglanden, onderzoek Magnesium, op 21 maart 2011 opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, blz. 109, inhoudende de vaststelling van de hoeveelheden bij verdachte aangetroffen verdovende middelen;

- een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2011.03.21.209, op 2 mei 2011 opgemaakt en ondertekend door ing. P.H. Wallinga, NFI-deskundige forensische drugsanalyse, door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank benoemd, 01/OPV/AH blz. 115, inhoudende de vaststelling dat de voor onderzoek aangeboden substanties heroïne en cocaïne bevatten.

8. Bewijsoverwegingen ten aanzien van de feiten gepleegd op 21 januari 2011 (dagvaarding I, feit 4, 5 en 6)

8.1 Inleiding

[X] en verdachte hebben geruime tijd een relatie gehad. Eind 2010 heeft [X] de relatie met verdachte beëindigd. In elk geval op 2 januari 2011 hebben zij en verdachte weer contact gehad. [X] heeft aangifte gedaan tegen verdachte wegens ontvoering op die dag. Verdachte vond deze aangifte volstrekt onterecht en wilde dat zij deze zou intrekken. Volgens de verklaring van verdachte had hij op vrijdag 21 januari 2011 een afspraak met [X] om gezamenlijk naar het politiebureau te gaan teneinde de aangifte in te trekken. Toen verdachte bij haar aan kwam, wilde zij echter niet meer mee naar het bureau. In de woning is daarover ruzie ontstaan. [X] heeft daarop aangifte gedaan van het feit dat verdachte zonder toestemming de woning is binnengekomen, haar in de woning heeft mishandeld door een pluk haar uit haar hoofd te trekken en haar mobiele telefoon heeft afgepakt en meegenomen.

8.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte wederechtelijk de woning is binnengedrongen, [X] heeft mishandeld en haar telefoon heeft gestolen.

8.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is om tot een bewezenverklaring van huisvredebreuk en mishandeling te komen.

Ten aanzien van de telefoon heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

8.4 De beoordeling van de tenlastelegging

Op 21 januari 2012 is verdachte in de woning van [X] en haar moeder geweest. Hoe hij de woning is binnengekomen en of die wijze van binnenkomen als huisvredebreuk valt aan te merken, kan de rechtbank op grond van de bewijsmiddelen niet vaststellen. [X] was volgens haar eigen verklaring zelf niet aanwezig toen verdachte binnenkwam, zij bevond zich elders in de woning. De moeder van het slachtoffer, die later aangifte heeft gedaan van de huisvredebreuk, was op het tijdstip van binnenkomen niet thuis. Het nichtje van [X] heeft verklaard dat zij naar de deur is gegaan, heeft gezegd dat verdachte weg moest gaan en dat verdachte toen de deur heeft opengeduwd. Deze verklaring, waarvoor geen steunbewijs voorhanden is, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om wederrechtelijk binnendringen bewezen te achten. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken op dit punt.

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen wel vast dat verdachte [X] in de woning heeft mishandeld en dat hij haar mobiele telefoon heeft gestolen. [X] heeft bij de politie verklaard dat zij haar mobiele telefoon in de hand had om haar moeder te bellen en dat verdachte die uit haar handen trok.17 Vervolgens heeft verdachte haar heel hard aan de haren getrokken, waarbij een pluk haar uit haar hoofd is getrokken, aldus [X]. Zij heeft hier veel pijn van ondervonden.18 [X] heeft op het politiebureau de pluk haar die uit haar hoofd is getrokken laten zien. Tevens hebben de verbalisanten een kale plek op haar achterhoofd waargenomen.19 De nicht van het slachtoffer heeft gezien dat verdachte het slachtoffer aan de haren trok en haar aan haar haren mee de gang in wilde trekken.20

Verdachte heeft ter terechtzitting erkend dat hij de telefoon van het slachtoffer heeft afgepakt en heeft meegenomen. Later heeft hij deze afgegeven bij familieleden van het slachtoffer.21

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [X] door een pluk haar uit haar hoofd te trekken. Ook acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van haar telefoon.

9. Bewijsoverwegingen ten aanzien van het doden van [X] 22 (dagvaarding I, feit 1)

9.1 Inleiding

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen zonder verdere motivering dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag.

In de ochtend van 21 maart 2011 liep het latere slachtoffer [X] naar haar auto, die geparkeerd stond op de [straat] in Den Haag. Zij trof voorbereidingen om naar haar werk te gaan. Toen zij voorovergebogen in haar auto geleund stond om haar jas en tas neer te leggen, liep verdachte op haar af. Hij sprak haar aan en er ontstond een woordenwisseling. Op enig moment tijdens deze woordenwisseling pakte verdachte een revolver uit zijn binnenzak. 23 De revolver ging meerdere malen af en [X] werd door kogels in het hoofd geraakt. Als gevolg van deze schoten is zij later die dag overleden.24

9.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte het slachtoffer met voorbedachte raad om het leven heeft gebracht. Zij heeft hiertoe kort samengevat het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft het slachtoffer in het verleden meermalen met de dood bedreigd. Hieruit blijkt, dat verdachte het plan had om het slachtoffer te vermoorden. Vervolgens heeft verdachte in februari 2011 een vuurwapen aangeschaft en uit de camerabeelden gemaakt in en rond de flat van verdachte blijkt, dat hij op 14 en 15 maart 2011 voorverkenningen heeft gehouden om de gangen van het slachtoffer na te gaan. Op de dag van de moord is verdachte 17 minuten voor het moment waarop hij het slachtoffer aansprak, naar buiten gegaan. Hieruit volgt dat hij het slachtoffer heeft opgewacht. Toen hij op het slachtoffer afliep, droeg verdachte het vuurwapen bij zich, hetgeen slechts kan betekenen dat hij van plan was dit vuurwapen te gebruiken. Vervolgens heeft verdachte één keer op het slachtoffer geschoten, is hij een aantal passen van haar weggelopen om weer terug te lopen en nog twee maal op haar te schieten.

Op grond van deze omstandigheden acht de officier van justitie bewezen dat verdachte reeds voorafgaand aan het eerste schot, alsmede tijdens het schieten zelf, zich heeft beraden op het door hem genomen besluit om het slachtoffer van het leven te beroven. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan moord.

9.3 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat verdachte het slachtoffer middels schoten om het leven heeft gebracht, maar dat van voorbedachte raad geen sprake was. De verdediging heeft hiervoor het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft in de ochtend van 21 maart 2011 zijn flat verlaten om naar Gouda te rijden en zag toen bij toeval het slachtoffer naar haar auto lopen. Hij is naar haar toe gelopen met de bedoeling een gesprek met haar aan te gaan. Uit frustratie om haar antwoorden heeft hij vervolgens de revolver uit zijn binnenzak gepakt. Het slachtoffer lachte hem uit en toen ging bij hem het licht uit. Het staat niet vast dat verdachte drie maal heeft geschoten, nu er maar twee inschotwonden bij het slachtoffer waren en er op het geluidsfragment van de 112-melding van getuige [getuige A] slechts twee knallen te horen zijn. De revolver is volgens verdachte tweemaal afgegaan. Wanneer verdachte met de intentie om het slachtoffer dood te schieten op haar af was gelopen, had hij wel meteen geschoten. Hij is echter met haar in gesprek gegaan. Verdachte heeft vervolgens in een opwelling gehandeld. Er is daarom geen sprake van voorbedachte raad. Wel kan verdachte doodslag verweten worden.

9.4 De beoordeling van de tenlastelegging

De rechtbank heeft reeds vastgesteld dat verdachte het slachtoffer om het leven heeft gebracht door meerdere schoten op haar af te vuren. De vraag die thans nog ter beantwoording voorligt, is of verdachte dit met voorbedachte raad heeft gedaan.

De rechtbank deelt niet de stelling van de officier van justitie dat er bewijs voorhanden is dat verdachte, toen hij in de ochtend van 21 maart 2011 op het slachtoffer afliep, al het plan had opgevat haar om het leven te brengen. Uit de gestelde eerdere woordelijke bedreigingen kan een dergelijk plan niet zonder meer worden afgeleid. Dat verdachte in februari 2011 een revolver zou hebben aangeschaft is een aanname van de officier van justitie, gebaseerd op één, weinig concrete, verklaring van horen zeggen. De rechtbank heeft hiervoor al geconcludeerd dat voor dit standpunt geen bewijs voorhanden is. Overigens volgt uit deze verklaring van horen zeggen niet dat verdachte het wapen zou hebben gekocht met het doel [X] te doden.

De rechtbank acht het met de officier van justitie opmerkelijk dat er een periode van 17 minuten zit tussen het tijdstip dat verdachte zijn flat verliet en het tijdstip waarop hij het slachtoffer aansprak. Verdachte heeft hiervoor geen geloofwaardige verklaring gegeven. Wellicht heeft verdachte het slachtoffer opgewacht. Ook daaruit kan echter niet de conclusie worden getrokken dat hij toen al van plan was haar te vermoorden. Het opwachten kan immers ook tot doel hebben gehad het gesprek met haar aan te gaan, zoals in eerste instantie ook is gebeurd. Hetzelfde geldt voor de door de officier van justitie aangedragen "voorverkenningen" op 14 en 15 maart 2011. Ook al kan het zo zijn geweest dat verdachte op die ochtenden ging kijken of hij [X] op straat zag, dat hij al van plan was om haar te gaan vermoorden kan daaruit niet worden afgeleid.

De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat verdachte drie kogels op het slachtoffer heeft afgevuurd. Door deskundigen is vastgesteld dat de munitiedelen die zijn aangetroffen in het hoofd van het slachtoffer, afkomstig zijn van minimaal drie kogels.25 Het feit dat bij het slachtoffer slechts twee inschotwonden zijn geconstateerd, staat aan deze conclusie niet in de weg, nu een deskundige tevens heeft vastgesteld dat het mogelijk is dat twee kogels door één inschotwond in het hoofd van het slachtoffer zijn gekomen. Gelet op de schotbanen is het goed mogelijk dat via de inschotwond achter het oor van het slachtoffer twee projectielen de schedel zijn binnengedrongen.26

Verschillende ooggetuigen27 hebben bevestigd dat er driemaal is geschoten door verdachte. Getuige [getuige A] verklaarde dat zij zag dat verdachte een pistool pakte en dat zij vervolgens een harde knal hoorde, waarna het slachtoffer op de grond viel. Zij zag verdachte weglopen van het slachtoffer, zich vervolgens omdraaien en teruglopen. Vlakbij het slachtoffer loste hij nogmaals twee schoten.28 Ook getuige [getuige B] heeft gezien dat verdachte een schot loste op het slachtoffer en vervolgens wegliep. Een paar seconden later liep verdachte terug en schoot hij nog tweemaal op het slachtoffer.29 Getuige [getuige C] heeft gezien dat verdachte na het eerste schot op het slachtoffer een aantal passen van haar weg liep, om vervolgens weer terug te lopen en nog tweemaal te schieten.30

Deze verklaringen worden ondersteund door de verklaring van getuige [getuige D], die heeft gezegd dat hij in het appartement van getuige [getuige A], gelegen op de tweede verdieping, was toen hij een eerste schot hoorde. Vervolgens is hij in een aantal seconden naar beneden gelopen waar hij bij de portiekdeur het volgende schot hoorde.31 Ook getuige [E] heeft verklaard dat zij eerst één knal hoorde, vervolgens doorliep en daarna nog twee knallen hoorde.32

Op basis van deze verklaringen, ondersteund door het technische bewijs met betrekking tot het aantal kogels, stelt de rechtbank vast dat verdachte in twee fasen op het slachtoffer heeft geschoten. Na het eerste schot is hij van haar weggelopen, is vervolgens weer naar haar teruggelopen en heeft toen nog twee keer van dichtbij op haar geschoten.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte in de tijdspanne tussen het eerste schot en de twee schoten daarna, tijd voor bezinning heeft gehad en dat hij er bewust - en dus vooropgezet - voor heeft gekozen om terug te keren naar het slachtoffer om haar nog tweemaal in het hoofd te schieten. Kennelijk heeft verdachte na het eerste schot het besluit genomen dat het slachtoffer dit niet mocht overleven. De rechtbank kan niet uitsluiten dat verdachte het eerste schot in een opwelling heeft gelost, maar voor de twee schoten daarna geldt dat in ieder geval niet. Tot het lossen van die twee schoten bestond bij verdachte voorbedachte raad. Daarmee heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan moord op [X].

10. De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

Dagvaarding I:

1.

op 21 maart 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk en met voorbedachten rade [X] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, met een revolver, op korte afstand kogels afgevuurd in de richting van het hoofd van die [X], tengevolge waarvan voornoemde [X] is overleden;

2.

in de periode van 01 januari 2011 tot en met 21 maart 2011 te s-Gravenhage een wapen van categorie III, te weten een revolver ([merk]), en munitie van categorie III, te weten 2 scherpe patronen ([merk]), voorhanden heeft gehad;

3.

op 21 maart 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 9,8 gram, van een materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en ongeveer 2,7 gram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

op 21 januari 2011 te 's-Gravenhage met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Sony/Ericsson, kleur zwart), toebehorende aan [X];

5.

op 21 januari 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk [X], met kracht aan het hoofdhaar heeft getrokken en een pluk haar uit het hoofd heeft getrokken, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

7.

op 24 april 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk [Y] meermalen met een asbak op het hoofd heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

dagvaarding III:

1.

op 26 februari 2011 te Gouda ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [Z] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen, met een puntig voorwerp, in de richting van diens bovenlichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

op 26 februari 2011 te Gouda opzettelijk [Z] meermalen tegen het gezicht heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze pijn heeft ondervonden;

11. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

12. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

13. De strafoplegging

13.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 23 jaar. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte al geruime tijd van plan was het slachtoffer van het leven te beroven. Zij heeft de daad van verdachte omschreven als een executie op de openbare weg, op klaarlichte dag, waarbij verdachte zijn daad al diverse malen had aangekondigd. Voorts voert de officier van justitie aan dat er duidelijk sprake is van een stoornis bij verdachte, maar dat een terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet mogelijk is, nu verdachte heeft geweigerd mee te werken aan onderzoeken naar zijn psychische gesteldheid. Het kan naar het oordeel van de officier van justitie niet zo zijn dat door de proceshouding van verdachte de maatschappij minder beschermd wordt tegen verdachte dan wanneer hij wel meegewerkt had. Bij de duur van de geëiste gevangenisstraf heeft dus ook een zo lang mogelijke bescherming van de maatschappij tegen verdachte meegewogen.

13.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van doodslag. De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte direct een bekennende verklaring heeft afgelegd en dat zijn proceshouding in zijn voordeel dient te worden meegewogen. De verdediging acht een gevangenisstraf van 7 tot 8 jaar gerechtvaardigd.

13.3. Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 21 maart 2011 [X], de vrouw met wie hij jarenlang een relatie heeft gehad, opzettelijk en met voorbedachte raad om het leven gebracht. Verdachte heeft haar met een revolver in het hoofd geschoten. Daarbij is hij na het eerste schot van het slachtoffer weggelopen, maar heeft hij vervolgens doelbewust besloten zijn ingezette actie om [X] om het leven te brengen, af te maken en heeft hij haar nog tweemaal in het hoofd geschoten.

Verdachte heeft daarmee één van de zwaarste misdrijven gepleegd die ons Wetboek van Strafrecht kent. Hij heeft [X] haar leven, het meest kostbare bezit, ontnomen op een moment dat zij daarvan nog het grootste deel voor zich had moeten hebben.

Daarmee heeft hij ook aan de nabestaanden onbeschrijfelijk en onherstelbaar leed toegebracht, waar zij de rest van hun leven mee geconfronteerd zullen blijven. Dit geldt in het bijzonder voor haar ouders, die verder moeten leven met het besef dat hun dochter is vermoord. De ter terechtzitting voorgelezen verklaringen van beide ouders spreken wat dit betreft boekdelen.

Voorts neemt de rechtbank in haar overwegingen mee dat verdachte de moord heeft gepleegd op straat, onder het oog van bekenden van [X] en van argeloze buurtbewoners, die toevallig op straat waren. Een moord brengt naar zijn aard al grote onrust en gevoelens van verontwaardiging en onveiligheid teweeg. Doordat deze moord op straat en op klaarlichte dag plaatsvond en vooral ook door de zeer brute wijze waarop verdachte zijn "karwei" na het eerste schot afmaakte, zijn deze gevoelens nog versterkt. De rechtbank rekent dat verdachte ten zeerste aan.

Verdachte heeft nauwelijks inzicht gegeven in zijn beweegredenen. Hij heeft verklaard dat het slachtoffer naar zijn idee met andere mannen contact had. Ook heeft hij er gewag van gemaakt dat hij dacht dat het slachtoffer voodoo op hem uitoefende maar het belang van dit aspect heeft verdachte ter zitting weer sterk gerelativeerd. Hoe dit ook zij, deze door verdachte geopperde motieven leveren uiteraard nog geen begin van rechtvaardiging op voor deze moord.

Verdachte heeft niet mee willen werken aan rapportages betreffende zijn persoonlijkheid en zijn psychische gesteldheid ten tijde van het plegen van het misdrijf en - in het verlengde daarvan - de vraag of het misdrijf hem kan worden toegerekend. De rechtbank acht verdachte dan ook, bij gebreke van rapportages die anders aangeven, volledig toerekeningsvatbaar.

De rechtbank kan daarom niet anders dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zeer lange duur opleggen. Zij heeft mede gekeken naar de strafopleggingen in vergelijkbare zaken. Daarin plegen gevangenisstraffen van 12 á 13 jaar te worden opgelegd. In het nadeel van verdachte wordt meegewogen dat, zoals hiervoor aangegeven, de moord in de publieke ruimte plaatsvond. Tevens heeft de rechtbank de andere bewezen verklaarde feiten in de strafmaat meegenomen.

De eis van de officier van justitie vindt de rechtbank, in vergelijking met in andere zaken opgelegde straffen, te hoog. Daarnaast acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet bewezen dat verdachte de moord al ruim van tevoren heeft gepland en voorbereid. Dat leidt er toe dat de rechtbank een lagere straf oplegt dan door de officier van justitie geëist.

14. De vorderingen van de benadeelde partijen / de schadevergoedingsmaatregel

14.1 De vorderingen

[benadeelde partij] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 9601,34.

[Z] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 635,-.

[eigenaar fiets] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 148.-.

14.2. De vordering van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij] heeft de officier van justitie gevorderd dat de materiële schade, een bedrag van € 5451,-, toegewezen zal worden met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft verder geconcludeerd dat de wet nauwelijks ruimte laat om immateriële schade aan nabestaanden toe te wijzen.

Ten aanzien van de vordering van [Z] heeft de officier van justitie gevorderd dat een bedrag van € 250,- in verband met schade aan de jas zal worden toegewezen met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de vordering van [eigenaar fiets] heeft de officier van justitie gevorderd de vordering af te wijzen, nu er geen causaal verband bestaat tussen de schade en het misdrijf.

14.3. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de vordering van [benadeelde partij].

De verdediging heeft tot afwijzing van de vordering van [Z] geconcludeerd, nu deze onvoldoende onderbouwd is.

De verdediging heeft tot afwijzing van de vordering van [eigenaar fiets] geconcludeerd nu er geen causaal verband bestaat tussen de schade en het ten laste gelegde feit.

14.4. Het oordeel van de rechtbank

De vordering van [benadeelde partij]

De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op immateriële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien de wet niet in de mogelijkheid voorziet in strafzaken immateriële schadevergoeding aan nabestaanden toe te kennen.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op materiële schade, is namens de verdachte niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het op dagvaarding I onder 1 bewezen verklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 5451,-.

De rechtbank zal voor het overige de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5451,-, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij].

De vordering van [Z]

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de vordering niet is onderbouwd, pogingen van slachtofferzorg de benadeelde partij hiertoe te benaderen zijn mislukt en nader onderzoek het strafgeding onevenredig zou belasten.

Dit brengt mee, dat de rechtbank de kosten die in verband met deze vordering zijn gemaakt zal compenseren door te bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen.

De vordering van [eigenaar fiets]

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte ten aanzien van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, is vrijgesproken.

Dit brengt mee, dat de rechtbank de kosten die in verband met deze vordering zijn gemaakt zal compenseren door te bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen.

15. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36f, 45, 57, 289, 300, 302, 310 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26, 55 van de Wet wapens en munitie;

- 2, 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

16. De beslissing

De rechtbank,

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding I onder 3 eerste alternatief, 6 en 7 primair en bij dagvaarding II onder primair en subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij gewijzigde dagvaarding I onder 1, 2, 3 tweede alternatief, 4, 5, en 7 subsidiair en bij dagvaarding III onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I, feit 1:

Moord;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 2:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 3, tweede alternatief:

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 4:

Diefstal;

ten aanzien van dagvaarding I, feit 5 en 7 subsidiair en dagvaarding III, feit 2:

Mishandeling, meermalen gepleegd;

ten aanzien van dagvaarding III, feit 1:

Poging tot zware mishandeling;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde partij], een bedrag van € 5451,-;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

verklaart de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk in de vordering;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 5451,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde partij];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 62 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat de benadeelde partijen [Z] en [eigenaar fiets] niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;

bepaalt dat de benadeelde partijen [Z] en [eigenaar fiets] en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Eisses, voorzitter,

mrs E.C.M. Bouman en A.M.G. van de Kragt, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Durieux, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 maart 2012.

BIJLAGE

Voluit luidt de tenlastelegging aan de verdachte dat:

Dagvaarding I

1.

hij op of omstreeks 21 maart 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk al dan niet met

voorbedachten rade [X] van het leven heeft beroofd, immers heeft

verdachte met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg,

meermalen, althans eenmaal, met een revolver, althans een vuurwapen (op korte

afstand) een of meer kogel(s) afgevuurd op/naar, althans in de richting van

het hoofd, in ieder geval het lichaam, van die [X], tengevolge waarvan

voornoemde [X] is overleden;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 289 Wetboek van Strafrecht

2.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 21 maart 2011 te

's-Gravenhage een wapen van categorie III, te weten een revolver ([merk]),

en/of munitie van categorie III, te weten 2 scherpe patronen (.32

[merk]), voorhanden heeft gehad;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 26 lid 1 Wet wapens en munitie

3.

hij in of omstreeks de periode van 01 januari 2011 tot en met 20 maart 2011 te

's-Gravenhage en/of te Gouda, althans in Nederland, opzettelijk heeft verkocht

en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid van een

materiaal bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of een hoeveelheid van een

materiaal bevattende cocaine, zijnde heroïne en/of cocaine (telkens) een

middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen

krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

en/of

hij op of omstreeks 21 maart 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk aanwezig heeft

gehad ongeveer 9,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal

bevattende heroïne (diacetylmorfine) en/of ongeveer 2,7 gram, in elk geval een

hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne

(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan

wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

art 2 ahf/ond B Opiumwet

art 10 lid 4 Opiumwet

4.

Ter berechting gevoegde zaak: 662508-11:

hij op of omstreeks 21 januari 2011 te 's-Gravenhage met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk

Sony/Ericsson, kleur zwart), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [X], in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

5.

Ter berechting gevoegde zaak: 662508-11:

hij op of omstreeks 21 januari 2011 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon

(te weten [X]), (met kracht) aan het (hoofd)haar heeft getrokken

en/of (een pluk) haar uit het hoofd heeft getrokken, waardoor deze letsel

heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

6.

Ter berechting gevoegde zaak: 662508-11:

hij op of omstreeks 21 januari 2011 te 's-Gravenhage wederrechtelijk is

binnengedrongen in een woning gelegen de [adres] en in gebruik bij [X] en/of haar moeder, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte;

art 138 lid 1 Wetboek van Strafrecht

7.

Ter berechting gevoegde zaak: 655474-10:

hij op of omstreeks 24 april 2010 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [Y],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen,

althans eenmaal, met een asbak op het hoofd heeft geslagen van die

[Y], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 april 2010 te 's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten [Y]), meermalen, althans eenmaal, met een asbak op het

hoofd heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft

ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

Dagvaarding II

hij op of omstreeks 18 maart 2010 te Gouda met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (dames)fiets, in elk geval

enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [eigenaar fiets], in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

art 310 Wetboek van Strafrecht

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 29 maart 2010 te Gouda, in elk geval in Nederland, een

(dames)fiets heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft

overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden

krijgen van die fiets wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat

het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

art 416 lid 1 ahf/ond a Wetboek van Strafrecht

Dagvaarding III

1.

hij op of omstreeks 26 februari 2011 te Gouda ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [Z],

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen,

althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de

richting van zijn bovenlichaam heeft gestoken en/of gezwaaid (waarbij zijn jas

is beschadigd), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is

voltooid;

art 302 lid 1 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

hij op of omstreeks 26 februari 2011 te Gouda opzettelijk een persoon (te weten

[Z]), meermalen, althans eenmaal, tegen het gezicht, althans het

hoofd heeft gestompt en/of geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of

pijn heeft ondervonden;

art 300 lid 1 Wetboek van Strafrecht

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit een pagina uit de bijlage Aangiften 01/OPV/A bij het proces-verbaal met het nummer 2011 059138, van de regiopolitie Haaglanden;

2 Proces-verbaal verhoor aangever , blz. 53 en 54, 01/OPV/A

3 Proces-verbaal verhoor verdachte/aangever [Y], blz. 68, 01/OPV/A;

4 Proces-verbaal verhoor verdachte/aangever [Y], blz. 69, 01/OPV/A;

5 Foto's bij proces-verbaal verhoor verdachte/aangever [Y], blz. 74 en 75, 01/OPV/A;

6 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 1], op 24 januari 2012 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier;

7 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 2], op 29 september 2011 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier;

8 Proces-verbaal van verhoor van [getuige 3], op 29 september 2011 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier;

9 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 14 maart 2012, eigen verklaring van verdachte;

10 Proces-verbaal van aangifte, blz. 192, 01/OPV/A;

11 Proces-verbaal van aangifte, blz. 192, 01/OPV/A;

12 Proces-verbaal van bevindingen, Film 51, blz. 226, 01/OPV/A;

13 Proces-verbaal van bevindingen, Film 51, blz. 226, 01/OPV/A;

14 Proces-verbaal van bevindingen, Film 61, blz. 228, 01/OPV/A;

15 Proces-verbaal van bevindingen, Film 51, blz. 226, 01/OPV/A;

16 Afbeelding bij proces-verbaal van bevingen, blz. 230;

17 Proces-verbaal van aangifte, blz. 147, 01/OPV/A;

18 Proces-verbaal van aangifte, blz. 147, 01/OPV/A;

19 Proces-verbaal van aangifte, blz. 148, 01/OPV/A;

20 Proces-verbaal van verhoor, blz. 151, 01/OPV/A;

21 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 14 maart 2012, eigen verklaring van verdachte;

22 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit een pagina uit het proces-verbaal met het nummer 2011 059138, van de regiopolitie Haaglanden, onderzoek Magnesium;

23 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 28 maart 2012, eigen verklaring van verdachte;

24 Dossier Forensisch onderzoek, een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2011.03.21.209, op 31 maart 2011 opgemaakt en ondertekend door dr. B. Kubat, arts en patholoog , NFI-deskundige, door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank benoemd, blz .164 onder 6 en blz. 166 onder 7;

25 Dossier Forensisch onderzoek, een deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut, zaaknummer 2011.03.21.209, op 23 mei 2011 opgemaakt en ondertekend door W. Kerkhof, NFI-deskundige wapens en munitie, door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank benoemd, blz. 205 onder vraag 5;

26 Begeleidende brief d.d. 2 augustus 2011, onderwerp zaaknumer 2011.03.21.209 sectie: 2011-075, ondertekend door dr. B. Kubat, arts en patholoog;

27 De rechtbank heeft zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de verklaringen die zo kort mogelijk na het incident zijn afgelegd, omdat zij van oordeel is dat deze verklaringen de waarnemingen het meest authentiek weergeven. Ten aanzien van getuige [getuige C] is zijn verklaring bij de rechter-commissaris gebruikt, omdat hij blijkens zijn verklaring aldaar bij de politie niet volledig heeft verklaard uit angst voor represailles;

28 Proces-verbaal verhoor getuige, Algemeen dossier 01, 01/OPV/G blz. 11;

29 Proces-verbaal verhoor getuige, Algemeen dossier 01, 01/OPV/G blz. 42;

30 Proces-verbaal van verhoor van [getuige C], op 29 september 2011 opgemaakt en ondertekend door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank en de griffier;

31 Proces-verbaal verhoor getuige, Algemeen dossier 01, 01/OPV/G blz. 29;

32 Proces-verbaal verhoor getuige, Algemeen dossier 01, 01/OPV/G blz. 113;